ECLI:NL:RBGEL:2026:2066

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
05-206464-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor afpersing en bedreiging met mes in Nijmegen

Op 6 juli 2025 hebben vier minderjarige verdachten een dertienjarige jongen in Nijmegen bedreigd met een mes en gedwongen tot afgifte van persoonlijke eigendommen. De groep dwong het slachtoffer onder meer op zijn knieën te gaan zitten, een sigaret te roken en een witte poedersubstantie te gebruiken, terwijl zij dit filmden en verspreidden via social media.

De rechtbank heeft wettig en overtuigend bewezen verklaard dat verdachte medepleegde aan afpersing en bedreiging met geweld, en het dragen van een verboden mes. Verdachte heeft bekend en een grote rol gespeeld, onder meer door het filmen van het slachtoffer.

Gezien de ernst van de feiten en de kwetsbaarheid van verdachte, een first offender met psychische problemen, legt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 15 dagen op, gelijk aan het voorarrest, en een taakstraf van 160 uur waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 dagen jeugddetentie en 160 uur taakstraf met schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/206464-25
Datum uitspraak : 10 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats], wonende aan [adres].
Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Nijmegen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een tas (met inhoud) en/of een telefoon en/of een bankpas en/of een vape, in elk
geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval
aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn tas af moet geven en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij met hen, verdachten, mee moet lopen en/of
in het midden van de groep moet (blijven) lopen en/of die [aangever] in het midden
van de groep te duwen en/of
- een mes te trekken en/of te tonen aan die [aangever] en/of een mes op zeer korte
afstand van die [aangever] te houden en/of op die [aangever] te richten en/of
- die [aangever] op/tegen het lichaam te duwen en/of op/tegen het hoofd en/of het
lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn spullen af moet geven en/of
- voornoemd mes op/tegen de keel van die [aangever] te zetten en/of die [aangever]
(daarbij) de woorden toe te voegen: "als je de code niet zegt gaat het mes recht door
je strot heen" en/of
- (vervolgens) tegen die [aangever] te zeggen dat hij (weer) mee moet lopen en/of als
die [aangever] weg gaat rennen voornoemd mes naar hem gegooid zal worden en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en/of
- (vervolgens) voornoemd mes op/tegen het (voor)hoofd van die [aangever] te
houden en/of te drukken,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Nijmegen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (met inhoud) en/of een
telefoon en/of een bankpas en/of een vape, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die
geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn tas af moet geven en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij met hen, verdachten, mee moet lopen en/of
in het midden van de groep moet (blijven) lopen en/of die [aangever] in het midden
van de groep te duwen en/of
- een mes te trekken en/of te tonen aan die [aangever] en/of een mes op zeer korte
afstand van die [aangever] te houden en/of op die [aangever] te richten en/of
- die [aangever] op/tegen het lichaam te duwen en/of op/tegen het hoofd en/of het
lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn spullen af moet geven en/of
- voornoemd mes op/tegen de keel van die [aangever] te zetten en/of die [aangever]
(daarbij) de woorden toe te voegen: "als je de code niet zegt gaat het mes recht door
je strot heen" en/of
- (vervolgens) tegen die [aangever] te zeggen dat hij (weer) mee moet lopen en/of als
die [aangever] weg gaat rennen voornoemd mes naar hem gegooid zal worden en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en/of
- (vervolgens) voornoemd mes op/tegen het (voor)hoofd van die [aangever] te
houden en/of te drukken,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Nijmegen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, te weten [aangever],
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheid gericht tegen die ander
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en/of
- (vervolgens) een mes op/tegen het (voor)hoofd van die [aangever] te houden en/of
te drukken en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij een sigaret aan moet steken en op moet roken
en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij (hard)drugs), althans een witte en/of
poederachtige substantie, op moet snuiven en/of
- die [aangever] (daarbij) te filmen (met zijn eigen telefoon) en/of voornoemd filmpje
(vervolgens) te verspreiden via social media (Snapchat),
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Nijmegen
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een een mes
zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden
waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen
heeft gedragen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft bekend als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij zijn spullen moest afstaan en niet dat de spullen werden afgepakt. De rechtbank kwalificeert het feit dat verdachte heeft bekend daarom als het subsidiair tenlastegelegde feit (de afpersing) en spreekt verdachte van het primair tenlastegelegde (de diefstal met geweld) vrij.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 6 juli 2025, p. 22 – 24;
