Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1795

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11581371
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding operational lease en hoofdelijk aansprakelijkheid voormalige vennoten vennootschap onder firma

De zaak betreft een geschil over twee operational leaseovereenkomsten tussen een leasemaatschappij en een vennootschap onder firma (vof), waarvan de vennoten vader en zoon waren. Na uittreding van de zoon uit de vof en het voortzetten van de onderneming door de vader, ontstond een betalingsachterstand op de leasetermijnen. De leasemaatschappij sommeerde betaling en ontbond de leaseovereenkomsten wegens niet-nakoming.

De leasemaatschappij vorderde betaling van de achterstallige leasetermijnen, contractuele rente en buitengerechtelijke kosten van beide voormalige vennoten, die hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel en de toepasselijke algemene voorwaarden. De zoon betwistte de vordering en stelde dat hij was ontslagen van zijn verplichtingen, maar dit werd verworpen omdat geen definitieve contractovername had plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelde dat de ontbinding rechtsgeldig was en dat de vordering inclusief schadevergoeding en kosten toewijsbaar is. Tevens werd de vrijwaringsvordering van de zoon tegen de vader toegewezen, waarbij de vader werd veroordeeld tot betaling van het gehele bedrag dat de zoon in de hoofdzaak moest voldoen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de voormalige vennoten hoofdelijk tot betaling van de openstaande leasetermijnen, rente, kosten en wijst de vrijwaringsvordering toe.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummers: 11581371 \ CV EXPL 25-756 (hoofdzaak)
11773049 \ CV EXPL 25-1927 (vrijwaringszaak)
Vonnis van 27 februari 2026
in de
hoofdzaakvan
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eiser]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman (Jongejan Wisseborn)
tegen
1.
[naam gedaagde 1], voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf 1]
wonende te [woonplaats]
procederend in persoon
2.
[naam gedaagde 2] ,voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf 1]
wonende te [woonplaats]
gemachtigde: mr. M.D.N. Jumelet
gedaagde partijen
hierna te noemen: [gedaagden] .
En in de
vrijwaringszaakvan
[naam gedaagde 2] ,voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf 1]
wonende te [woonplaats]
gemachtigde: mr. M.D.N. Jumelet
eisende partij
tegen
[naam gedaagde 1], voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf 1]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de aanvullende producties 6 t/m 10 (met toelichting) van [eiser] .
1.2. Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 juni 2025 met producties 1 t/m 8;
- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] .
1.3. Op 3 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak plaatsgevonden. Mr. Hofman is verschenen namens [eiser] en [gedaagde 2] is verschenen met zijn gemachtigde mr. Jumelet. [gedaagde 1] is, ondanks deugdelijke oproeping in beide zaken, niet verschenen. Mr. Jumelet heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om spreekaantekeningen voor te dragen. De griffier heeft aantekeningen gehouden van hetgeen aan de orde is gekomen.
1.4. Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald in zowel de hoofd- als de vrijwaringszaak.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] (vader en zoon) zijn in de periode van 4 november 2020 en
31 december 2023 vennoten van de vennootschap onder firma [bedrijf 1] (hierna de vof) geweest.
2.2.
Tussen [eiser] en de vof is op 27 oktober 2022 een mantelovereenkomst tot stand gekomen. Daarbij horen twee operational leaseovereenkomsten voor de huur van een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken] voor een leasebedrag van (laatstelijk)
€ 1.093,75 per maand inclusief btw en voor de huur van een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken] voor de duur van 48 maanden voor een leasebedrag van (laatstelijk)
€ 1.014,65 per maand inclusief btw. De leasetermijnen zijn bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.3.
Op de overeenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden bij Operationele Autoleasing [eiser] (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. In de algemene voorwaarden is, voor zover hier van belang, bepaald:
1.3
Samen de Mantelovereenkomst ondertekenen? Samen verantwoordelijk.
Tekent u met meerdere (rechts)personen de Mantelovereenkomst, dan bent u met elkaar verantwoordelijk voor het betalen van de leaseprijs en voor overige kosten. Dat noemen we “hoofdelijke aansprakelijkheid” en betekent: we kunnen elke (rechts)persoon afzonderlijk aanspreken voor de totale kosten, als de verplichtingen van deze Mantelovereenkomst niet worden nagekomen.
