ECLI:NL:RBGEL:2026:1916

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
05.118686-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 13d OpiumwetArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 47 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen productie en bezit van grote hoeveelheid cocaïne met procesafspraken

Op 16 april 2025 heeft verdachte samen met anderen in een schuur te Wijchen werkzaamheden verricht in een cocaïnewasserij en voorbereidingshandelingen getroffen voor de productie van cocaïne. Tevens had hij opzettelijk ongeveer 12 kilogram cocaïne aanwezig. Verdachte werd vervolgd voor medeplegen van het bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van cocaïne en het voorbereiden van deze feiten.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben procesafspraken gemaakt om de zaak efficiënt af te handelen. Verdachte erkent de feiten niet inhoudelijk, maar ontkent deze ook niet en doet afstand van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig en met voldoende rechtsbijstand heeft ingestemd met deze afspraken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Gelet op de ernst van de feiten, de omvang van de productie, de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legt de rechtbank een gevangenisstraf van 32 maanden op, met aftrek van voorarrest. Tevens wordt een maatregel kostenverhaal van €4.674,81 opgelegd voor het opruimen van gevaarlijke stoffen op de productielocatie.

De straf is lager dan gebruikelijk zonder procesafspraken, maar staat in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Verdachte zal niet in hoger beroep gaan indien de straf conform de afspraken wordt opgelegd. De rechtbank benadrukt dat zij niet gebonden is aan de procesafspraken, maar acht deze in dit geval passend en rechtvaardig.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf en maatregel kostenverhaal van €4.674,81 voor medeplegen productie en bezit van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.118686-25
Datum uitspraak : 12 maart 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] , Colombia,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. A.M. Seebregts, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in een pand/schuur gelegen aan [adres] ) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door, in een schuur behorend bij de woning aan [adres] , voorhanden te hebben van (onder andere)
- een hoeveelheid stof(fen),te weten (ongeveer) 1204,52 gram cafeïne en/of
- een of meer IBC-tanks en/of
- een (cocaïne)pers en/of
- een of meer buisje(s) en/of
- een of meer koolstoffilter(s) en/of
- een of meer jerrycans en/of
- een of meer vaten/tonnen en/of
- een sealapparaat en/of
- een of meer mes(sen) en/of
- een of meer stanleymes(sen) en/of
- een of meer magnetron(s) en/of
- een of meer weegscha(a)l(en) en/of
- een of meer maatbeker(s) en/of
- een of meer zeef/zeven en/of
- een of meer vergiet(en) en/of
- een of meer lepel(s) en/of
- een of meer handschoenen en/of
- een of meer mondkapjes,
ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 12045 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Procesafspraken
Het openbaar ministerie (OM) en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht van het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. Naar aanleiding hiervan heeft de raadsman de rechtbank op 6 februari 2026 een door zowel de officier van justitie als door verdachte en zijn raadsman ondertekende overeenkomst procesafspraken toegezonden. In deze overeenkomst zijn de door het OM, verdachte en zijn raadsman gemaakte procesafspraken, waaronder een gezamenlijke zienswijze over de beoordeling van de ten laste gelegde feiten en een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, opgenomen. Partijen beogen daarmee de strafzaak op korte termijn tot een einde te laten komen.
In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
De verdediging• De verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren. Voor zover van toepassing trekt de verdediging eerder ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in;• De verdachte legt geen bekennende verklaring af; de verdediging zal ruim voor de inhoudelijke zitting, door ondertekening van deze procesafspraken en door middel van een bericht van de raadsman richting rechtbank en OM schriftelijk aangeven dat de feiten en kwalificaties zoals tussen OM en verdediging vastgesteld in de bijlage A, niet worden ontkend en er zal geen inhoudelijk verweer worden gevoerd;• De verdachte geeft geen draagkrachtverweer te zullen voeren, voor wat betreft zijn/haar financiële verplichtingen voortvloeiende uit deze strafzaak;• De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten als omschreven in de tenlasteleggingen, waarbij een betalingsverplichting door de rechtbank kan worden opgelegd;• De verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden / een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien;• De verdediging heeft kennis van de verplichting voor het OM om een persbericht over de uitkomst van deze straf- en ontnemingszaken naar bulten te brengen;• De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en zal geen appel instellen;• De verdachte en de raadsman zullen In het kader van de inhoudelijke behandeling het bovenstaande herhalen;• De verdachte heeft met deze afspraken - na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen - vrijwillig afstand gedaan van verdedigingsrechten en Is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan.
