ECLI:NL:RBGEL:2026:2091

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
AWB-24_2120
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 AwbArt. 4:46 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling nihil tegemoetkoming NOW-6, achtste tranche

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-6, achtste tranche, werd vastgesteld op nihil vanwege een omzetdaling van minder dan 20%.

De rechtbank oordeelt dat de minister de omzetdaling op juiste wijze heeft vastgesteld, waarbij de sponsoropbrengsten naar rato zijn toegerekend conform artikel 5, tiende lid, van de NOW-6. De omzetdaling van 12% rechtvaardigt een vaststelling op nihil. De minister heeft binnen de wettelijke beslistermijn van 52 weken gehandeld, waardoor geen sprake is van onzorgvuldigheid.

Hoewel de minister niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft verstrekt, heeft eiseres deze zelf aangeleverd, zodat dit geen inhoudelijke gevolgen heeft. Wel wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht wegens schending van artikel 8:42 Awb Pro.

De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omtrent de belangenafweging bij terugvordering van het voorschot, maar passeert dit gebrek omdat de minister tijdens de zitting alsnog een belangenafweging heeft gegeven die de rechtbank volgt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming NOW-6 op nihil wordt ongegrond verklaard en de minister moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger])
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: J. van Dalfsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-6), achtste tranche, op nihil. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-6, achtste tranche.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een juiste beslissing heeft genomen. De minister heeft in redelijkheid de tegemoetkoming op grond van de NOW-6 op nihil kunnen vaststellen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht van eiseres moet vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