2.6
U kunt, als u dat wilt, uw leasecontract eerder beëindigen dan afgesproken, maar daar zijn kosten aan verbonden.
U kunt uw leasecontract op elk moment opzeggen door een e-mail aan ons te sturen. We brengen dan wel een bedrag bij u in rekening, onder andere voor gemiste opbrengsten en ontstane kosten. (..)
2.9
We kunnen uw leasecontract per direct schriftelijk beëindigen, en we kunnen gelijk de auto terugnemen in onder andere de volgende situaties:
- U komt ondanks diverse aanmaningen uw verplichtingen niet na. (..)
2.1
Als we uw leasecontract per direct beëindigen, zijn daar kosten aan verbonden.
Het gaat om:
- de kosten zoals in artikel 2.6 beschreven.
- de kosten die wij moeten maken om uw contract te beëindigen of kosten voor de schade die wij door het beëindigen van uw contract hebben. Bijvoorbeeld schade aan de auto, gemiste opbrengsten of juridische hulp.
2.11
U kunt, als u dat wilt, een leasecontract overdragen aan iemand anders. Wij mogen dat ook.
Uw rechten en verplichtingen die horen bij het leasecontract, kunt u overdragen aan iemand anders. Maar, alleen als u daarvoor schriftelijke toestemming van [eiser] heeft. (..)
5.7
Ook kunnen we de leaseprijs aanpassen tijdens de duur van het contract, als een aantal zaken verandert.
Het gaat om:
- de kosten van verzekering;
- de kosten van motorrijtuigenbelasting, (..)
6.1
We spreken af dat u onze facturen via automatische incasso betaalt. En dat u de leaseprijs altijd vóór de eerste dag van de maand betaalt.(..)
6.2
Is uw betaling te laat, dan brengen we rente bij u in rekening.
We berekenen de rente alleen over de periode dat u niet betaald heeft, dus vanaf het moment dat de betalingstermijn is verstreken. Per achterstallige betaling bedraagt de rente 1,5 keer de wettelijke rente per maand. (..)
6.4
Moeten wij incassokosten maken, dan zijn die voor uw rekening.
Die kosten worden berekend met de percentages zoals dan beschreven in het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.
6.6
Ook als een ander voor u de leaseprijs betaalt, blijft u aansprakelijk voor de verplichtingen uit het leasecontract.
8.17
Bij schade of diefstal, betaalt u een bedrag voor ‘eigen risico’.(..)
10.5
Als uw contract is beëindigd en er geen sprake (meer) is van verlenging, dan bent u verplicht de auto in te leveren.
Levert u de auto niet in, dan kunnen we alle kosten en schades die ontstaan doordat u de auto niet inlevert, op u verhalen.
2.4.
[gedaagde 2] is op 31 december 2023 uitgetreden als vennoot van de vof. In de overeenkomst beëindiging vof, die op 17 november 2023 is gesloten tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , zijn de volgende afspraken opgenomen:
Artikel 2
1. Partij2 [
[gedaagde 2] ; kantonrechter] treedt als vennoot uit de vennootschap onder firma, welke uittreding plaats vindt op 31 december 2023.
2. De onderneming wordt door Partij1 [
[gedaagde 1] ; kantonrechter] voortgezet onder dezelfde naam, te weten [bedrijf 2] .
Artikel 3
1. Partij2 (..) wordt tegenover Partij1 ontslagen van alle verplichtingen, welke voortvloeien uit het feit, dat hij vennoot van voormelde vennootschap onder firma is geweest, terwijl Partij1 hem op deze wijze zal vrijwaren voor alle verplichtingen, welke ten gevolge van dat feit op hem mochten blijven rusten en hem zal schadeloos stellen voor alle betalingen, waartoe hij als gewezen vennoot mocht worden genoodzaakt (..).
2. Partij1 verplicht zich, als voortzettende van voormelde onderneming, alle schulden van de vennootschap onder firma voor zijn rekening te nemen.
2.5.
In de periode januari tot en met augustus 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 1] contact gehad over de mogelijkheden om de lopende contracten van de vof op naam van de nieuwe vennootschap van [gedaagde 1] , [bedrijf 2] B.V., te zetten. Een daadwerkelijke contractovername heeft er niet plaatsgevonden.
2.6.
