AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen vaststelling nihil tegemoetkoming NOW-4 zesde tranche
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarbij de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-4, zesde tranche, werd vastgesteld op nihil vanwege een omzetdaling van minder dan 20%.
De rechtbank oordeelt dat de minister in redelijkheid tot deze vaststelling heeft kunnen komen. De omzetdaling is vastgesteld op 6%, waarbij de minister het toerekeningsbeginsel toepaste om baten over de juiste perioden toe te rekenen, conform de NOW-4 regeling en de Richtlijnen voor de Jaarverslaglegging. Eiseres betwistte deze berekening, maar kon haar stellingen onvoldoende onderbouwen.
Verder is vastgesteld dat de minister niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft verstrekt, wat een schending is van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Dit leidt tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres. De overschrijding van de beslistermijn door de minister leidt niet tot niet-ontvankelijkheid of toekenning van de subsidie. De belangenafweging van de minister om het voorschot terug te vorderen is gerechtvaardigd en het motiveringsgebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 AwbPro gepasseerd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister moet het griffierecht van €371,- aan eiseres vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming NOW-4 zesde tranche op nihil wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van het griffierecht aan eiseres.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2097
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
(gemachtigde: J. van Dalfsen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-4), zesde tranche, op nihil. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-4, zesde tranche.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een juiste beslissing heeft genomen. De minister heeft in redelijkheid de tegemoetkoming op grond van de NOW-4 op nihil kunnen vaststellen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht van eiseres moet vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
3. Met het besluit van 6 oktober 2023 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-4, zesde tranche, vastgesteld op nihil. Met het bestreden besluit van 29 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 24/2096, 24/2108 en 24/2120 plaatsgevonden op 8 januari 2026. Hieraan hebben de vertegenwoordiger van eiseres en de gemachtigde van de minister (door middel van videoverbinding) deelgenomen.
3.3.
Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in alle zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres heeft op 27 juli 2021 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-4. Het gaat om de zesde aanvraagperiode (juli, augustus en september 2021) met loonheffingennummer [nummer] .
4.1.
Met het besluit van 2 augustus 2021 heeft de minister aan eiseres de tegemoetkoming in de loonkosten op basis van het verwachte omzetverlies op grond van de NOW-4 vastgesteld op € 7.423 voor de periode van augustus tot en met oktober 2021. Eiseres is een voorschot van € 5.937 toegekend.
4.2.
Op 5 september 2022 heeft eiseres de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-4, zesde aanvraagperiode, aangevraagd.
4.3.
Op 6 oktober 2023 heeft de minister een rapport van bevindingen opgesteld van het onderzoek dat is uitgevoerd voor de vaststelling van de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-4. In dit rapport is de omzetdaling van eiseres vastgesteld op 6%.
4.4.
Met het besluit van 6 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag voor de definitieve berekening van eiseres afgewezen, omdat eiseres een omzetverlies van minder dan 20% heeft. De tegemoetkoming is daarom vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot van € 5.937 is van eiseres teruggevorderd. Met het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister aangeven op welke manier, en binnen welke termijn, eiseres het teveel betaalde voorschot van € 5.937 moet terugbetalen.
4.5.
Op 3 november 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 oktober 2023. Met het bestreden besluit is de minister bij dit besluit gebleven en heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5. Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat de verplichting voor het bestuursorgaan (de minister) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden aan de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de minister niet heeft voldaan aan deze verplichting. In het dossier ontbreken de stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek zoals, onder andere, de mailwisselingen tussen de minister en eiseres en stukken die eiseres heeft toegestuurd naar aanleiding van vragen van de minister. Deze stukken zijn noodzakelijk om de bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van 6 oktober 2023 (die de minister ten grondslag heeft gelegd aan de bestreden besluitvorming) te controleren. Tijdens de zitting heeft de minister bevestigd dat deze stukken onderdeel van het dossier zijn en hadden moeten worden toegezonden, maar dat de minister deze stukken niet (langer) in zijn bezit heeft.