3. Met het besluit van 15 oktober 2023 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-6, achtste tranche, vastgesteld op nihil. Met het bestreden besluit van 29 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 24/2096, 24/2097 en 24/2108 plaatsgevonden op 8 januari 2026. Hieraan hebben de vertegenwoordiger van eiseres en de gemachtigde van de minister (door middel van videoverbinding) deelgenomen.
3.3.
Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in alle zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres heeft op 17 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6. Het gaat om de achtste aanvraagperiode (januari, februari en maart 2022) met loonheffingennummer [nummer].
4.1.
Met het besluit van 21 februari 2022 heeft de minister aan eiseres de tegemoetkoming in de loonkosten op basis van het verwachte omzetverlies op grond van de NOW-6 vastgesteld op € 51.581 voor de periode van januari tot en met maart 2022 en een voorschot van € 41.265 toegekend.
4.2.
Op 27 oktober 2022 heeft eiseres de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-6, achtste aanvraagperiode, aangevraagd.
4.3.
Op 12 oktober 2023 heeft de minister een rapport van bevindingen opgesteld van het onderzoek dat is uitgevoerd voor de vaststelling van de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-6. In dit rapport is de omzetdaling van eiseres vastgesteld op 12%.
4.4.
Met het besluit van 15 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag voor de definitieve berekening van eiseres afgewezen, omdat eiseres een omzetverlies van minder dan 20% heeft. De tegemoetkoming is daarom vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot van € 41.265 is van eiseres teruggevorderd. Met het besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister aangeven op welke manier, en binnen welke termijn, eiseres het teveel betaalde voorschot van € 41.265 moet terugbetalen.
4.5.
Op 17 november 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 15 en 19 oktober 2023. Met het bestreden besluit is de minister bij deze besluiten gebleven en heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5. Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat de verplichting voor het bestuursorgaan (de minister) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden aan de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de minister niet heeft voldaan aan deze verplichting. In het dossier ontbreken de stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek zoals, onder andere de mailwisselingen tussen de minister en eiseres en stukken die eiseres heeft toegestuurd naar aanleiding van vragen van de minister. Deze stukken zijn noodzakelijk om de bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van 12 oktober 2023 (die de minister ten grondslag heeft gelegd aan de bestreden besluitvorming) te controleren. Tijdens de zitting heeft de minister bevestigd dat deze stukken onderdeel van het dossier zijn en hadden moeten worden toegezonden, maar dat de minister deze stukken niet (langer) in zijn bezit heeft.
5.1.
Omdat eiseres deze stukken in beroep zelf heeft toegezonden en over dit gebrek niet heeft geklaagd, zal de rechtbank er – voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van deze zaak – geen consequenties aan verbinden. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden, nu sprake is van een schending van hetgeen in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is bepaald. Hiertoe is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb.
Verklaring deskundige derde
6. Tijdens de zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht dat de passage in het bestreden besluit over het ontbreken van een verklaring van een objectieve deskundige derde niet (ook) is bedoeld als afwijzingsgrond. Gelet hierop heeft eiseres aangegeven de beroepsgrond die hierop betrekking heeft niet langer te handhaven, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.
Concern
7. Tijdens de zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat de [eiseres] (de stichting) en [vereniging] (de vereniging) bij de berekening van de omzetdaling als een concern moeten worden beschouwd, niet langer gehandhaafd, zodat deze beroepsgrond geen nadere bespreking behoeft.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld?
8. Eiseres voert aan dat de minister lange tijd niet wist hoe de regeling uitgevoerd moest worden, wat heeft geleid tot vertraging. De minister heeft daardoor erg lang gedaan over de afhandeling van de aanvraag. Eiseres was wel steeds op tijd met het aanleveren van de gevraagde informatie binnen de door de minister gestelde (korte) termijnen. Hierdoor is sprake van rechtsongelijkheid en moet de subsidie aan haar worden toegekend.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van eiseres niet. In artikel 17, zesde lid, van de NOW-6 is opgenomen dat de minister de subsidies vaststelt binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag. De minister had uiterlijk op 26 oktober 2023 moeten beslissen op de aanvraag van eiseres. Met het besluit van 15 oktober 2023 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming vastgesteld. Dit valt binnen de beslistermijn van 52 weken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres gebaat was bij een spoedige beslissing op de (definitieve) aanvraag, maakt dat gelet op het voorgaande de besluitvorming niet onzorgvuldig. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de omzetdaling juist vastgesteld?
9. Eiseres betoogt dat de minister de omzetdaling op onjuiste wijze heeft berekend. Uit de door de eiseres overgelegde stukken blijkt dat in de meetperiode een omzet is behaald van € 14.250. Dat is een veel lager bedrag dan waar de minister vanuit gaat. Volgens de berekening van eiseres is het omzetverlies 85%. De door de minister gehanteerde methode van berekening door toerekening is theoretisch en sluit niet aan bij de dagelijkse praktijk van eiseres die het kasstelsel hanteert (kasbasis is factuurbasis).
9.1.
Uit artikel 17, vijfde lid, van de NOW-6 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze van artikel 15 van Pro de NOW-6. In het eerste lid van artikel 8 is Pro hiervoor een formule opgenomen. Eén van de elementen in de berekening is de omzetdaling. Hierbij geldt dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, als de omzetdaling minder bedraagt dan 20%. Dit staat in artikel 17, vijfde lid, onder a, in combinatie met artikel 14 van Pro de NOW-6.