Bij brief van 27 september 2024 heeft [eiser] de vof gesommeerd binnen zeven dagen een bedrag van € 7.653,48 (betreffende de huurtermijnen over de periode juli tot en met oktober 2024) te betalen. Daarnaast heeft [eiser] aangezegd dat zij de leaseovereenkomsten zou ontbinden wanneer de betaling niet binnen de gestelde termijn werd ontvangen.
2.7.
Bij brief van 15 november 2024 heeft [eiser] de vof gesommeerd binnen 5 dagen een bedrag van € 35.708,92 te betalen.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 38.026,40 (bestaande uit
€ 35.708,92 aan hoofdsom, € 1.132,09 aan buitengerechtelijke kosten en € 1.185,39 aan verschenen contractuele rente berekend tot en met 14 februari 2025), te vermeerderen met de contractuele rente over € 35.708,92 vanaf 15 februari 2025, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vof heeft, ondanks aanmaning, nagelaten haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten met [eiser] na te komen. [eiser] zag zich daardoor genoodzaakt de overeenkomsten te ontbinden. Omdat de vof niet aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan is zij ook de contractuele rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Aangezien de vof is opgeheven zijn [gedaagden] op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel als voormalige vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de vorderingen van [eiser] op de vof.
3.3.
[gedaagden] voeren beiden verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.Het geschil in de vrijwaringszaak

4.1.
[gedaagde 2] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld aan hem te betalen datgene waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak (11581371 CV EXPL 25-756) jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten (waaronder de nakosten) van de vrijwaringszaak, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde 2] legt aan zijn vordering artikel 3 van Pro de beëindigingsovereenkomst ten grondslag. Daarin is in lid 1 bepaald dat [gedaagde 2] tegenover [gedaagde 1] per 31 december 2023 wordt ontslagen van alle verplichtingen van de vof en dat [gedaagde 1] hem zal vrijwaren voor alle verplichtingen. Lid 2 bepaalt daarnaast dat [gedaagde 1] zich verplicht alle schulden van de vof voor zijn rekening te nemen. Aangezien de vordering van [eiser] een schuld van de vof betreft, is [gedaagde 1] gehouden deze vordering volledige te betalen.
4.3.
[gedaagde 1] is niet verschenen.

5.De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
De vraag is of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de vordering van [eiser] dienen te betalen, hetgeen [eiser] stelt en [gedaagde 2] en [gedaagde 1] betwisten.
Achterstallige en resterende leasetermijnen
5.2.
Tussen partijen staat vast dat er een achterstand in de betaling van de verschuldigde huurleasetermijnen is ontstaan. In artikel 2.9 van de algemene voorwaarden is bepaald dat [eiser] de leaseovereenkomst per direct kan beëindigen en de auto terug kan nemen wanneer de contractspartij ondanks diverse aanmaningen de betalingsverplichtingen niet nakomt. Een en ander heeft [eiser] in haar brief van 27 september 2024 aan de vof (productie 4 bij dagvaarding) ook aangezegd. Aangezien er geen betaling heeft plaatsgevonden van de ontstane achterstand, heeft [eiser] conform haar algemene voorwaarden de ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen en de resterende leasetermijnen opgeëist.
5.3.
[gedaagde 2] stelt dat er geen rechtsgeldige opzegging heeft plaatsgevonden en niet aan de vereisten van artikel 2.6 is voldaan. Dit verweer kan geen stand houden. [eiser] baseert de ontbinding van de overeenkomst op het bepaalde in artikel 2.9 van de algemene voorwaarden en niet, zoals [gedaagde 2] stelt, op grond van artikel 2.6. Bij de brief van
27 september 2024 (productie 4 bij dagvaarding) is een voorwaardelijke ontbinding ingeroepen, te weten in het geval er geen betaling volgt, wordt ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Aangezien er geen betaling heeft plaatsgevonden na verzending van die brief, is aan de voorwaarde voor ontbinding van de overeenkomst voldaan. [eiser] heeft dan ook met recht de ontbinding van de overeenkomsten kunnen inroepen.
5.4.
[gedaagde 2] betwist de juistheid van de hoogte van de gevorderde achterstallige huurtermijnen, omdat op grond van de overeenkomsten sprake is van een maandbedrag van totaal € 2.480,71, maar [eiser] vordert € 2.551,16.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [eiser] toegelicht dat de huurtermijnen conform de algemene voorwaarden (artikel 5.7) zijn geïndexeerd in verband met externe factoren, als verhoging van de wegenbelasting en verzekeringspremies. [gedaagde 2] heeft dit verder onweersproken gelaten zodat van de juistheid van de gevorderde huurtermijnen wordt uitgegaan.