- het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever [aangever] van 8 juli 2025, p. 26 – 33;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2026.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft bekend als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 6 juli 2025, p. 22 – 24;
- het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever [aangever] van 8 juli 2025, p. 26 – 33;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2026.
Feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft bekend als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 6 juli 2025, p. 22 – 24;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
subsidiairhij op
of omstreeks6 juli 2025 te Nijmegen
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en
/ofbedreiging met geweld
[aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (met inhoud) en
/ofeen
telefoon en
/ofeen bankpas en
/ofeen vape,
in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever]
en/of een derdetoebehoorde
(n
)door
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn tas af moet geven en
/of- tegen die [aangever] te zeggen dat hij met hen, verdachten, mee moet lopen en
/ofin het midden van de groep moet (blijven) lopen en
/ofdie [aangever] in het midden
van de groep te duwen en
/of- een mes te trekken en
/ofte tonen aan die [aangever] en
/ofeen mes op zeer korte
afstand van die [aangever] te houden en
/ofop die [aangever] te richten en
/of- die [aangever]
op/tegen het lichaam te duwen en
/of op/tegen het hoofd
en/of hetlichaamte slaan
en/of te stompenen
/of- tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn spullen af moet geven en
/of- voornoemd mes
op/tegen de keel van die [aangever] te zetten en
/ofdie [aangever]
(daarbij) de woorden toe te voegen: "als je de code niet zegt gaat het mes recht door
je strot heen" en
/of- (vervolgens) tegen die [aangever] te zeggen dat hij (weer) mee moet lopen en
/ofals
die [aangever] weg gaat rennen voornoemd mes naar hem gegooid zal worden en
/of- tegen die [aangever] te zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en
/of- (vervolgens) voornoemd mes
op/tegen het (voor)hoofd van die [aangever] te
houden en
/ofte drukken,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.
hij op
of omstreeks6 juli 2025 te Nijmegen,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een ander, te weten [aangever],
door geweld, enige andere feitelijkheid en
/ofdoor bedreiging met geweld
of enigeandere feitelijkheidgericht tegen die ander
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen,
niet te doenen
/ofte dulden
,door
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en
/of- (vervolgens) een mes
op/tegen het (voor)hoofd van die [aangever] te houden en
/ofte drukken en
/of- tegen die [aangever] te zeggen dat hij een sigaret aan moet steken en op moet roken
en
/of- tegen die [aangever] te zeggen dat hij
(hard)drugs), althanseen witte en
/ofpoederachtige substantie op moet snuiven en
/of- die [aangever] (daarbij) te filmen (met zijn eigen telefoon) en
/ofvoornoemd filmpje
(vervolgens) te verspreiden via social media (Snapchat),
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
3.
hij op
of omstreeks6 juli 2025 te Nijmegen
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een mes
zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en
/ofde omstandigheden
waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en
/ofte dreigen
heeft gedragen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
feit 2:
medeplegen van een ander door geweld, een feitelijkheid en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden
feit 3:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
  • onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest;
  • een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 oktober 2025 (het strafblad),
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 februari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Hij en zijn medeverdachten hebben op 6 juli 2025 een toen dertienjarige kwetsbare [aangever] naar Nijmegen gelokt. [aangever] dacht daar een vriend te treffen maar hij kwam tegenover een groep van vier jongens (waaronder een vriend van hem) te staan. Op twee locaties in Nijmegen heeft de groep [aangever] meerdere malen bedreigd met een mes. [aangever] moest zijn spullen afstaan en de bevelen van de groep opvolgen. Zo moest hij op zijn knieën gaan zitten, sorry zeggen, een sigaret roken en een witte poedersubstantie opsnuiven. De groep heeft gefilmd toen [aangever] op zijn knieën zat en onder bedreiging van een mes sorry moest zeggen. Dit filmpje is daarna verspreid via Snapchat. Zowel uit het dossier als de slachtofferverklaring blijkt dat deze feiten een enorme impact op [aangever] hebben gehad. Hij heeft nog dagelijks last van de gevolgen van het handelen van de verdachten. Verdachte heeft zelf meerdere keren het mes vastgehad en [aangever] daarmee bedreigd. Ook was verdachte degene die filmde. Verdachte heeft dus een grote rol gehad bij de feiten. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De Raad voor de Kinderbescherming heeft gerapporteerd over verdachte. Verdachte is een first offender. Hij is kwetsbaar en heeft bovengemiddeld veel toezicht en ondersteuning nodig. Ook heeft verdachte last van angsten en hallucinaties. Jeugddetentie zal daarom stress verhogend werken. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf zodat verdachte consequenties van zijn gedrag ervaart en een stok achter de deur heeft om mee te werken aan de hulpverlening.