In artikel 5, eerste lid van de NOW-6 is de hoofdregel neergelegd hoe deze omzetdaling wordt vastgesteld. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet (dit is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier) en de omzet in de omzetperiode (januari, februari en maart 2022) te delen door de referentie-omzet. In artikel 5, tiende lid, van de NOW-6 is de uitzondering op deze hoofdregel opgenomen: subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentieperiode, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
9.2.
In de Nota van Toelichting bij artikel 5, tiende lid, van de NOW-6, staat dat in het tiende lid wordt geregeld hoe moet worden omgegaan met subsidies en baten, die op een langdurige periode zien. Om ervoor te zorgen dat voor de omzetbepaling geen subsidies en baten in het geheel worden toegeschreven aan de omzetperiode, dan wel de referentieperiode, wordt deze subsidie of baat enkel naar rato in aanmerking genomen. [1]
9.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de opbrengsten (baten) van de stichting (enkel) bestaan uit sponsorgelden. De minister heeft in het rapport van bevindingen van 12 oktober 2023, dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluitvorming, toepassing gegeven aan de in artikel 5, tiende lid, van de NOW-6, neergelegde uitzondering op de hoofdregel van artikel 5, eerste lid, van de NOW-6. Nu de minister zich beroept op een uitzondering op de hoofdregel, ligt het op zijn weg om te motiveren dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de NOW-6, namelijk dat de sponsorgelden betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentieperiode. [2]
9.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister in de hiervoor genoemde bewijslast geslaagd. Daartoe is het volgende van belang. Eiseres heeft tijdens de zitting toegelicht dat de sponsorcontracten een loopduur hebben van drie jaar. De stichting heeft ongeveer 250 sponsoren in totaal. Het grootste deel van deze sponsoropbrengsten, ongeveer twee derde, wordt elk jaar in de maand juli gefactureerd als sponsorgeld voor het gehele seizoen (dat loopt van 1 juli tot 30 juni van het opvolgende jaar). De resterende een derde aan sponsoren wordt maandelijks gefactureerd.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het grootste deel van de sponsorgelden ziet op een langere periode dan de meetperiode/omzetperiode. Het merendeel van deze opbrengsten wordt in een specifiek deel van het jaar (de maand juli) gefactureerd maar heeft betrekking op het gehele boekjaar. Gelet hierop heeft de minister toepassing kunnen geven aan de uitzondering van artikel 5, tiende lid, van de NOW-6, waarbij deze opbrengsten naar rato zijn toegerekend aan de omzetperiode. Dat een deel van de facturen voor de sponsorgelden wel maandelijks is gefactureerd, maakt dit niet anders omdat in de door eiseres gebruikte boekhoudmethode van het kasstelsel het merendeel van de sponsorgelden niet is toegerekend aan de specifieke periode waarop ze betrekking heeft. Dit betekent dan ook dat de minister de sponsoropbrengsten naar rato heeft mogen toerekenen en dat de minister zijn besluitvorming mocht baseren op de in het rapport van bevindingen toepaste rekeningmethode, waarbij de omzetdaling is vastgesteld op 12%. Tegen de berekening zelf heeft eiseres verder geen gronden gericht. De minister mocht de tegemoetkoming op grond van de NOW-6 dan ook op nihil vaststellen. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
10. Omdat het in deze zaak om de vaststelling van subsidie gaat, zijn, naast de bepalingen van de NOW-6, ook de bepalingen uit titel 4.2 van de Awb van toepassing. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld, tenzij er sprake is van één van de (limitatief) in het tweede lid genoemde situaties. In die gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld.
10.1.
In het geval van eiseres was de minister bevoegd om de subsidie lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb omdat de subsidieverlening anderszins onjuist was en eiseres dit wist of behoorde te weten. [4]
10.2.
De minister heeft een discretionaire bevoegdheid om een onverschuldigd betaald voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van eiseres. [5] Dat betekent dat de minister bij de toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb een volgbare afweging moet maken tussen het belang van een juiste subsidieverlening enerzijds en de individuele gevolgen voor eiseres anderzijds. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet de minister ook beoordelen of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de terugvordering worden gediend. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Het gaat hierbij verder om een directe toetsing van het (bestreden) besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Bij deze toetsing kunnen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het (bestreden) besluit een rol spelen. [6]
10.3.
De minister heeft in het bestreden besluit geen belangenafweging opgenomen ten aanzien van de vraag of tot terugvordering moet worden overgegaan. Omdat het (definitieve) besluit tot vaststelling van de subsidie in dit geval op nihil is gesteld en daarom lager dan bij de subsidieverlening is vastgesteld, had de minister wel een belangenafweging moeten maken. Dit heeft de minister tijdens de zitting ook erkend. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb (deugdelijke motivering) genomen.
10.4.
Tijdens de zitting heeft de minister alsnog een door hem gemaakte belangenafweging gegeven. De minister heeft het belang van eiseres afgezet tegen het algemeen belang van een juiste subsidieverlening. Omdat de omzetdaling van eiseres minder dan 20% bedraagt, prevaleert het algemeen belang boven het belang van eiseres en valt de belangenafweging volgens de minister in zijn voordeel uit.
10.5.
Eiseres heeft gewezen op haar belang om het verleende voorschot niet terug te betalen omdat het veel geld voor de stichting betreft.
