Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1790

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11729819
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid boekhouder voor boetes door tekortkoming pensioenaangiften

Eiser exploiteert een kinderdagverblijf en had een overeenkomst met gedaagde voor salarisadministratie en jaarrekeningen. Gedaagde besteedde pensioenaangiften uit aan een onderaannemer, maar deze werden niet correct of te laat ingediend, wat leidde tot boetes van het pensioenfonds.

Eiser ontving diverse boetefacturen en hield gedaagde verantwoordelijk, ondanks diens beroep op uitbesteding. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst tussen eiser en gedaagde ook de pensioenaangiften omvatte en dat gedaagde aansprakelijk is voor fouten van de onderaannemer.

Gedaagde had tijdig kennis van de problemen en werd voldoende in de gelegenheid gesteld om de situatie te herstellen, maar faalde hierin. De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €14.568,02 wegens tekortkoming in pensioenaangiften en bijkomende kosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11729819 \ CV EXPL 25-1675
Vonnis van 27 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser]h.o.d.n.
[bedrijf 1]
wonende en zaakdoende te [woonplaats 1]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. K.W.A. Wools
tegen
[naam gedaagde]h.o.d.n.
[bedrijf 2]
wonende en zaakdoende te [woonplaats 2]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. M.P. Harten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de aanvullende producties 10 en 11 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. [eiser] is verschenen met haar gemachtigde mr. Wools. Namens [gedaagde] is (met een machtiging) verschenen haar echtgenoot [echtgenoot] met mr. M.P. Harten. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gehouden van hetgeen met partijen is besproken.
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] drijft een kinderdagverblijf onder de naam [bedrijf 1] . [gedaagde] drijft onder de naam [bedrijf 2] een onderneming in administratieve dienstverlening.
2.2.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tot het verzorgen van de salarisadministratie en het opstellen van jaarrekeningen voor [eiser] .
2.3.
[eiser] heeft van Pensioenfonds Zorg & Welzijn (hierna te noemen PFZW) op
19 december 2023 een aangetekende brief ontvangen, met daarin de aanzegging dat er boetes opgelegd zouden worden in verband met het niet of niet juist aanleveren van loongegevens.
2.4.
[eiser] heeft in de periode 8 februari 2024 tot en met 26 september 2024 de volgende boetefacturen van PFZW ontvangen.
Datum
Bedrag
Betreffende de maand:
08-02-2024
613,47
Oktober 2023
29-02-2024
915,97
Oktober 2023
28-03-2024
1.214,24
December 2023
25-04-2024
1.516,74
Januari 2024
30-05-2024
1.819,24
Februari 2024
06-08-2024
2.121,74
April 2024
29-08-2024
2.424,24
Mei 2024
26-09-2024
2.726,74
Juni 2024
Totaal
13.352,38
2.5.
In de periode van 26 maart tot en met 19 juni 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] via Whatsapp contact gehad over (onder meer) de door [eiser] ontvangen brieven en boetes van PFZW. Daarin is onder meer het volgende over en weer gestuurd (letterlijk):
26 april 2024
[eiser]: stuurt een brief van PFZW aan [gedaagde] van een bedrag van € 1.650,62.
[gedaagde]: Volgende week heb ik een gesprek met ze ga er persoonlijk voorzorgen dat dit wordt opgelost.
[eiser]: O fijn
2 mei 2024
[eiser]: [stuurt een brief van PFZW] Goedemorgen. Is alles geregeld met die jongens van de administratie want ze sturen me steeds post nu weer. (..) Ik wil geen achterstanden. Ik hoor graag van u.
[gedaagde]: Nog niet heb en afspraak met de jongens van de salarisstrookjes aankomende zaterdag.
[eiser]: Er komen steeds kosten boven op
[gedaagde] :Weet ik maar die jongens gaan er voor betalen. Even geduld. (..) Komt ook goed hoor anders ga ik het zelf betalen.
