ECLI:NL:RBGEL:2026:2104

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
11957561
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 7:225 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming recreatiewoning wegens forse huurachterstand na falen opschorting

Tussen partijen bestaat sinds 7 april 2014 een huurovereenkomst voor een recreatiewoning op een bungalowpark. De huurder woont permanent in de woning en heeft vanaf 2022 een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd, oplopend tot € 5.747,83 tot en met 30 juni 2025.

De huurder stelde zich op het standpunt dat zij de huur deels mocht opschorten vanwege gebreken aan de woning en overlast. Eerder heeft de kantonrechter echter geoordeeld dat de huurder de inspectie en herstel van de gebreken heeft verhinderd, waardoor de vorderingen tot herstel en huurprijsvermindering werden afgewezen. Dit oordeel werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 februari 2026 bekrachtigd.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder geen gegronde reden had om de huur niet te betalen en dat de huurachterstand een toerekenbare tekortkoming vormt. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wordt daarom toegewezen. Ook de betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en gebruiksvergoeding worden toegewezen.

De huurder heeft tijdig verzet ingesteld, maar dit wordt ongegrond verklaard. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure. De machtiging tot ontruiming met inzet van de sterke arm wordt niet toegekend omdat dit op grond van de wet niet nodig is.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand toe en verklaart het verzet ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11957561 \ VV EXPL 25-70
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[naam opposant],
te [woonplaats] ,
opposant,
hierna te noemen: [opposant] ,
gemachtigde: mr. A.J.M. Knoef,
procederend krachtens toevoeging met kenmerk 4QX6153,
tegen

1.BUNGALOWPARK SNEEUWWITJE,

te [woonplaats] ,
2.
[naam geopposeerde 2],
te [woonplaats] ,
3.
[naam geopposeerde 3],
te [woonplaats] ,
4.
[naam geopposeerde 4],
te [woonplaats] ,
5.
[naam geopposeerde 5],
te [woonplaats] ,
6.
[naam geopposeerde 6],
te [woonplaats] ,
geopposeerde,
hierna samen te noemen: Sneeuwwitje c.s.,
gemachtigde: mr. A.W. Mulderij.

