ECLI:NL:RBGEL:2026:1908

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/806
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging begunstigingstermijn handhavingslast

Verzoeker heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen de illegale plaatsing van vier chalets op het perceel van een derde-partij. Het college legde aan de derde-partij een last onder dwangsom op met een verwijdertermijn tot 11 maart 2026. De derde-partij maakte bezwaar en verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. Het college verlengde deze termijn tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Verzoeker stelde dat zijn belangen onvoldoende waren meegewogen en dat de langdurige overtreding zijn woongenot schaadt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de derde-partij om af te wachten op de bezwaarprocedure zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij onmiddellijke handhaving. Hoewel de motivering van het college tekortschiet, is er geen reden tot schorsing omdat het college het belang van verzoeker in de bezwaarprocedure kan betrekken.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van de begunstigingstermijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/806

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats 1], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2].

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college om de begunstigingstermijn van een op zijn handhavingsverzoek aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.1.
Bij besluit van 11 februari 2026 heeft het college het verlengingsbesluit genomen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De derde-partij is eigenaar van het perceel tussen de [locatie] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in [plaats 1] (hierna: het perceel). Verzoeker woont op het naastgelegen perceel en heeft op 1 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Verzoeker wijst er in zijn handhavingsverzoek op dat op het perceel van de derde-partij vier chalets illegaal geplaatst zijn. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd en hem gelast om vóór 11 maart 2026 de chalets te verwijderen op straffe van een dwangsom. De derde-partij heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen. Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft hiertoe besloten omdat het besluit in bezwaar wordt heroverwogen en het onwenselijk is dat de derde-partij de chalets moet afbreken terwijl er nog geen beslissing op het bezwaar is genomen.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden.
2.2.
Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat zijn belang onvoldoende is meegewogen bij het bestreden besluit. Verdere vertraging van de effectuering van het besluit raakt zijn belangen rechtstreeks. De overtreding duurt inmiddels circa anderhalf jaar voort. Juist vanwege deze langdurige situatie is handhaving noodzakelijk geacht en is een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker stelt overlast te ervaren als gevolg van de chalets waardoor zijn woongenot te wensen over laat.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van derde-partij erin is gelegen om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure nog geen uitvoering aan de last te hoeven geven. In de bezwaarprocedure vindt namelijk op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb een volledige heroverweging van het besluit plaats. De uitkomst van de heroverweging zou bijvoorbeeld ook kunnen zijn dat er geen sprake is van een overtreding en dat de last onder dwangsom onterecht is opgelegd. De chalets zouden dan niet afgebroken hoeven te worden. Het college heeft in het bestreden besluit terecht een zwaar belang toegekend aan het belang van de derde-partij om de chalets nog niet af te hoeven breken vóór de beslissing op bezwaar.
3.1.
De voorzieningenrechter kan verzoeker wel volgen in zijn stelling dat in het bestreden besluit geen kenbare belangenafweging is opgenomen waarin het belang van verzoeker ook is betrokken. Hoewel de motivering in het bestreden besluit dus tekort schiet, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het bestreden besluit om die reden te schorsen. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat het college dit alsnog kan motiveren in de nog te nemen beslissing in bezwaar.
3.2.
In het verweerschrift heeft het college namelijk wel een motivering opgenomen die blijk geeft dat het belang van verzoeker uitdrukkelijk is betrokken bij het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn. Het college heeft gesteld dat er geen zwaarwegende belangen aan de zijde van verzoeker zijn, omdat er – kort samengevat – geen sprake is van (ernstige) overlast of hinder. De voorzieningenrechter kan dit volgen. In het inspectierapport van 17 november 2025 van een toezichthouder, waarin de overtreding is vastgesteld, is uitdrukkelijk opgenomen dat ‘de gevolgen van de overtreding vrijwel nihil zijn’. Verzoeker heeft wel gesteld, maar niet onderbouwd dat hij overlast aanvaart van de vier chalets.
3.3.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, omdat het belang van derde-partij bij verlenging van de begunstigingstermijn zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij het niet verlengen daarvan. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.