Boekwaardeverlies en gederfde winst
5.5.
Uit de artikelen 2.10 en 2.6 volgt dat [eiser] in geval van ontbinding ook gemiste opbrengsten en kosten voor schade aan de auto in rekening mag brengen. [gedaagde 2] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is. Allereerst voert hij aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2.6. Dit is echter geen voorwaarde voor het in rekening kunnen brengen van de gederfde winst en boekwaardeverlies. De grondslag van deze kosten is de ontbinding van de overeenkomst en het bepaalde in artikel 2.10 van de algemene voorwaarden, waarin enkel verwezen wordt naar de in 2.6 genoemde kosten ‘gemiste opbrengsten en ontstane kosten’. [eiser] heeft voor de mondelinge behandeling als productie 8 een uitgebreide onderbouwing overgelegd van de boekwaardeverlies en winstderving waaruit volgt dat zij in deze procedure minder vordert dan uit productie 8 blijkt. [gedaagde 2] heeft deze onderbouwing onvoldoende (gemotiveerd) weerlegd en enkel zijn verweer, zoals verwoord in de conclusie van antwoord, gehandhaafd. Dit is onvoldoende tegenover de uitgebreide specificatie van [eiser] . Gelet daarop moet van de juistheid van de stellingen en de gegeven specificatie van [eiser] op dit punt worden uitgegaan.
5.6.
[gedaagde 2] meent dat de bussen voor een te laag bedrag zijn verkocht, maar ook deze stelling kan geen stand houden. Zoals [eiser] terecht heeft opgemerkt gaat het om gehuurde bussen die in eigendom zijn (gebleven) van [eiser] (operationele lease). Als gevolg daarvan hoeft [eiser] de verkoopopbrengst van de voertuigen niet in mindering te brengen op de eindafrekening.
Schade bij inname
5.7.
[gedaagde 2] heeft de door [eiser] gestelde schade betwist. [eiser] heeft ter weerlegging hiervan twee taxatierapporten overgelegd (producties 9 en 10). Daaruit blijkt welke schades aan de bussen zijn geconstateerd en welke herstelwerkzaamheden er zijn uitgevoerd. Dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was van enige schade aan de bussen, zoals hij stelt, regardeert [eiser] niet. Uit de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] volgt dat in 2023 (al) sprake was van schade aan een bus. In die tijd was [gedaagde 2] (officieel) nog vennoot van de vof en mag dan ook bekend worden geacht met de aanwezigheid van genoemde schade. Voor zover [gedaagde 2] hier niet mee bekend was door de onderlinge verhoudingen met [gedaagde 1] komt dit geheel voor zijn rekening en risico. Voorts heeft [eiser] gemotiveerd gesteld dat enkel het eigen risico van de schade is doorbelast en niet de daadwerkelijke herstelkosten. Een en ander is conform artikel 8.17 van de algemene voorwaarden. Aangezien [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de juistheid van de hoogte van het in rekening gebrachte eigen risico verder niet dan wel onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken, wordt van de juistheid hiervan uitgegaan.
Kosten voor het ophalen van de voertuigen
5.8.
[gedaagde 2] betwist dat hij de kosten voor het ophalen van de voertuigen verschuldigd is, omdat hij er niet bekend mee was dat [eiser] de bussen zou ophalen en hij ook niet in de gelegenheid is gesteld om hierin actie te ondernemen.