6 mei 2024
[eiser]: Goedemorgen. Ik zou u graag willen spreken. Gr [eiser]
[gedaagde]: Moet zo naar de doctor (..). Ps jongens gaan de aanmaningskosten betalen. Zoude en juist overzicht willen hebben. Kan jij mijn deze mailen vast.
17 mei 2024
[gedaagde] : Zorg en welzijn wordt wat moeilijker verwacht met ze na maandag dit ook met je te kunnen oplossen.
22 mei 2024
[gedaagde]: Goedemorgen [eiser] in jouw geval moet er een e herkenning komen. Looop op bijde vast dus graag de juiste e herkenning.
27 mei 2024
[gedaagde] : [stuurt screenshot van de website van PFZW] Ligt er uit in de loop van de middag nogmaals proberen.
(..)
18 juni 2024
[eiser] : Ik heb weer een brief gehad, een flink bedrag wat is dit. [stuurt brief van PFZW].
19 juni 2024
[gedaagde] : [medewerker 1] wordt gek van dan [eiser] los het even op stuur me en bevestiging dan kan ik deze doorsturen naar haar. [doorgestuurd] Is goed [echtgenoot] . Ik ga er haast mee maken.
2.6.
[eiser] heeft zich in juli 2024 tot een nieuw boekhoudkantoor (hierna te noemen [Bedrijf 3] ) gewend, waarna [Bedrijf 3] onder meer contact met PFZW en [medewerker 1] van [onderaannemer] (hierna: [medewerker 1] ) heeft opgenomen om een beeld van de ontstane situatie te krijgen.
2.7.
Bij e-mail van 17 december 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld zij zich tot een advocaat zal wenden in verband met de ontvangen boetes. In de mail staat onder meer:
(..)
Zoals u weet en ik al vaker aan u heb gemeld betreft pensioenfonds, wil ik je via deze weg laten weten dat ik het een en ander heb uitgezocht samen met mijn nieuwe boekhouder en er aanzienlijke boete kosten opgelegd zijn door fouten van u.
Gezien de hoogte van het bedrag en u alsmaar een ander de schuld geeft ben ik genoodzaakt een advocaat in handen te nemen. Ik vind het erg jammer dat het zo moet maar u schuift het elke keer weg en er komt helaas geen oplossing. (..)
2.8.
Diezelfde dag heeft [echtgenoot] hierop gereageerd met:
‘ [eiser] zou je deze mail door willen sturen naar [medewerker 1] hij is daar voor verantwoordelijk.’
2.9.
Op 19 december 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gestuurd:
‘Dit is juist waar het steeds misgaat, ik heb niks met [medewerker 1] van doen. Ik heb het uitbesteed aan [bedrijf 2] en jullie zijn dan de eindverantwoordelijke aan wie jullie het uitbesteden is niet aan mij.
Daarom ben ik ook genoodzaakt dit te verhalen op [bedrijf 2] ’
2.10.
Waarop [gedaagde] die dag ook heeft gereageerd met:
‘Is goed maar de kosten zijn wel voor hem en die verreken ik wel met [medewerker 1] ’
2.11.
Bij e-mail van 20 december 2024 heeft [gedaagde] [eiser] om een specificatie verzocht. Later die dag heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht (letterlijk):
Heb gisteren en gesprek gehad met [medewerker 1] en een overzicht vandaag gekregen van zijn bevindingen. Waar bij hij duidelijke aangeeft dat he het wel degelijk heeft gedaan maar schijf de schuld naar jou en gedeeltelijke Ook naar mijn maar dat is niet juist ik had daar geen beheer over. Zou je de vordering even willen opschorten. Wil in de loop van volgende week alles even op mijn gemak onderzoeken. (..)
2.11.1.
Onder voornoemde e-mail van [gedaagde] is een e-mail van [medewerker 1] aan [gedaagde] gevoegd. Daarin staat voor zover thans van belang:
(..)