5.1.
Omdat eiseres deze stukken in beroep zelf heeft toegezonden en over dit gebrek niet heeft geklaagd, zal de rechtbank er – voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van deze zaak – geen consequenties aan verbinden. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden, nu sprake is van een schending van hetgeen in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is bepaald. Hiertoe is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 8:31 vanPro de Awb.
Aanvullende beroepsgrond van 19 december 2025
6. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven de bij brief van 19 december 2025 ingediende aanvullende beroepsgrond – over het verzoek het UWV te verplichten te stoppen met parallelle behandeling van NOW-dossiers – niet langer te handhaven, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.
Heeft de minister te laat op de aanvraag beslist?
7. Eiseres betoogt dat de minister niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het nemen van een besluit. Tijdens de zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat de minister te laat heeft beslist. Hierdoor heeft de minister volgens eiseres het recht verspeeld om alsnog te beslissen op de aanvraag van eiseres en daarom had de tegemoetkoming toegekend moeten worden.
7.1.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres aldus dat zij betoogt dat het bestreden besluit, vanwege de overschrijding van de beslistermijn, niet rechtmatig is genomen en daarom moet worden vernietigd.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de minister te laat op de aanvraag heeft beslist. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 5 september 2022. In artikel 17, zesde lid, van de NOW-4 is opgenomen dat de minister de subsidies vaststelt binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag. Uit de e-mail van de minister van 18 juli 2023 blijkt dat de minister de beslistermijn heeft opgeschort van 18 juli 2023 tot 15 augustus 2023. [1] Dit betekent dat de minister uiterlijk op 2 oktober 2023 op de aanvraag had moeten beslissen. Met het besluit van 6 oktober 2023 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een zeer geringe overschrijding van de beslistermijn van vier dagen. De NOW-4 verbindt aan de overschrijding van de beslistermijn echter geen consequenties. De overschrijding van de beslistermijn betekent niet dat daardoor het besluit onrechtmatig is en moet worden vernietigd. De wet- en regelgeving kent niet de mogelijkheid om een bestuursorgaan niet-ontvankelijk te verklaren, in de zin dat eiseres door de overschrijding van de beslistermijn de tegemoetkoming definitief toegekend dient te krijgen, bij het overschrijden van de beslistermijn. De rechtbank merkt ten overvloede op dat als een bestuursorgaan (in dit geval de minister) niet tijdig op een aanvraag beslist, de betrokkene dat bestuursorgaan in gebreke kan stellen. Indien het bestuursorgaan vervolgens niet binnen twee weken beslist, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat staat in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. In dit geval heeft eiseres de minister niet in gebreke gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de omzetdaling juist vastgesteld?
8. Eiseres betoogt dat de minister de omzetdaling op onjuiste wijze heeft berekend. De minister heeft ten onrechte het toerekeningsbeginsel gehanteerd, terwijl eiseres het kasstelsel hanteert. Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd blijkt de werkelijke omzetdaling in de meetperiode. Toerekening naar een heel jaar is daarom niet nodig. Volgens de berekening van eiseres is het omzetverlies 77%. Tijdens de zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij niet het gebruik van toerekeningsbeginsel als zodanig betwist, maar dat er volgens haar geen reden was om in haar zaak de inkomsten toe te rekenen naar de perioden waar deze betrekking op hebben.
8.1.
Uit artikel 17, vijfde lid, van de NOW-4 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze van artikel 8 vanPro de NOW-4. In het eerste lid van artikel 8 isPro hiervoor een formule opgenomen. Eén van de elementen in de berekening is de omzetdaling. Hierbij geldt dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, als de omzetdaling minder bedraagt dan 20%. Dit staat in artikel 17, vijfde lid, onder a, van de NOW-4.
In artikel 6, eerste lid van de NOW-4 is de hoofdregel neergelegd hoe deze omzetdaling wordt vastgesteld. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet (dit is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier) en de omzet in de omzetperiode (augustus, september en oktober 2021) te delen door de referentie-omzet. In artikel 6, achtste lid, van de NOW-4 is de uitzondering op deze hoofdregel opgenomen: subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentieperiode, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
8.2.
