De zaak betreft een verzoek van het college van burgemeester en wethouders om de gesloten jeugdhulpmachtiging voor een minderjarige te verlengen na een eerder verleende spoedmachtiging. De kinderrechter heeft op 20 februari 2026 een spoedmachtiging verleend voor een gesloten plaatsing tot 3 maart 2026 vanwege gedragsproblemen en een incident waarbij een groepsleider werd verwond.
Tijdens de zitting op 27 februari 2026 is gebleken dat er per 2 maart 2026 een plek beschikbaar is op een open behandelgroep voor jongeren met ASS, passend bij de problematiek van de minderjarige. Zowel de minderjarige als zijn grootmoeder steunen de overplaatsing naar deze open groep. De kinderrechter overweegt dat de gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk is, mede omdat er de afgelopen week geen incidenten zijn geweest en de gedragswetenschapper slechts instemde met een maximale duur van een maand.
Het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom de gesloten plaatsing na 2 maart 2026 nog noodzakelijk zou zijn, ondanks dat de open groep tijd nodig heeft voor voorbereiding. Het belang van de minderjarige om zo snel mogelijk meer vrijheid te krijgen en terug te keren naar school weegt zwaarder. Daarom wijst de kinderrechter het verzoek tot verlenging af, zodat de minderjarige uiterlijk op 2 maart 2026 kan worden overgeplaatst naar de open groep.
Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.