In de brief van 27 september 2024 staat expliciet vermeld dat de bussen dienden te worden ingeleverd wanneer betaling van de achterstallige huurtermijnen zou uitblijven. Ook is daarin aangezegd dat wanneer de bussen niet werden ingeleverd, deze zouden worden opgehaald en de kosten zouden worden doorbelast. [gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de brief van 27 september 2024 op zijn adres heeft ontvangen. [gedaagde 2] stelt echter dat aan hem is toegezegd dat hij geen actie hoefde te ondernemen, en verwijst naar de e-mail van Activelease (productie 5 bij zijn conclusie van antwoord). Weliswaar is het juist dat is aangegeven dat [gedaagde 2] geen actie hoefde te ondernemen, maar daarin is niet bevestigd dat [gedaagde 2] definitief ontslagen was van zijn verplichtingen jegens [eiser] of dat de kosten voor het ophalen van de bussen, zoals aangezegd in de brief van 27 september 2024, niet op hem verhaald zouden worden. Nu niet is gebleken dat [gedaagde 1] de bussen zelf bij [eiser] heeft ingeleverd, heeft [eiser] op grond van artikel 10.5 van de algemene voorwaarden de kosten voor het ophalen van de bussen aan de vof in rekening kunnen brengen. Aangezien [gedaagden] de juistheid van de hoogte van die kosten verder niet hebben weersproken, zijn ook deze kosten toewijsbaar.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
5.9.
Uit artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel volgt dat elk van de vennoten van een vof hoofdelijk aangesproken kan worden op de verplichtingen die namens de vof zijn aangegaan. Dit uitgangspunt is ook vervat in artikel 1.3 van de algemene voorwaarden. Deze aansprakelijkheid eindigt niet op het moment dat de vof ophoudt te bestaan. Dit betekent dat [eiser] zich ook na ontbinding van de vof zowel tot [gedaagde 2] als [gedaagde 1] kan wenden voor betaling. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor [eiser] om in geval van ontbinding van de vof een nieuw contract aan te bieden aan een van de vennoten en de andere vennoot op die manier van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. Uit de stellingen van zowel [eiser] als [gedaagde 1] blijkt dat zij hebben gesproken hebben over een eventuele contractovername, maar dat dit niet tot een definitieve contractovername heeft geleid. Dit brengt mee dat initiële overeenkomsten in stand zijn gebleven, als gevolg waarvan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens [eiser] nimmer is komen te vervallen.
5.10.
Dat [gedaagde 1] volgens [gedaagde 2] de schulden van de vof zou aflossen, of dat [gedaagde 1] vindt dat [gedaagde 2] ook zijn aandeel moet betalen, maakt dat niet anders. Hoe zij de verplichtingen binnen de vof hebben geregeld is iets wat tussen hen onderling speelt en daar heeft [eiser] niets mee te maken. Ook de stelling van [gedaagde 2] dat aan hem is meegedeeld dat hij geen actie hoefde te ondernemen naar aanleiding van een aanmaning en dat [eiser] eerst zou proberen de vordering op [gedaagde 1] te verhalen brengen niet zonder meer mee dat [gedaagde 2] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat hij in het geheel niet meer aangesproken zou worden tot betaling van de vordering van [eiser] . [gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de brieven van [eiser] , ook na uittreding uit de vof, op zijn adres heeft ontvangen. Uit die correspondentie kon [gedaagde 2] begrijpen dat [gedaagde 1] de contractovername niet definitief had geregeld en hij dus (nog) niet ontslagen was van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid.
Dat [gedaagde 1] sinds de uittreding van [gedaagde 2] uit de vof enkele huurtermijnen heeft betaald en [eiser] op enig moment betaallinks aan [gedaagde 1] (zijn nieuwe bedrijf) heeft gestuurd, maakt dat ook niet anders. [eiser] heeft nimmer expliciet aan [gedaagde 2] meegedeeld dat hij definitief was ontslagen van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en betaling van leasetermijnen kan ook door een derde plaatsvinden, zonder dat daarmee een contractuele verplichting ontstaat. De conclusie is dan ook dat [eiser] zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] kan aanspreken op volledige betaling van de vordering. De veroordeling zal dan ook hoofdelijk worden uitgesproken.
Contractuele rente
5.11.
[gedaagde 2] meent dat de door [eiser] gemaakte berekening van de verschuldigde vertragingsrente niet juist is. Een nadere berekening is niet gegeven, zodat de juistheid van de berekende rente niet vastgesteld kan worden Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter evenwel vastgesteld dat partijen het eens zijn over de hoogte van de contractuele rente: 1,5 keer de wettelijke rente per maand (zoals bepaald in artikel 6.2 van de algemene voorwaarden). De rente wordt als zodanig toegewezen over de toewijsbare hoofdsom.
5.12.
