ECLI:NL:RBGEL:2026:207

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL24.43667
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tijdelijke bescherming op basis van de Richtlijn voor een Georgische vreemdeling met een Oekraïense partner

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, enkelvoudige kamer, op 9 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser voor verblijf in Nederland onder de Richtlijn tijdelijke bescherming behandeld. Eiser, een Georgische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor tijdelijke bescherming, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen op basis van het feit dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de Richtlijn. De rechtbank heeft de zaak beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn aanvraag.

De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft niet aangetoond dat hij onder de reikwijdte van de Richtlijn valt, omdat hij geen Oekraïense asielvergunning of permanente verblijfsvergunning heeft en niet kan bewijzen dat hij een duurzame relatie heeft met zijn Oekraïense partner, met wie hij drie kinderen heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, omdat hij niet voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld in de relevante wetgeving.

De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de inschrijving op een woonadres niet voldoende bewijs levert voor een duurzame relatie, vooral gezien de echtscheiding van eiser en zijn partner. De rechtbank heeft de beroepsgrond van eiser verworpen en het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierechten of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is informatie verstrekt over de mogelijkheid van hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor verblijf in Nederland onder toepassing van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn). [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft aangegeven in Nederland te willen verblijven onder de Richtlijn. De minister heeft bij besluit van 2 januari 2024 bepaald dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, omdat hij niet onder het toepassingsbereik van de Richtlijn valt. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en beschikte op het peilmoment (23 februari 2022) namelijk niet over een Oekraïense asielvergunning of permanente verblijfsvergunning en verder heeft hij niet aangetoond dat hij in de periode tussen 27 november 2021 en 22 februari 2022 een relatie onderhield met een betrokkene die onder de Richtlijn valt. Gelet op artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) behoort eiser daarom niet tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland, aldus de minister.
Het betoog van eiser
4. Eiser voert aan dat hij onder de Richtlijn valt omdat hij een duurzame relatie heeft met zijn Oekraïense partner [persoon A], met wie hij drie kinderen heeft. Eiser is met mevrouw [persoon A] gehuwd in 2015 en gescheiden in 2019, maar zijn sinds april 2020 weer bij elkaar. Eiser bestrijdt dat het vreemd is dat de scheiding is doorgezet ondanks het herstel van de relatie. Hierover heeft hij tijdens de hoorzitting in bezwaar toegelicht dat hij op deze manier zijn kinderen makkelijker kon laten naturaliseren. Uit het besluit blijkt niet dat deze verklaringen zijn betrokken in de beoordeling of hoe deze zijn gewogen en dat is volgens eiser onzorgvuldig. Indien en voor zover de minister meent dat het herstel van de relatie niet aannemelijk is gemaakt, staat in elk geval door het overleggen van de geboorteakten vast dat hij familielid is van zijn kinderen aan wie door Nederland tijdelijke bescherming is verleend, waardoor ook eiser onder de Richtlijn valt. Bovendien volgt uit de Werkinstructie (WI) 2025/6 dat geboorteaktes van gezamenlijke kinderen een krachtig bewijs zijn van een langdurige relatie. Verder voert eiser aan dat hij op hetzelfde adres als mevrouw [persoon A] staat geregistreerd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een uittreksel van het gemeenteregister overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij en mevrouw [persoon A] op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de peilperiode (tussen 27 november 2021 en 22 februari 2022).
Het toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit [2] onder de reikwijdte van de Richtlijn de volgende categorieën personen vallen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon:
a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven;
b) staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten;
c) gezinsleden van de in punten a) en b) genoemde personen.
In artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit staat, kort gezegd, dat de (huwelijks)partner, minderjarige kinderen en andere naaste familieleden die met het gezin samenwoonden ten tijde van de omstandigheden rond de massale toestroom van ontheemden, en op dat tijdstip volledig of grotendeels afhankelijk waren van een in lid 1 onder a) of b) genoemd persoon, worden geacht gezinsleden te zijn, voor zover het gezin vóór 24 februari 2022 reeds in Oekraïne een gezin was en in Oekraïne verbleef.
5.1.
Nederland heeft het Uitvoeringsbesluit geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV 2000. In lid 1 van dit artikel zijn aangewezen als personen die onder de reikwijdte van de Richtlijn aangewezen vreemdelingen die:
a. de Oekraïense nationaliteit hebben en die na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd;
b. de Oekraïense nationaliteit hebben en die kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland verbleven; of
c. beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning en ten aanzien van wie:
1. aannemelijk is dat zij Oekraïne na 26 november 2021 hebben verlaten; en
2. niet is gebleken dat zij na 23 februari 2022 naar het land van herkomst
zijn teruggekeerd.