Alles is dus aangeleverd, wellicht te laat maar wel gedaan. Normaliter laat een pensioenfonds dan de boetes vervallen.
Wat ik niet begrijp m.b.t. de boete van 13K zijn de volgende zaken en mijn advies aan jou is om dit ook te benadrukken (..)
* Voordat het Pensioenfonds boetes op gaat leggen, zijn er al diverse aanmaningen/herinneringen verstuurd naar de werkgever. Ik heb ze in ieder geval nooit gezien en nooit iets van jou toegezonden gekregen?
(..)
Ik ben geen partij tussen jou en [eiser] /advocaat. (..) Ik heb het gevoel dat jij namelijk nog wat informatie mist. Maar dit is geheel aan jezelf om hier al dan niet navraag over te doen.
(..)
Hou mij svp op de hoogte van de ontwikkelingen.
2.12.
Bij brief van 30 januari 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd binnen een week een bedrag van € 13.352,38 te betalen. In de brief staat, voor zover thans van belang:
(..)
Op grond van een opdrachtovereenkomst tot dienstverlening heeft cliënte aan u opdracht gegeven (..) tot (onder andere) (..) het verzorgen van de aangifte bij het (volgens de cao verplichte) pensioenfonds PFZW. U heeft in dit verband jarenlang samengewerkt. Ik begreep dat u op uw beurt enkele werkzaamheden (waaronder mogelijk de aangiftes bij PFZW) heeft uitbesteed aan een derde (een onderaannemer), echter de contractuele relatie is tussen u en cliënte aangegaan en cliënte heeft voor de werkzaamheden ook (enkel) aan u betaald.
Het is gebleken dat de pensioenaangifte bij de PFZW tijdenlang fout – of zelfs in het geheel niet – is uitgevoerd door u. Dientengevolge heeft cliënte boetefacturen gekregen (..). U bent als opdrachtnemer gehouden om de opdracht op een juiste wijze uit te voeren en wel zodanig dat cliënte daarvan geen schade ondervindt. Het is duidelijk dat u deze plicht niet bent nagekomen en dat u bent tekortgeschoten in uw verplichtingen die uit de opdrachtovereenkomst voortvloeien. (..)
2.13.
Bij brief van 31 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd binnen 5 dagen een bedrag van € 14.568,02 te betalen. Daarin is, voor zover hier van belang, opgenomen:
(..)
Op mijn brief van 30 januari 2025 kreeg ik van u helaas geen inhoudelijke reactie en ook uw betaling is uitgebleven. Wel heeft u op 20 februari 2025 per mail aan cliënte gevraagd om de zaak even op te schorten, zodat u een en ander zou kunnen uitzoeken. Sindsdien is het van uw zijde stil gebleven.
In uw mail geeft u overigens ook aan dat u over deze kwestie in bespreking bent met [onderaannemer] . Hoewel cliënte begrijpt dat u de claim op uw beurt wilt doorschuiven aan hem, staat cliënte daar buiten.
Cliënte heeft u de opdracht gegeven (..) en die opdracht heeft u aanvaard. Dat u die werkzaamheden op uw beurt weer heeft laten uitvoeren door een derde regardeert cliënte niet. (..)

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van € 14.568,02 (bestaande uit € 13.352,38 aan hoofdsom, € 116,33 aan wettelijke rente berekend tot 31 maart 2025 en € 1.099,31 aan buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 april 2025 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door de pensioenaangifte bij PFZW niet (correct) uit te voeren. [gedaagde] is gehouden de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden, bestaande uit de ontvangen boetefacturen van totaal € 13.352,38. Omdat [gedaagde] , ondanks aanmaning, niet tot betaling is overgegaan is zij ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Beoordeeld moet worden of [gedaagde] de door [eiser] ontvangen boetefacturen moet vergoeden. De vraag die partijen in dat kader verdeeld houdt is of het doen van de pensioenaangiften bij PFZW onderdeel is van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, hetgeen [eiser] stelt en [gedaagde] betwist.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat de echtgenoot van [gedaagde] met name werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht en de contactpersoon van [eiser] was. De handelingen van de echtgenoot van [gedaagde] vallen onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] en worden als gevolg daarvan als handelingen door [gedaagde] zelf beschouwd. [gedaagde] wordt daarom hierna in vrouwelijk enkelvoud aangeduid, ook daar waar verwezen wordt naar hetgeen haar echtgenoot tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd.