De straf
De rechtbank kan zich vinden in de eis van de officier van justitie en in het advies van de Raad. Ondanks dat verdachte een groot aandeel heeft gehad bij de feiten en in soortgelijke zaken als uitgangspunt een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, vindt de rechtbank onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest van 15 dagen niet passend. Verdachte is kwetsbaar en om het risico op herhaling te verkleinen is het van belang dat hij intensieve begeleiding en hulpverlening krijgt. De rechtbank legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vijftien dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daarnaast vindt de rechtbank net zoals de officier een forse taakstraf in de vorm van een werkstraf passend. Verdachte moet ervaren dat zijn gedrag niet toelaatbaar is.
De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 160 uren (te vervangen door 80 dagen jeugddetentie bij het niet verrichten van die werkstraf) waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan die proeftijd verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd:
  • verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;
  • verdachte spant zich in voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding;
  • verdachte werkt mee aan behandeling die de jeugdreclassering nodig vindt.
De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert (na wijziging ter terechtzitting) € 256,14 aan materiële schade en € 3.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade gematigd moet worden. De medische onderbouwing (met diagnose) voor het geestelijk letsel ontbreekt.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de gevorderde € 256,14 toe.
Geen hoofdelijkheid
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij, gelet op het verschil in rol en aandeel tussen de verdachten, niet hoofdelijk toewijzen. De rechtbank vindt het daarnaast onwenselijk dat verdachte onderling met zijn medeverdachten de betalingen moet regelen. De rechtbank zal daarom de vordering per verdachte vaststellen en deze verdachte veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 64,- aan materiële schadevergoeding.
Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is de aard en de ernst van de normschending zodanig dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank weegt daarbij in het bijzonder mee dat het hier gaat om ernstige strafbare feiten. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- passend. Echter, ook bij de immateriële schadevergoeding geldt de overweging van de rechtbank over het niet hoofdelijk opleggen. Gelet op de veroordeling van deze verdachte (voor zowel betrokkenheid bij de afpersing als bij de dwang) en zijn grote rol bij de feiten zal de rechtbank deze verdachte veroordelen tot het betalen van € 1.100,-.
Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Verdachte is vanaf 3 februari 2026 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Over het bedrag aan immateriële schadevergoeding is verdachte vanaf 6 juli 2025 (datum feit) rente verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
BEM-clausule
De noodzakelijkheid van het opleggen van de BEM-clausule is niet gebleken en daarom wijst de rechtbank dit onderdeel van de vordering af.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 284, 312, en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentievoor de duur van
15 (vijftien) dagen;
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
een taakstraf, te weten
een werkstrafvan
160 (honderdzestig) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;
bepaalt dat van die
werkstraf 80 urenniet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
steltdaarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
steltals bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd:
  • meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
  • meewerkt aan het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding;
  • meewerkt aan behandeling, welke door de jeugdreclassering
noodzakelijk wordt geacht;
alles voor zover en zolang de jeugdreclassering nodig vindt;
geeft de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam, de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
en onder de voorwaarden dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;

heft ophet – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
[aangever]
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 64,- aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2026 (materieel) en 6 juli 2025 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen € 64,- aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2026 (materieel) en 6 juli 2025 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. A.A.M. Bögemann en M.G.J. Post, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Duis-van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
mr. Bögemann is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025319661, gesloten op 28 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.