In de Nota van Toelichting bij artikel 6, achtste lid, van de NOW-4, staat dat in het achtste lid wordt geregeld hoe moet worden omgegaan met subsidies en baten, die op een langdurige periode zien. Om ervoor te zorgen dat voor de omzetbepaling geen subsidies en baten in het geheel worden toegeschreven aan de periode in 2021 waarover de omzetdaling wordt berekend, dan wel de referentieperiode in 2019 (en voor het derde en vierde lid tevens een gedeelte van 2020), wordt deze subsidie of baat enkel naar rato in aanmerking genomen. [2]
8.3.
De minister heeft in het rapport van bevindingen van 6 oktober 2023, dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluitvorming, toepassing gegeven aan de in artikel 6, achtste lid, van de NOW-4, neergelegde uitzondering op de hoofdregel van artikel 6, eerste lid, van de NOW-4. Nu de minister zich beroept op een uitzondering op de hoofdregel, ligt het op zijn weg om te motiveren dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6, achtste lid, van de NOW-4, namelijk dat de verschillende opbrengsten betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentieperiode. [3]
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister in de hiervoor genoemde bewijslast geslaagd. Daartoe is het volgende van belang
8.5.
In artikel 1, tweede lid, van de NOW-4 is bepaald dat onder omzet in deze regeling wordt verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 juli 2021 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Kortom, alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regelgeving. De NOW-4 sluit daarmee aan bij het omzetbegrip zoals dat wordt gebruikt in het jaarrekeningenrecht. Eiseres heeft tijdens de zitting bevestigd dat in de aanvraag tot vaststelling van de subsidie alleen de opbrengsten uit de kantine zijn meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat dit onvolledig is en dat de vereniging meer inkomsten heeft gehad, zoals ook volgt uit de winst- en verliesrekening.
8.6.
Ten aanzien van de toerekening van de omzet zijn de Richtlijnen voor de Jaarverslaglegging (RJ 270) relevant. In RJ270.116 is bepaald: “Bij opbrengstverantwoording naar rato van de verrichte prestaties worden opbrengsten verwerkt in de periode dat de dienstverlening plaatsvindt. Deze methode van verwerking verschaft inzicht in het activiteitenniveau van de dienstverlening en het prestatieniveau van de rechtspersoon.”
8.7.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat om de berekening conform artikel 6 vanPro de NOW-4 te kunnen maken, de opbrengsten (baten) toegerekend moeten worden aan de periode waar deze op zien, omdat dit meer recht doet aan en een nauwkeuriger beeld geeft van de daadwerkelijke opbrengsten in de meetperiode. Van belang is dat de omzet in de meetperiode moet worden vergeleken met de referentieperiode, waarbij van gelijke waarden moet worden uitgegaan. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de meetperiode (omzetperiode) een relatief korte periode betreft van drie maanden en het gebruik van het kasstelsel, zoals eiseres voorstaat, een onvoldoende representatief beeld geeft van de omzetdaling.
8.8.
Uit de door eiseres in beroep overgelegde winst- en verliesrekening blijkt dat de opbrengsten gebaseerd zijn op verschillende posten zoals contributie, donateurs, recettes, verhuur, et cetera. Dit zijn veelal baten die naar hun aard betrekking hebben op het gehele boekjaar. Anders dan een (geconsolideerde) jaarrekening zijn er door eiseres geen stukken overgelegd waaruit volgt dat deze opbrengsten zijn toegerekend naar de mate van de periode waar ze betrekking op hadden. Dat maakt de minister op basis van de overgelegde stukken geen representatieve berekening kon uitvoeren en zelf een berekening heeft mogen uitvoeren, waarbij de opbrengsten, indien nodig [4] , naar rato van de maanden zijn toegerekend aan zowel de referentieperiode als de omzetperiode/meetperiode.
8.9.