Openbaar MinisterieHet OM zal ter zitting rekwireren tot:- bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de inhoud van bijlage A);- een strafoplegging als hieronder weergegeven:- Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, waarbij de
periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten in mindering zal worden gebracht en- veroordeling ter zake de kosten voor het vernietigen van gevaarlijke voorwerpen, ex
artikel 13d Opiumwet, tot een bedrag van € 4.674,81.
bepalingen met betrekking tot de oplegging maatregel kostenverhaal:- De kosten die betrekking hebben op het opruimen van de gevaarlijke stoffen aangetroffen op de productielocatie aan [adres] te [plaats] gemeente Wijchen, bedragen, blijkens de bij het dossier gevoegde factuur, € 23.374,02;- Deze kosten worden ponds-ponds-gewijs verdeeld over alle verdachten die betrokken zijn bij de productie van cocaïne op deze locatie;- De kosten die voor rekening van deze verdachte komen bedragen derhalve € 4.674,81.
Overige bepalingen
(…)
• Wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden/of het bovenstaande niet / niet tijdig / niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond;• Indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen;• Door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld tenzij de rechtbank substantieel afwijkt van de procesafspraken;• Indien de rechtbank een gevangenisstraf van minder dan 30 maanden, danwel meer dan 36 maanden oplegt, dan behouden de verdediging danwel het Openbaar Ministerie het recht om hoger beroep In te stellen;• De verdachte zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;• De verdachte stemt er mee in dat een afschrift van deze overeenkomst (en eventuele bljiage(n)) aan het Centraal Justitieel Incassobureau zal/zullen worden verstrekt.
De overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken
De rechtbank stelt voorop dat het maken van procesafspraken is toegestaan en dat de totstandkoming daarvan betekenis kan hebben voor de beslissingen die de strafrechter neemt, ondanks dat er thans nog geen wettelijke regeling is die voorziet in procesafspraken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) volgt dat procesafspraken geen afbreuk doen aan de autonome positie van de strafrechter. De strafrechter is niet gebonden aan de procesafspraken. De strafrechter blijft er namelijk verantwoordelijk voor dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende regelingen, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De strafrechter kan uitsluitend acht slaan op gemaakte procesafspraken indien gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat doorgaans in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten. De Hoge Raad heeft in het arrest een aantal punten geformuleerd aan de hand waarvan de strafrechter die waarborg kan toetsen. De strafrechter dient te onderzoeken of verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Om dit te kunnen toetsen is in beginsel vereist dat verdachte ter terechtzitting aanwezig is en gedurende het gehele proces wordt bijgestaan door een advocaat.
De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 26 februari 2026 de bewijsmiddelen voorgehouden en de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst. De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft zij aangegeven dat de procesafspraken vooral zijn gemaakt vanuit het oogpunt van efficiëntie.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goed heeft begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat hij vrijwillig heeft meegewerkt aan de totstandkoming daarvan. Hij is gedurende het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand. De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Verdachte heeft de afspraken de afspraken naar eigen zeggen gemaakt vanwege een snelle afwikkeling van de zaak, zodat hij weet waar hij aan toe is. Hij wil zo snel mogelijk weer bij zijn gezin zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in de procesafspraken is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van die procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte gedurende het proces is bijgestaan door zijn raadsman. Ter terechtzitting heeft de rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en dat zij daaraan niet gebonden is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de afspraken, gelet op de artikelen 348 en 350 Sv, stand kunnen houden.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de overeengekomen procesafspraken. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder is weergegeven.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij op
of omstreeks16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,opzettelijk
(in een
pand/schuur gelegen aan [adres]
)heeft bereid en
/ofbewerkt en
/ofverwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerden
/ofvervaardigd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens
)een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op
of omstreeks16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en
/ofte bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne
en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- voorwerpen
, vervoermiddelenen
/ofstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en
/ofzijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door, in een schuur behorend bij de woning aan [adres] , voorhanden te hebben van
(onder andere)- een hoeveelheid stof
(fen),te weten
(ongeveer)1204,52 gram cafeïne en
/of-
een ofmeer IBC-tanks en
/of- een (cocaïne)pers en
/of-
een ofmeer buisje
(s
)en
/of-
een ofmeer koolstoffilter
(s
)en
/of-
een ofmeer jerrycans en
/of-
een ofmeer vaten/tonnen en
/of- een sealapparaat en
/of-
een ofmeer mes
(sen
)en
/of-
een ofmeer stanleymes
(sen
)en
/of- een
of meermagnetron
(s)en
/of- een
of meerweegscha
(a
)l
(en)en
/of-
een ofmeer maatbeker
(s
)en
/of-
een ofmeer
zeef/zeven en
/of- een
of meervergiet
(en)en
/of-
een ofmeer lepel
(s
)en
/of-
een ofmeer handschoenen en
/of-
een ofmeer mondkapjes,
ten behoeve van de productie van die cocaïne en
/ofeen of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op
of omstreeks16 april 2025 te [plaats], gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad
(in totaal
)ongeveer 12045 gram, in elk geval een
(grote
)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en D van de Opiumwet gegeven verbod,
feit 2:
Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 3:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet zal worden opgelegd tot een bedrag van € 4.674,81.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de eis van de officier van justitie, die in overeenstemming is met de gemaakte procesafspraken, te volgen. De overeengekomen straf staat in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op wat het afdoeningsvoorstel inhoudt met betrekking tot de sanctieoplegging en zich de vraag gesteld of dit tot een uitkomst leidt die, in het licht van alle omstandigheden, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
Bij de afweging daarvan worden ook de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud strafrecht (LOVS) betrokken. Deze oriëntatiepunten bieden ruimte om strafverzwarende of strafverminderende omstandigheden bij de strafoplegging mee te wegen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de productie van cocaïne door werkzaamheden te verrichten in een cocaïnewasserij in een schuur gelegen aan [adres] in [plaats], gemeente Wijchen. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 12 kilogram cocaïne op die locatie. Dit zijn ernstige feiten.
Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het faciliteren en het in stand houden van een markt voor cocaïne. Het gebruik van cocaïne is schadelijk voor de volksgezondheid en werkt bij gebruikers verslaving en daarmee gepaard gaande (criminele) problematiek in de hand. De productie van verdovende middelen gaat bovendien vaak gepaard met ernstige criminaliteit en met milieuschade vanwege het chemisch proces van het bewerken (wassen) van cocaïne. Die milieuschade wordt onder meer veroorzaakt door het illegaal dumpen van de chemische afvalstoffen. De rechtbank wijst ook op de vele risico’s, voor zowel de aanwezigen in de cocaïnewasserij als voor de omwonenden, die het opslaan en bewerken van diverse chemicaliën in een cocaïnewasserij met zich meebrengt, zoals brandgevaar, ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan, ook omdat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde feiten. Hij heeft weliswaar een overeenkomst gesloten met het openbaar ministerie, maar hij heeft verder geen enkele openheid van zaken gegeven en heeft dus ook niet meegewerkt aan het onderzoek.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 26 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten.
Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel. De rechtbank merkt op dat de officier van justitie bij haar motivering van de strafhoogte als vertrekpunt waarop zij vervolgens een korting toepast, een iets langere gevangenisstraf heeft genomen dan wat doorgaans in soortgelijke zaken zónder procesafspraken aan verdachten wordt opgelegd. De rechtbank overweegt dat de voorgestelde en overeenkomen straf nog steeds lager is dan wat zonder afspraken - mede gelet op de omvang van de productie, de rol van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden - zou worden opgelegd. Uitgaande van de voorgestelde straf is de strafvermindering van wege de afspraken wel minder dan het door de officier van justitie genoemde één derde deel.
De rechtbank is al met al van oordeel dat de uitkomst in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Hierbij overweegt de rechtbank dat het voorstel een efficiënte en voortvarende behandeling dient en een effectieve afdoening van de zaak. Omdat de rechtbank in lijn met de overeenkomst van partijen oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben ter terechtzitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij
In de zaken tegen twee medeverdachten zijn de officier van justitie en de verdediging in het kader van het afdoeningsvoorstel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 32 maanden overeengekomen. In deze zaak is dat één maand meer, omdat verdachte in tegenstelling tot die medeverdachten voorafgaand aan de terechtzitting geen ‘financieel gebaar’ heeft gemaakt voor de kosten van het opruimen van de gevaarlijke stoffen . Naar het oordeel van de rechtbank is het evenwel niet redelijk om verdachte een maand gevangenisstraf meer op te leggen dan de medeverdachten, nu zijn rol niet in wezenlijke mate afwijkt van de rol van de anderen en met hem in het kader van de maatregel kostenverhaal dezelfde afspraak is gemaakt betreffende de te betalen som. Dit wordt in ieder geval niet gerechtvaardigd door het enkele feit dat verdachte nog geen bedrag vooraf heeft betaald als financieel gebaar.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte dan ook een gevangenisstraf van 32 maanden in plaats van 33 maanden opleggen. Deze straf staat in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak, zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en is dus in de gegeven omstandigheden een passende straf.
Ook zal aan verdachte worden opgelegd de maatregel kostenverhaal ter hoogte van het overeengekomen bedrag van € 4.674,81. In de Overeenkomst procesafspraken is opgenomen dat de totale kosten voor het opruimen van de gevaarlijke stoffen die zijn aangetroffen op de productielocatie in [plaats] € 23.374,02 bedragen en dat deze kosten ponds-ponds-gewijs worden verdeeld over alle verdachten die betrokken zijn bij de productie van cocaïne op deze locatie. De rechtbank acht dit een eerlijke verdeling, mede gelet op het feit dat de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman dit zijn overeengekomen, dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat alle verdachten aan die kosten hebben bijgedragen.
Op grond van het bepaalde in artikel 13d, lid 3, van de Opiumwet jo. artikel 36e, lid 11, van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 46 dagen, zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10, 10 a en 13d van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
tweeëndertig (32) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt aan verdachte op
de verplichting tot het vergoeden van de kostendie ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van
€ 4.674,81;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 46 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, mr. M.W.R. Koch en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.