4.3.
[eiser] stelt dat het verzorgen van de pensioenaangiften was inbegrepen in de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de Whatsappcorrespondentie tussen partijen (productie 8 bij dagvaarding). Daaruit blijkt dat [eiser] steeds contact met [gedaagde] opnam na ontvangst van brieven van PFZW en dat [gedaagde] vervolgens bevestigde dat zij het zou regelen. [gedaagde] betwist dat zij het verzorgen van de pensioenaangiften heeft aanvaard en stelt dat [eiser] rechtstreeks een machtiging aan [medewerker 1] heeft verleend, waarbij [gedaagde] als intermediair heeft gefungeerd. De kantonrechter stelt voorop dat ‘intermediair’ geen juridische kwalificatie is en [gedaagde] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook niet nader kunnen duiden.
Daar komt bij dat deze stelling niet nader ondersteund wordt door de overige feiten en omstandigheden zoals door Van in deze procedure naar voren zijn gebracht.
4.4.
[gedaagde] heeft onder punt 4 van haar conclusie van antwoord gesteld dat zij salaris-gerelateerde werkzaamheden, waaronder kennelijk de pensioenaangiften, heeft uitbesteed aan [medewerker 1] . Dit impliceert dat sprake is van onderaanneming, dus dat [eiser] een overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten en dat [gedaagde] aan [medewerker 1] de opdracht heeft gegeven een deel van de afgesproken werkzaamheden uit te voeren. Een en ander blijkt, anders dan [gedaagde] meent, ook uit de feitelijke gang zaken. Uit de overgelegde Whatsappcorrespondentie (productie 8 bij dagvaarding) blijkt dat [gedaagde] na de door [eiser] doorgestuurde brieven van PFZW, contact opnam met [medewerker 1] . Dit sluit ook aan op de werkwijze tussen [gedaagde] en [medewerker 1] , zoals tijdens de zitting is toegelicht door [gedaagde] . [medewerker 1] factureerde zijn werkzaamheden aan [gedaagde] en [gedaagde] factureerde op haar beurt het geheel aan [eiser] . Dat [eiser] op de hoogte was van de uitbesteding aan [medewerker 1] en hiermee heeft ingestemd, kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat dan sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [medewerker 1] . Ook de omstandigheid dat [medewerker 1] als gemachtigde voor de UPA-aanleveringen in het systeem van PFZW stond ingevoerd en dat [eiser] nadien direct contact met [medewerker 1] heeft onderhouden over de feitelijke pensioenaangifte, voor zover daarvan sprake is geweest als door [gedaagde] gesteld en door [eiser] betwist, maakt dat ook niet anders. Uit de toelichting van [Bedrijf 3] ter zitting blijkt dat enkel de daadwerkelijke uitvoerder van de pensioenaangiften in het systeem van PFZW vermeld kan worden. Dit zegt op zichzelf niets over de (al dan niet) contractuele relatie tussen de uitvoerder en degene voor wie de aangiften worden gedaan. Voorts blijkt uit de e-mail van 19 februari 2025 van [medewerker 1] aan [gedaagde] (productie 5 bij dagvaarding) dat [medewerker 1] zichzelf niet als een partij tussen [gedaagde] en [eiser] beschouwt en adviseert hij [gedaagde] in die mail over haar positie ten opzichte van [eiser] inzake de pensioenaangiften. Aangezien [gedaagde] haar stelling, dat tussen [eiser] en [medewerker 1] een overeenkomst tot stand is gekomen, niet nader heeft onderbouwd komt dit niet vast te staan. Op grond van het voorgaande is daarom de conclusie dat tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, waarin de pensioenaangiften begrepen zijn, en dat [gedaagde] [medewerker 1] de opdracht heeft gegeven die pensioenaangiften feitelijk (op basis van onderaanneming) uit te voeren. Als gevolg daarvan is [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk voor onjuistheden / fouten in de werkzaamheden die [medewerker 1] in onderaanneming van [gedaagde] heeft uitgevoerd.