Eiseres heeft tijdens de zitting betwist dat de berekening juist is. Zij stelt namelijk dat de als baten opgevoerde kosten (mogelijk) ook een aantal kruisposten kennen, die niet als baat zouden moeten worden meegerekend omdat ze anders dubbel tellen. Als voorbeeld heeft eiseres gesteld dat in de post contributieopbrengsten ook een bedrag is opgenomen aan kledinggeld. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. Eiseres heeft namelijk geen nadere onderbouwing gegeven van de gestelde kruisposten. Verder is van belang dat uit de Nota van Toelichting volgt dat de NOW-4 een grofmazige, eenvoudige regeling is, waardoor weinig maatwerk geleverd kan worden. [5] De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen uitgaan van de bedragen die in de jaarrekening (winst- en verliesrekening) zijn genoemd als baten. Dit betekent dan ook dat de minister de opbrengsten naar rato mocht toerekenen en dat de minister zijn besluitvorming mocht baseren op de in het rapport van bevindingen toepaste rekeningmethode, waarbij de omzetdaling is vastgesteld op 6%. De minister mocht de tegemoetkoming op grond van de NOW-4 dan ook op nihil vaststellen. [6] De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
9. Omdat het in deze zaak om de vaststelling van subsidie gaat, zijn, naast de bepalingen van de NOW-4, ook de bepalingen uit titel 4.2 van de Awb van toepassing. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld, tenzij er sprake is van één van de (limitatief) in het tweede lid genoemde situaties. In die gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld.
9.1.
In het geval van eiseres was de minister bevoegd om de subsidie lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb omdat de subsidieverlening anderszins onjuist was en eiseres dit wist of behoorde te weten. [7]
9.2.
De minister heeft een discretionaire bevoegdheid om een onverschuldigd betaald voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van eiseres. [8] Dat betekent dat de minister bij de toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb een volgbare afweging moet maken tussen het belang van een juiste subsidieverlening enerzijds en de individuele gevolgen voor eiseres anderzijds. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet de minister ook beoordelen of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de terugvordering worden gediend. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Het gaat hierbij verder om een directe toetsing van het (bestreden) besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Bij deze toetsing kunnen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het (bestreden) besluit een rol spelen. [9]
9.3.
De minister heeft in het bestreden besluit geen belangenafweging opgenomen ten aanzien van de vraag of tot terugvordering moet worden overgegaan. Omdat het (definitieve) besluit tot vaststelling van de subsidie in dit geval op nihil is gesteld en daarom lager dan bij de subsidieverlening is vastgesteld, had de minister wel een belangenafweging moeten maken. Dit heeft de minister tijdens de zitting ook erkend. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb (deugdelijke motivering) genomen.
9.4.
Tijdens de zitting heeft de minister alsnog een door hem gemaakte belangenafweging gegeven. De minister heeft het belang van eiseres afgezet tegen het algemeen belang van een juiste subsidieverlening. Omdat de omzetdaling van eiseres minder dan 20% bedraagt, prevaleert het algemeen belang boven het belang van eiseres en valt de belangenafweging volgens de minister in zijn voordeel uit.
9.5.
Eiseres heeft gewezen op haar belang om het verleende voorschot niet terug te betalen omdat het veel geld voor de vereniging betreft.
9.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn belang zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Het belang van de minister is een juiste en rechtmatige vaststelling van de NOW-subsidie die maakt dat publieke middelen op een zorgvuldige wijze worden besteed. Hieraan kan veel gewicht worden toegekend. [10] Anderzijds is het belang van eiseres ook duidelijk. Zij heeft er belang bij dat zij niet hoeft terug te betalen. Het financiële nadeel dat voor eiseres is ontstaan met de terugvordering van het voorschot, beoordeelt de rechtbank echter niet als onevenwichtig. De rechtbank weegt in dit verband mee dat eiseres tijdens de zitting heeft aangegeven dat voor het terug te betalen voorschot een betalingsregeling is overeengekomen, waarbij zij sinds januari 2025 in 48 termijnen het voorschotbedrag terugbetaalt. Ook heeft eiseres tijdens de zitting toegelicht dat het voortbestaan van de vereniging niet in gevaar komt door de terugbetaling van het voorschot.