1.De procedure

bij verstek
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis in kort geding van 8 september 2025 van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen (11810381 \ VV EXPL 25-43) en de daarin genoemde processtukken.
in verzet
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in verzet,
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan de kantonrechter de beslissing heeft aangehouden in afwachting van de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in procedure met zaaknummer 200.343.644,
- de e-mail van 24 februari 2026 van mr. A.W. Mulderij met in de bijlage een kopie van het tussen partijen gewezen arrest van 17 februari 2026 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met zaaknummer 200.343.644.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen bestaat sinds 7 april 2014 een huurovereenkomst met betrekking tot een kavel met recreatiewoning (hierna: de woning) aan [adres] , op het recreatiepark dat Sneeuwwitje exploiteert. [opposant] woont permanent in de woning. De huurprijs bedraagt thans € 448,62 per maand, inclusief omzetbelasting, servicekosten en voorschot water en elektra.
2.2.
In maart 2022 heeft [opposant] (toen nog genaamd [opposant] ) via haar toenmalige gemachtigde aan Sneeuwwitje gebreken aan de woning gemeld. Ook heeft zij aangegeven dat zij regelmatig overlast ervaart van omwonenden.
2.3.
[opposant] heeft vanaf 2022 een huurachterstand laten ontstaan.
2.4. Partijen hebben eerder een procedure gevoerd bij de kantonrechter te Apeldoorn (zaaknummer 10358437 \ CV EXPL 23-692). In die procedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 20 maart 2024 voor recht verklaard dat aan het gehuurde enige gebreken kleven, namelijk ten aanzien van de ventilatiemogelijkheden in doucheruimte, toilet en keuken en ten aanzien van de hemelwaterafvoer. De vorderingen van [opposant] die strekten tot herstel van de gebreken en de vermindering van de huurprijs heeft de kantonrechter afgewezen omdat [opposant] de inspectie van het gehuurde en het herstel van de gebreken heeft verhinderd en het niet voltooien van de herstelwerkzaamheden niet aan Sneeuwwitje was te wijten.
2.5.
[opposant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 maart 2024 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof heeft bij arrest van 17 februari 2026 het vonnis van de kantonrechter van 20 maart 2024 bekrachtigd. In het arrest is, voor zover thans relevant, overwogen:
“(…) Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [opposant] onvoldoende onderbouwd dat alle punten die in productie 20 zijn opgesomd gebreken zijn die de verhuurder verplicht is te verhelpen. Sommige punten kwalificeren immers niet als gebrek (de beweerdelijke overlast, het enkel glas en verouderde sanitair); en voor andere punten geldt dat [opposant] onvoldoende onderbouwd heeft dat het om een gebrek gaat dat voor rekening van de verhuurder komt. Voor wat betreft de in het vonnis vastgestelde gebreken is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de vordering tot het verhelpen van de gebreken niet kan worden toegewezen. Daartoe is het volgende van belang.
(…)
Door het niet toelaten van [naam] in de woning om de gebreken te inspecteren en evenmin [naam] in de gelegenheid te stellen om zelf de gebreken te verhelpen, kan [opposant] niet aan Bungalowpark Sneeuwwitje tegenwerpen dat de vastgestelde gebreken niet verholpen zijn. [opposant] heeft hiermee Bungalowpark Sneeuwwitje verhinderd om haar verbintenis op grond van de wet (tot het verhelpen van de gebreken) na te komen. De gemachtigde van Bungalowpark Sneeuwwitje heeft gedurende het hoger beroep aan de gemachtigde van [opposant] per e-mail d.d. 20 januari 2025 gevraagd of [opposant] aan de voorwaarde vasthoudt dat niet de heer [naam] het herstel mag verrichten. Op deze e-mail is, ondanks nog een rappel daartoe op 26 februari 2025, niet gereageerd, waaruit het hof afleidt dat [opposant] vasthoudt aan haar weigering om [naam] zelf het herstel te laten verrichten. De vordering tot herstel van de gebreken (vordering II) en de vordering tot huurprijs vermindering (vordering III) stuiten hier op af. Dit betekent dat ook de gevorderde terugbetaling van teveel betaalde huur (vordering IV) niet kan worden toegewezen.
(…)”