4.5.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] boetes van PFZW heeft ontvangen, omdat de pensioenaangiften niet (juist) zijn gedaan. [medewerker 1] heeft in zijn e-mail van 19 februari 2025 (productie 5 bij dagvaarding) bevestigd dat aangiften ‘wellicht’ te laat zijn gedaan en heeft daarbij niet betwist dat als gevolg daarvan boetes worden opgelegd. Daarmee staat de wanprestatie van [medewerker 1] vast. Aangezien geoordeeld is dat [medewerker 1] als onderaannemer van [gedaagde] dient te worden beschouwd, heeft zijn wanprestatie jegens [eiser] te gelden als een wanprestatie van [gedaagde] . Op grond van artikel 6:74 BW Pro is [gedaagde] gehouden de schade die de schuldenaar, in dit geval [eiser] , daardoor lijdt te vergoeden.
4.6.
[gedaagde] verwijt [eiser] dat zij haar klachtplicht heeft geschonden, omdat zij [gedaagde] na ontvangst van de brief van 19 december 2023 van PFZW niet tijdig op de hoogte heeft gebracht.
[eiser] heeft tijdens de zitting gesteld dat zij op 3 januari 2024 een foto van de aangetekende brief van PFZW via Whatsapp aan [gedaagde] heeft gestuurd en dat [gedaagde] daarop heeft gereageerd met:
‘Ik ben net thuis gekomen, ga morgenochtend met de salaris administratie bellen. Ik bel je terug.’
[eiser] verwijst vervolgens naar de Whatsappcorrespondentie met [gedaagde] in april en mei 2024 (productie 8 bij dagvaarding), waaruit blijkt dat zij ook andere brieven van PFZW heeft doorgestuurd en [gedaagde] heeft aangegeven dat zij het gaat oplossen. [gedaagde] heeft onder meer gereageerd met
: ‘ga er persoonlijk voorzorgen dat dit wordt opgelost’, ‘weet ik maar die jongens gaan er voor betalen’, ‘komt ook goed hoor anders ga ik het zelf betalen’en
‘ps jongens gaan de aanmaningskosten betalen.’Daarbij blijkt uit het Whatsappbericht van 22 mei 2024 dat [gedaagde] [eiser] om haar e-herkenning heeft gevraagd en heeft geprobeerd op 27 mei 2024 in te loggen bij PFZW. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] steeds op de hoogte was van brieven van PFZW en dat zij dus tijdig heeft geklaagd, aldus [eiser] .
[gedaagde] heeft tijdens de zitting in eerste instantie aangegeven dat hij ‘nu’ pas over de brief van 19 december 2023 heeft gehoord en vervolgens zou [eiser] pas eerst in juli 2024 hierover aan de bel hebben getrokken. Het verweer van [gedaagde] acht de kantonrechter inconsistent en mede gelet op de onderbouwing van [eiser] niet geloofwaardig. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [gedaagde] reeds in januari 2024 bekend was met de omstandigheid dat PFZW boetes ging opleggen aan [eiser] , en dat [eiser] dus tijdig heeft geklaagd bij [gedaagde] . Zij heeft hem in de gelegenheid gesteld het op te lossen, hetgeen niet tijdig is gebeurd om het opleggen van boetes te voorkomen.
4.7.