9.7.
Gelet op het voorgaande is de uitkomst van de belangenafweging, te weten dat het verstrekte voorschot geheel van eiseres wordt teruggevorderd, in overeenstemming met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De minister mocht daarom het verstrekte voorschot geheel van eiseres terugvorderen. De rechtbank zal het motiveringsgebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb passeren. Het is namelijk aannemelijk dat eiseres door het gegeven dat de minister eerst op zitting het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd, niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou immers een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De minister moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit gelet op wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 5.1 (het niet toesturen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken), 9.3 en 9.7 (toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb) heeft overwogen. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 8:31
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
Artikel 8:42, eerste lid
Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.
Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-4)
Artikel 1, tweede lid
Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 juli 2021 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. Onder omzet wordt in deze regeling niet verstaan de subsidie die de werkgever ontvangt op grond van de Eerste, Tweede en Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, alsmede op grond van deze regeling en subsidie die de werkgever over de omzetperiode ontvangt van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat ter tegemoetkoming in de vaste lasten in verband met de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.
Artikel 4, eerste lid
De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 november 2021 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021.
Artikel 6
1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
4. Als de werkgever na 1 januari 2019 een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 vanPro het Burgerlijk Wetboek, of middels een aandelentransactie zeggenschap heeft verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep als bedoeld in het zevende lid, dan wordt de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, berekend door de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, te delen door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, en te vermenigvuldigen met drie. Dit lid wordt toegepast, indien de werkgever daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt.
5. Als een werkgever in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 een onderdeel of activiteit heeft afgestoten, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie. Als in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 meerdere onderdelen of activiteiten zijn afgestoten, wordt gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het laatste onderdeel of de laatste activiteit.
6. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
7. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het zesde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 juli 2021 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
8. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8, eerste lid
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,4 x 0,85
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling, met dien verstande dat A ten hoogste 0,8 bedraagt;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat […].
Artikel 17
1. De werkgever kan de vaststelling van de subsidie aanvragen vanaf 1 juni 2022, of een eerder tijdstip, dat bekend gemaakt wordt via www.uwv.nl, tot en met 22 februari 2023. Hij dient de aanvraag in door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 9, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij de aanvraag van de vaststelling wordt in ieder geval meegezonden:
de definitieve gegevens over de omzetdaling in de omzetperiode, alsmede informatie waaruit dit blijkt;
een verklaring waaruit blijkt of in de periode, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdelen of activiteiten zijn afgestoten;
de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 15, eerste en derde lid; en
een verklaring dat voldaan is aan artikel 14, onderdelen a, b, en f tot en met j en artikel 16 genoemdePro verplichtingen;
3. De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 7 verklaartPro dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 7 enPro zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt.
4. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, verplicht is een verklaring van een accountant op grond van artikel 15, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde op grond van artikel 15, derde lid, te overleggen vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant, respectievelijk verklaring van een deskundige derde heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met de benodigde verklaring.
5. De subsidies worden vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 8, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:
de omzetdaling in de omzetperiode minder bedraagt dan 20%;
de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 15, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 15, tweede en vierde lid, is vrijgesteld; of
de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 7, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 7; of
indien in strijd is gehandeld met een verplichting, als bedoeld in artikel 16.
6. De Minister stelt de subsidies vast binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18
Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 14, 15 of 16, is voldaan.
Artikel 20, eerste lid
De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:
besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;
te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en
in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb.
2.Stcrt 2021, nr. 36246.
3.Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:729, r.o. 4.3.
4.De post ‘kantineopbrengsten’ heeft de minister niet volgens het toerekeningsbeginsel berekend, maar op basis van de financiële administratie (grootboek).
5.Stcrt 2021, 36246.
6.Op grond van artikel 17, vijfde lid, onder a, van de NOW-4.