3.Het geschil

bij verstek
3.1.
Sneeuwwitje vordert, na vermeerdering van eis, de ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.
3.2.
Bij voornoemd verstekvonnis heeft de kantonrechter de vordering van Sneeuwwitje Sneeuwwitje toegewezen.
in verzet:
3.3.
[opposant] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [opposant] zal ontheffen van de veroordeling om de woning te ontruimen, tegen haar uitgesproken bij verstekvonnis op 8 september 2025, met afwijzing van de oorspronkelijke vordering van Sneeuwwitje in al haar onderdelen en Sneeuwwitje zal veroordelen in de proceskosten.
3.4.
Sneeuwwitje voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [opposant] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooropgesteld wordt dat [opposant] tijdig en op de juiste manier verzet heeft ingesteld. Daarom zullen hierna de vorderingen van Sneeuwwitje opnieuw worden beoordeeld.
Ontruiming
4.2.
Sneeuwwitje vordert ontruiming van de woning. Deze vordering is toewijsbaar. Hierna zal worden toegelicht waarom.
4.3.
Niet in geschil is dat [opposant] vanaf 2022 de huur deels onbetaald heeft gelaten en dat zij in de periode vanaf 1 december 2024 tot en met in elk geval 30 juni 2025 in het geheel geen huur aan Sneeuwwitje heeft betaald. Daardoor is gerekend tot en met 30 juni 2025 een huurachterstand van in totaal € 5.747,83 ontstaan.
4.4.
[opposant] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een deel van de maandelijkse huurpenningen heeft opgeschort omdat zij meent dat het gehuurde ernstige gebreken heeft die een huurprijsvermindering rechtvaardigen. [opposant] heeft in dit verband eerder een procedure gevoerd bij de kantonrechter te Apeldoorn (zie hiervoor 2.4.). Bij vonnis van 20 maart 2024 heeft de kantonrechter, kort gezegd, geoordeeld dat er geen reden is om de huur (deels) niet te betalen omdat [opposant] de inspectie van het gehuurde en het herstel van de door de kantonrechter vastgestelde gebreken heeft verhinderd en het niet voltooien van de herstelwerkzaamheden niet aan Sneeuwwitje was te wijten. [opposant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Apeldoorn van 20 maart 2024. Bij arrest van 17 februari 2026 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bekrachtigd en is onder meer overwogen dat de gevorderde huurprijsvermindering wordt afgewezen omdat [opposant] Sneeuwwitje heeft verhinderd de door de kantonrechter vastgestelde gebreken te verhelpen (zie hiervoor 2.5.).
4.5.
Vooralsnog moet van de juistheid van het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden uitgegaan, ook al is het arrest van 17 februari 2026 nog niet onherroepelijk. In deze procedure moet er daarom van worden uitgegaan dat [opposant] geen vordering tot huurprijsvermindering heeft op Sneeuwwitje. [opposant] kan zich daarom niet met succes op opschorting beroepen. Dit brengt met zich dat [opposant] geen gegronde reden had om (een deel van) de huur niet te betalen en de (forse) huurachterstand ter hoogte van € 5.747,83 te laten ontstaan. Dit levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op.
4.6.
Het voorgaande maakt dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zullen worden toegewezen. De in dit kort geding door Sneeuwwitje gevorderde ontruiming van de woning is dan ook toewijsbaar.
4.7.
De vraag of Sneeuwwitje overlast heeft veroorzaakt kan in het midden blijven omdat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat de ontstane huurachterstand op zichzelf de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
4.8.
De door Sneeuwwitje gevorderde ontruimingskosten zijn niet toewijsbaar omdat nu nog niet vast staat dat deze kosten zullen worden gemaakt en zo dit het geval is, hoe hoog deze zullen zijn.
4.9.
De door Sneeuwwitje gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie is ook niet toewijsbaar. Op grond van artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een dergelijke machtiging overbodig.
Betaling huur
4.10.
[opposant] heeft niet betwist dat zij gerekend tot en met 30 juni 2025 een huurachterstand van € 5.747,83 heeft laten ontstaan. De vordering die strekt tot betaling van dit bedrag is daarom toewijsbaar. Dit geldt ook voor de niet betwiste wettelijke rente daarover. Opgemerkt wordt dat voor zover Sneeuwwitje de door [opposant] gestelde betaling van 3 oktober 2025 van € 2.300,00 heeft ontvangen, deze betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in mindering strekt op het door [opposant] te betalen bedrag.
4.11.
De gevorderde gebruiksvergoeding vanaf de maand juli 2025 tot aan de dag van de ontruiming van de woning is op grond van artikel 7:225 BW Pro eveneens toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
Sneeuwwitje maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. Sneeuwwitje heeft op 22 juli 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten in overeenstemming is met het tarief dat is weergegeven in het Besluit, is het gevorderde bedrag van € 536,83 (inclusief btw) toewijsbaar.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.13.
Ook de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring is toewijsbaar. Van Sneeuwwitje kan niet worden verlangd dat zij de woning nog langer aan [opposant] ter beschikking stelt. In hetgeen [opposant] aanvoert wordt geen aanleiding gezien anders te beslissen.
Verzet gegrond
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Sneeuwwitje terecht bij verstek is toegewezen. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
4.15.
[opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de verzetprocedure worden veroordeeld. Deze proceskosten worden vastgesteld op een bedrag van € 543,00 aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [opposant] af,
5.2.
veroordeelt [opposant] in de kosten van de verzetprocedure, tot op heden aan de zijde van Sneeuwwitje vastgesteld op € 543,00 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
lt