Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur,
Staat.
Inleiding
[persoon D] en [persoon E] .
Rechtbank Gelderland
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) over 2018 en 2019 en de daarbij behorende belastingrentebeschikkingen. De inspecteur had de afwaardering van een pand in 2018 en 2019 niet volledig geaccepteerd, wat leidde tot hogere aanslagen en belastingrente. De rechtbank oordeelt dat de afwaardering in 2018 niet toegestaan was, noch toepassing van de foutenleer, maar dat de aanslag over 2019 te hoog was vastgesteld vanwege een te hoge boekwaarde.
De rechtbank stelt vast dat de verkoopprijs van het pand in 2019 op de balansdatum nog niet was verlaagd, waardoor afwaardering naar de latere lagere prijs niet gerechtvaardigd was. Wel wordt de aanslag 2019 verminderd tot nihil en het verlies vastgesteld op € 1.050.979. De belastingrentebeschikkingen voor 2018 worden gecorrigeerd naar een lager bedrag en die voor 2019 vernietigd.
Daarnaast kent de rechtbank immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met € 1.500, waarvan € 1.000 voor rekening van de inspecteur en € 500 voor de Staat. Ook wordt het griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 3.200 aan belanghebbende toegekend. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd voor zover zij betrekking hebben op de belastingrente 2018 en de aanslag en rente 2019.
Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting 2019 wordt verminderd tot nihil, de belastingrente 2018 gecorrigeerd en immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.