10.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn belang zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Het belang van de minister is een juiste en rechtmatige vaststelling van de NOW-subsidie die maakt dat publieke middelen op een zorgvuldige wijze worden besteed. Hieraan kan veel gewicht worden toegekend. [7] Anderzijds is het belang van eiseres ook duidelijk. Zij heeft er belang bij dat zij niet hoeft terug te betalen. Het financiële nadeel dat voor eiseres is ontstaan met de terugvordering van het voorschot, beoordeelt de rechtbank echter niet als onevenwichtig. De rechtbank weegt in dit verband mee dat eiseres tijdens de zitting heeft aangegeven dat voor het terug te betalen voorschot een betalingsregeling is overeengekomen, waarbij zij sinds januari 2025 in 48 termijnen het voorschotbedrag terugbetaalt. Ook heeft eiseres tijdens de zitting toegelicht dat het voortbestaan van de stichting niet in gevaar komt door de terugbetaling van het voorschot.
10.7.
Gelet op het voorgaande is de uitkomst van de belangenafweging, te weten dat het verstrekte voorschot geheel van eiseres wordt teruggevorderd, in overeenstemming met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De minister mocht daarom het verstrekte voorschot geheel van eiseres terugvorderen. De rechtbank zal het motiveringsgebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren. Het is namelijk aannemelijk dat eiseres door het gegeven dat de minister eerst op zitting het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd, niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou immers een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De minister moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit gelet op wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 5.1 (het niet toesturen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken), 10.3 en 10.7 (toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb) heeft overwogen. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 8:31
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
Artikel 8:42, eerste lid
Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.
Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-6)
Artikel 5
1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
4. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie.
5. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
6. Als de werkgever een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek, of middels een aandelentransactie zeggenschap heeft verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep als bedoeld in het negende lid, en daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, bij een overname of aandelentransactie in de periode:
van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie;
van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie;
van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
7. Als de werkgever een onderdeel of activiteit heeft afgestoten vanaf de periode waarover de referentie-omzet wordt berekend tot en met 1 januari 2022, wordt de omzet van het afgestoten onderdeel of de afgestoten activiteit in mindering gebracht op de referentie-omzet.
8. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
9. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het achtste lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 januari 2022 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
10. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
De Minister kan op grond van dit hoofdstuk aan een werkgever, die gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 wordt geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022.
Artikel 15, eerste lid
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,3 x 0,85
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling, met dien verstande dat A ten hoogste 0,9 bedraagt;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald, met dien verstande dat B gelijk is aan de uitkomst van de volgende berekening, die uitgaat van het tijdvak bedoeld in het tweede of derde lid […].
Artikel 17
1. De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie voor de achtste tranche aan vanaf 3 oktober 2022, of een eerder tijdstip, dat bekend gemaakt wordt via www.uwv.nl, tot en met 2 juni 2023. Hij dient de aanvraag in door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij de aanvraag van de vaststelling wordt in ieder geval meegezonden:
de definitieve gegevens over de omzetdaling in de omzetperiode, alsmede informatie waaruit dit blijkt;
een verklaring waaruit blijkt of in de periode, bedoeld in artikel 5, zevende lid, onderdelen of activiteiten zijn afgestoten;
de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 12, eerste en derde lid; en
een verklaring dat voldaan is aan artikel 11, onderdelen a, b, en f tot en met j en artikel 13 genoemde Pro verplichtingen.
3. De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 6 verklaart Pro dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6 en Pro zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt.
4. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, verplicht is een verklaring van een accountant op grond van artikel 12, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde op grond van artikel 12, derde lid, te overleggen vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant, respectievelijk verklaring van een deskundige derde heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met de benodigde verklaring.
5. De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 15, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:
de omzetdaling in de omzetperiode minder bedraagt dan het percentage als bedoeld in artikel 14;
de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 12, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 12, tweede en vierde lid, is vrijgesteld; of
de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 6, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 6; of
indien in strijd is gehandeld met een verplichting, als bedoeld in artikel 13.
6. De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18
Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, 12 of 13, is voldaan.
Artikel 20, eerste lid
De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:
besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;
te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en
in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.

Voetnoten

1.Stcrt 2022, nr. 4032.
2.Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:729, r.o. 4.3.
3.Op grond van artikel 17, vijfde lid, onder a, van de NOW-6.
4.Vgl. de uitspraak van de CRvB van 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:649, r.o. 4.5.
5.Op grond van zowel artikel 18 van Pro de NOW-6 als op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:649, r.o. 4.6.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:145.