Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
Wonen met bedrijvigheid Erf – Tuin.
mevrouw [huurder] als huurder een huurovereenkomst gesloten met daarin onder meer de volgende artikelen:
- artikel 1.2, waarin staat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte,
- artikel 4.2 waarin staat dat de huurprijs voor het eerst per 1 juli 2010 en vervolgens jaarlijks wordt aangepast volgens het gestelde in artikel 18 van Pro de algemene bepalingen,
- artikel 8.3, waarin staat dat huurder de woning dient te verlaten indien het bestemmingsplan aangeeft dat het huren van de woning niet is toegestaan,
- artikel 10, waarin staat dat huisdieren zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar niet zijn toegestaan, waarbij met de hand is geschreven dat huurder de woning zal betreden met honden en dat dit akkoord is.
1 januari 2015 is ingegaan” is bepaald dat partijen zijn overeengekomen dat mevrouw [huurder] vanaf 1 maart 2020 niet langer medehuurder is op de huurovereenkomst.
overeengekomen waardoor de huidige huurprijs niet langer € 860,20 maar € 973,43 bedraagt,
Daarin staat dat er op 8 april 2024 een controle is uitgevoerd op deze locatie naar aanleiding van een bij de gemeente binnengekomen klacht, die was gericht op de bewoning van een bedrijfswoning door een (huishouden) persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein niet noodzakelijk wordt geacht.
-
bedrijfswoning, zijnde een woning in of bij een gebouw of op of bij een terreinkennelijk slechts bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoonwiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein
(…)
Na enige discussie heeft u een vergoeding aangeboden ter hoogte van € 12.000 wanneer de huurovereenkomst uiterlijk m.i.v. 30 april 2025 door cliënt wordt beëindigd. Indien opzegging met beëindiging op 30 april 2025 niet plaatsvindt, kan [gedaagde] geen aanspraak meer maken op deze verhuiskostenvergoeding.
(…)
In het gebouw wordt optimaal ingezet op functiemenging. Door het combineren van wonen, werken, industrie en (stads)logistiek wordt optimaal bijgedragen aan de (maatschappelijke) opgaven in de omgeving.
3.Het geschil
afzonderlijke huurbedragen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag van
algehele voldoening,
gehuurde is ontruimd en opgeleverd;
Nu het gebruik van de bedrijfswoning als woning naar publiek recht niet is toegestaan en daardoor ook de belangen van Valueassets worden geschaad levert de overtreding van de publiekrechtelijke voorschriften een tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen op. Daarnaast is er sprake van gedragingen strijdig aan goed huurderschap om de redenen dat [gedaagde] overlast veroorzaakt voor omwonenden en twee grote honden in het gehuurde houdt terwijl in de huurovereenkomst is opgenomen dat huisdieren zonder schriftelijke toestemming niet zijn toegestaan.
[gedaagde] voert aan dat er op de voet van artikel 7:281 BW Pro geen sprake is van omstandigheden die tot verwezenlijking van de bestemming nopen. De noodzaak van de gemeente om op te treden, is voortgekomen uit een klacht en niet uit een gewijzigde bestemming. Een handhavingsbesluit kan niet worden gelijkgesteld met een ontwikkeling in de gemeente die tot verwezenlijking van de bestemming noopt. Als aanleiding voor controle naar strijdig gebruik, wordt door de gemeente in haar dwangsombeschikking verwezen naar een klacht. De klacht in kwestie blijkt een door mevrouw [huurder] aan de gemeente toegezonden klacht te zijn voor het adres [adres] . Niet geloofwaardig is dat deze klacht voor de gemeente aanleiding heeft gegeven om handhavend op te treden.
Valueassets wist bij aankoop van het perceel dat de bedrijfswoning in strijd met het op het perceel rustende bestemming wordt bewoond. In de brochure van de nieuwbouw komt een woonfunctie terug. Het gebied waarin de woning ligt, wordt aangeduid als Kanaalfront. Verwacht mag worden dat geen bewoning in het kanaalfront wordt toegelaten, zodat het door Valueassets gepresenteerde plan achterhaald kan zijn.
4.De beoordeling
[gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat de handhaving een gevolg is van een overlastklacht die [huurder] zelf op 25 november 2021 heeft ingediend bij de gemeente, nader aangetoond middels overlegging van het Woo-besluit van 10 juli 2025 met bijlage (productie 3 bij antwoord). Daarmee staat vast dat het handhavingsbesluit geen verband houdt met de bestemmingswijziging. Daaruit kan dus geen ontwikkeling herleid worden die noodzaakt tot verwezenlijking van de bestemming. Van overige ontwikkelingen die nopen tot (dringende) verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet, althans onvoldoende gebleken. Dit betekent dat het beroep op artikel 7:281 BW Pro niet slaagt. Daarbij speelt ook een rol dat Valueassets niet is ingegaan op de door [gedaagde] geopperde mogelijkheid om alsnog te voldoen aan bewoning conform bestemming. Dit klemt te meer, nu Valueassets in haar eigen plan een woonfunctie heeft ingetekend. Verder is van belang dat Valueassets nagelaten heeft passende, vervangende woonruimte aan te bieden. De enkele verwijzing naar mogelijk geschikte woonruimte in [plaats] bij overgelegde e-mail van 11 mei 2025 is onvoldoende, zeker nu [gedaagde] daarover onweersproken heeft gesteld dat deze woning al gereserveerd en niet meer beschikbaar was.
Voor wat betreft de overlast voor omwonenden verwijst zij naar klachten uit de omgeving die aanleiding zijn geweest voor de controle van de gemeente. Daarover is hiervoor al opgemerkt dat het daarbij ging om een overlastklacht uit 2021 van [huurder] over een naburig pand. Daaruit kan uiteraard geen tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] afgeleid worden.
Verder stelt Valueassets dat [gedaagde] geen honden mag houden in het gehuurde.
Nu de bewoning met honden naar [gedaagde] onweersproken heeft gesteld vanaf 2009 is toegestaan, kan dit nu niet tegengeworpen worden als zijnde een tekortkoming die thans ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.