Op grond van het tweede lid van artikel 3.9a van het VV 2000 is artikel 3.1a, aanhef en onder b tot en met d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van overeenkomstige toepassing op familieleden van vreemdelingen als bedoeld in het eerste lid.
5.2.
Uit artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 volgt dat het indienen van een asielaanvraag tot gevolg heeft dat de uitzetting achterwege blijft zo lang het Uitvoeringsbesluit van kracht is, indien de vreemdeling de echtgenoot is van de vreemdeling die onder de reikwijdte van de Richtlijn valt, of de ongehuwde partner met wie die vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het Uitvoeringsbesluit met die vreemdeling samenwoonde.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet valt onder de categorieën van personen genoemd in artikel 3.9a van het VV 2000. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en hij beschikt niet over een Oekraïense asielvergunning of permanente verblijfsvergunning die geldig was vóór 24 februari 2022. Eiser heeft verder weliswaar een verblijfsvergunning voor Oekraïne, maar deze is geldig vanaf 23 november 2023. In geschil is of eiser moet worden aangemerkt als de ongehuwde partner van een vreemdeling die onder de reikwijdte van de Richtlijn valt.
6.1.
In punt 12 van de Preambule van het Uitvoeringsbesluit staat: ‘Personen die de bescherming wensen te genieten, moeten kunnen aantonen dat zij voldoen aan die criteria om in aanmerking te komen, door de relevante documenten te overleggen aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat. Kunnen zij de relevante documenten niet overleggen, dan moeten de lidstaten hen doorverwijzen naar de toepasselijke procedure.’ Dit volgt ook uit de Richtsnoeren. Daarin staat, kort samengevat, dat personen die voor bescherming in aanmerking wensen te komen moeten kunnen aantonen dat zij recht hebben op tijdelijke bescherming of passende bescherming door de relevante documenten over te leggen aan de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaat. Het kan hierbij gaan om bewijsstukken die kunnen helpen bij de vaststelling van identiteit en verblijf. [3] Dit bewijs moet voorkomen dat de beoordeling van de aanspraken op tijdelijke bescherming het karakter krijgen van een complexe en uitgebreide beoordeling. Dat ontneemt namelijk het nuttig effect aan de Richtlijn, die juist beoogt lidstaten bij massale instroom te ontlasten. [4]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als ongehuwde partner van een vreemdeling die onder de Richtlijn valt. De minister stelt terecht dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de tegenstrijdige verklaringen over de scheiding en het gestelde herstel van de relatie met mevrouw [persoon A]. Eiser stelde namelijk aanvankelijk dat hij was gescheiden van mevrouw [persoon A], maar dat de relatie in april 2020 weer is hersteld. Uit de stukken uit het dossier blijkt echter dat eiser en mevrouw [persoon A] op 4 januari 2021 zijn gescheiden, derhalve nadat eiser en mevrouw [persoon A] weer (gesteld) samen waren. Zij hebben verklaard dat dit verband hield met het verkrijgen van de Oekraïense nationaliteit door haar kinderen. [5] De minister stelt terecht dat de stelling dat het verkrijgen van de Oekraïense nationaliteit door de echtscheiding zou worden vergemakkelijkt geen plausibele verklaring is, aangezien eiser als echtgenoot toestemming voor de naturalisatie had kunnen geven.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat uit registratie in het gemeenteregister blijkt dat eiser van 28 december 2019 tot en met 4 december 2023 op het adres [adres], huisnummer [huisnummer], te Oekraïne, ingeschreven stond, dat mevrouw [persoon A] vanaf 18 juni 2020 op dat adres stond ingeschreven en de kinderen vanaf 2022. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat een enkele inschrijving op een woonadres niet aantoont dat zij daadwerkelijk op dat adres samenwoonden en dat eiser en mevrouw [persoon A] een duurzame relatie onderhielden tijdens de peilperiode en dat daarom aan de registratie niet de waarde kan worden toegekend die eiser zou wensen. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat uit ditzelfde register blijkt dat de periode waarover eiser en mevrouw [persoon A] hebben verklaard uit elkaar te zijn geweest (2019 en 2020) en waarin eiser dus niet in Oekraïne verbleef, ook op deze lijst staat. Daar komt nog eens bij uit dit register blijkt dat eiser en mevrouw [persoon A], zelfs nadat zij naar Nederland zijn vertrokken, nog steeds ingeschreven staan op datzelfde adres en dat eiser zelfs opnieuw vanaf 27 juni 2025, de datum van de aanvraag van de registratie – is ingeschreven op datzelfde adres. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat, hoewel uit WI 2025/6 volgt dat geboorteaktes van gezamenlijke kinderen een krachtig bewijs zijn van een langdurige relatie, in dit geval hier niet de waarde aan wordt toegekend die eiser wenst, gelet op de echtscheidingsakte van 4 januari 2021 en gelet op het feit dat eiser verder geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd om de gestelde duurzame relatie met mevrouw [persoon A] aan te tonen, terwijl het voor de hand ligt dat er voldoende bewijsmiddelen – zoals bijvoorbeeld foto’s – beschikbaar zouden zijn wanneer men een duurzame relatie onderhoudt en in gezinsverband met elkaar leeft. Dat eiser drie kinderen heeft die onder de Richtlijn vallen, maakt voorts niet dat eiser tijdelijke bescherming kan ontlenen aan de Richtlijn. Eiser heeft namelijk op geen enkele manier aangetoond dat hij met de kinderen samenwoonde in de peilperiode. De rechtbank concludeert dan ook dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
3.Zie paragraaf 1 van de Richtsnoeren, onder het kopje: ‘Bewijs van het recht op tijdelijke bescherming in de zin van Richtlijn 2001/55/EG of op passende bescherming uit hoofde van het nationale recht.’
4.Vergelijk rb. Den Haag (zp Arnhem) 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10438.
5.Verslag gehoor ambtelijke commissie van 16 oktober 2024, pagina 3.