De stelling van [gedaagde 2] dat hij de contractuele rente tot en met november 2024 niet verschuldigd is omdat eerst langere tijd werd onderhandeld over een contractovername en vervolgens is meegedeeld dat [eiser] de vordering op [gedaagde 1] zou gaan verhalen, kan hem niet baten. Zoals hiervoor overwogen had [gedaagde 2] zich ervan bewust moeten zijn dat hij niet was ontslagen van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en is hem geen kwijtschelding van enige kostenpost toegezegd. [eiser] heeft enkel toegezegd dat zij eerst de vordering op [gedaagde 1] zou proberen te verhalen, waarin de rentevordering ook begrepen was. Aangezien [eiser] er niet in is geslaagd de vordering op [gedaagde 1] te verhalen, heeft zij [gedaagde 2] ook weer kunnen aanspreken op betaling van de volledige vordering.
5.13.
Voorts stelt [gedaagde 2] dat de contractuele rente slechts kan worden gevorderd over de periode waarin de overeenkomst van toepassing was. Na ontbinding van de overeenkomst is het bedrag aan leasetermijnen een schadevergoeding, waarover enkel de wettelijke rente kan
worden toegewezen. Het gevolg van de ontbinding van de overeenkomsten is dat [eiser] de resterende leasetermijnen vervroegd heeft opgeëist op grond van een beding uit de algemene voorwaarden. De verbintenis uit dat beding wordt niet door de ontbinding getroffen omdat het beding de ontbindingsschade vaststelt en daarmee bedoeld is om de situatie na de ontbinding te regelen. De gevorderde contractuele rente is daarom toewijsbaar over de achterstallige en vervroegd opgeëiste termijnen.
Buitengerechtelijke kosten
5.14.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en [gedaagde 2] betwist deze kosten verschuldigd te zijn. Vast staat dat de vof de leasetermijnen niet binnen de betalingstermijn heeft betaald, als gevolg waarvan zij op grond van artikel 6:96 lid 4 BW Pro buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Daar komt bij dat [eiser] kosten heeft moeten maken om haar betaling te ontvangen. Ook is het van belang dat [eiser] dan wel haar gemachtigde [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voorafgaand aan de dagvaarding voldoende in de gelegenheid hebben gesteld om de hoofdsom te betalen.
Gelet op de toewijsbare hoofdsom zal, conform het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 1.132,09 (exclusief btw) worden toegewezen.
5.15.
[gedaagden] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
241,56
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.731,00
(3 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.577,56
5.16.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5.17.
[eiser] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [gedaagde 2] voert daar verweer tegen. Het uitganspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tenzij de belangen van [gedaagde 2] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van disproportionele consequenties omdat hij voorziet dat hij dakloos dreigt te raken als [eiser] direct tot uitvoering van het vonnis kan overgaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] expliciet toegezegd dat er, na vonnis, mogelijkheden zijn om een betalingsregeling te treffen en dat [eiser] niet voornemens is om [gedaagde 2] dakloos te laten worden. Het vonnis dient als stok achter de deur. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van [eiser] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde 2] . Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6.De beoordeling in de vrijwaringszaak

6.1.
[gedaagde 2] heeft – nadat de kantonrechter hem dit bij vonnis van 23 mei 2025 heeft toegestaan – [gedaagde 1] gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter van 4 juli 2025 teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen.
6.2.
[gedaagde 2] heeft in de vrijwaringszaak gevorderd dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld om aan hem al datgene te betalen waartoe [gedaagde 2] in de hoofdzaak tussen hem en [eiser] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kosten en veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van de vrijwaringszaak.
6.3.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend.
6.4.
De vordering in vrijwaring komt de kantonrechter niet onrechtmatig en/of ongegrond voor en deze ligt dan ook als zijnde niet weersproken voor toewijzing gereed. De kantonrechter zal dienovereenkomstig beslissen.
6.5.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.175,45
6.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [gedaagde 2] dit vordert en [gedaagde 1] hier geen verweer tegen heeft gevoerd.

7.De beslissing

De kantonrechter
In de
hoofdzaak
7.1.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , hoofdelijk, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 38.026,40, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen rente van ‘
1,5 keer de wettelijke rente per maand’ over € 35.708,92 vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende leasetermijnen tot de dag dat alles is betaald;
7.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.577,56 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
In de
vrijwaringszaak
7.3.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van al datgene waartoe [gedaagde 2] in de hoofdzaak is veroordeeld;
7.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 2.175,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
7.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in de
hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
7.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
27 februari 2026.
40140 \ 560