Het verwijt van [gedaagde] dat [eiser] in dat kader haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden door zelf geen bezwaar-, matigings- of kwijtscheldingsverzoek in te dienen bij PFZW kan evenmin slagen. Vast is gesteld dat [eiser] [gedaagde] in de hand heeft genomen om haar te ontzorgen in de salarisadministratie, waaronder de pensioenaangiften. Het is dus aan [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat de aangiften op de juiste wijze gebeuren en als er fouten gemaakt zijn, deze op te lossen, al dan niet via [medewerker 1] . [eiser] heeft [gedaagde] van de correspondentie van PFZW op de hoogte gehouden en [gedaagde] heeft [eiser] steeds voorgehouden dat zij het zou oplossen. Het lag daarom juist in handen van [gedaagde] om te voorkomen dat de boetes zouden worden opgelegd of zouden oplopen. Daar komt bij dat mevrouw [medewerker 2] van [Bedrijf 3] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat zij contact met PFZW heeft opgenomen en te horen heeft gekregen dat de boetes niet (meer) kwijtgescholden zouden worden, ook niet als de gegevens alsnog zouden worden aangeleverd. Het verwijt van [gedaagde] kan gelet op het voorgaande dan ook geen stand houden.
4.8.
[gedaagde] betwist voorts nog dat sprake is van verzuim. Voor zover dat argument ziet op het bieden van de gelegenheid de fouten te herstellen, geldt hetgeen hiervoor is geoordeeld, namelijk dat [gedaagde] tijdig wist van de boetes en zelf actie had moeten ondernemen om de schade te voorkomen of te beperken. Daartoe is zij voldoende in de gelegenheid gesteld. Voor zover het ziet op de onderhavige betalingsverplichting heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] bij brief van 30 januari 2025 (producties 4 bij dagvaarding) gesommeerd binnen een week tot betaling over te gaan. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij deze brief heeft ontvangen en vast staat dat [gedaagde] niet heeft betaald.
De stelling van [gedaagde] dat de sommatie ziet op een niet bestaande verplichting kan gelet op hetgeen is geoordeeld onder 4.3 t/m 4.5. geen stand houden zodat daaraan voorbij wordt gegaan. De conclusie is dat [gedaagde] na verloop van de gestelde termijn in verzuim getreden.
4.9.
[gedaagde] heeft (de juistheid van) de hoogte van de boetes niet (gemotiveerd) betwist, dus de conclusie is dat [gedaagde] de gevorderde hoofdsom van € 13.352,38 aan [eiser] moet vergoeden. De hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.10.
De meegevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat [gedaagde] deze op grond van artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is en haar verweer – dat er geen grondslag is voor de hoofdvordering en geen sprake van verzuim - geen stand houdt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.
4.11.
[eiser] vordert € 1.099,31 aan buitengerechtelijke incassokosten. De primair gestelde grondslag, zijnde de algemene voorwaarden, kan geen stand houden nu niet is gesteld of gebleken dat er algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] .
Vast staat dat [gedaagde] de vordering van [eiser] niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft betaald, als gevolg waarvan zij op grond van artikel 6:96 lid 4 BW Pro buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Daar komt bij dat [eiser] kosten heeft moeten maken om haar betaling te ontvangen. Ook is het van belang dat [eiser] dan wel haar gemachtigde [gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de hoofdsom te betalen. Het gevorderde bedrag is conform het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Voor wat betreft de btw over de buitengerechtelijke kosten heeft [eiser] gesteld dat zij de btw niet kan verrekenen omdat activiteiten in de kinderopvang niet btw-plichtig zijn en [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken, zodat van de juistheid er van wordt uitgegaan. Het voorgaande leidt ertoe dat het bedrag van € 1.099,31 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen.
4.12.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,09
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.889,09
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [eiser] dit vordert en [gedaagde] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.568,02, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over € 13.352,28 vanaf 1 april 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.889,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken
27 februari 2026.
40140 \ 560