Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:211

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
05-052349-25 en 15-077451-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor vervoer van 712 kilo lachgas

Op 23 december 2024 werd verdachte staande gehouden op de Rijksweg A12 bij Arnhem vanwege een te zwaar beladen bestelbus. De verbalisanten openden de laadruimte op grond van de Wet wegvervoer goederen en troffen 712 kilogram lachgas aan, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Verdachte gaf een bekennende verklaring af tijdens de terechtzitting van 16 december 2025.

De verdediging voerde aan dat het openen van de laadklep onrechtmatig was en dat het bewijs daardoor uitgesloten moest worden. De rechtbank oordeelde echter dat de verbalisanten rechtmatig handelden op basis van concrete aanwijzingen en de Wet op de economische delicten. Het bewijs werd daarom toegelaten.

De rechtbank achtte het feit wettig en overtuigend bewezen en kwalificeerde het als opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Gezien de grote hoeveelheid lachgas, de gevaren voor de samenleving en het strafblad van verdachte, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar op, gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. Tevens werd een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf uit 2024 ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur voor het vervoeren van 712 kilo lachgas.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-052349-25 en 15-077451-24 (tul)
Datum uitspraak : 13 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2002 [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
raadsman: mr. L.L. Maassen, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 december 2024 te Arnhem opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 712 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat geen sprake is geweest van het onrechtmatig inspecteren van de lading van de bus. Gezien werd dat de bus te zwaar was beladen. Op basis daarvan is verdachte staande gehouden. De verbalisanten hebben de bus op basis van de Wet wegvervoer goederen geopend. De Wet wegvervoer goederen verwijst naar de Wegenverkeerswet, waaruit algemene kaders en specifieke regels voortvloeien ten aanzien van de bevoegdheid. De verbalisanten hadden volgens de officier van justitie wel een controlebevoegdheid en ook de bevoegdheid de lading te controleren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat het openen van de laadklep van de bestelbus onrechtmatig is geweest en dat het bewijs dat hieruit vergaard is, dient te worden uitgesloten. De bekennende verklaring van verdachte is niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring.
Beoordeling door de rechtbank
(on)rechtmatig verkregen bewijs
Door de verdediging is aangevoerd dat de verbalisanten onrechtmatig de lading van de bestelbus hebben gecontroleerd en dat daardoor het bewijs onrechtmatig is verkregen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Uit de processen-verbaal van bevindingen kan het volgende worden afgeleid.
Op 23 december 2024 reed de verbalisant op een opvallende dienstmotor op de Rijksweg A12 richting Apeldoorn en zag een bestelbus rijden die aan de achterzijde door de vering was gezakt. De verbalisant vermoedde hierdoor dat de bus te zwaar beladen was en heeft verdachte een volgteken gegeven. Het voertuig is staande gehouden bij de carpoolplaats Waterberg in Arnhem. De verbalisant vroeg – na het inzien van een geldig rijbewijs – aan de bestuurder wat hij vervoerde, waarop de bestuurder antwoordde dat hij dozen vervoerde maar dat het er niet toe deed wat er in zit. De verbalisant heeft daarop een extra eenheid gevraagd, omdat hij merkte dat de bestuurder erg zenuwachtig overkwam. [2]
De verbalisanten die later ter plaatse kwamen, zagen eveneens dat de bestelbus ter hoogte van de achterbanden veel lager lag dan bij de voorbanden. Verbalisant [verbalisant 1] stelde als aangewezen toezichthouder van de Wet wegvervoer en goederen aan verdachte wederom twee keer de vraag wat er achterin de bestelbus lag. Verdachte zei dat hij kartonnen dozen vervoerde. De verbalisant vroeg toestemming om in de laadruimte van de bestelbus te kijken. Verdachte gaf geen toestemming aan de verbalisanten. De verbalisanten hebben vervolgens op grond van de Wet wegvervoer goederen de achterdeuren van de bestelbus geopend. Zij zagen dat in de laadruimte van de bestelbus 20 kartonnen verpakkingen met daarin lachgasflessen lagen. Tevens stonden er twee gesealde pallets met daarop stickers met de gevarenclassificatie UN1070 ; 2 ; 5.1. en op de sealing van beide pallets zaten tevens stickers met het opschrift FASTWHIP PRODUCT 3.3L QUANTITY 168PCS. Hierop is verdachte op grond van de Opiumwet aangehouden. [3]
De rechtbank overweegt dat artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet op de economische delicten (WED) opsporingsambtenaren de bevoegdheid geeft om in het belang van de opsporing vervoermiddelen en hun lading te onderzoeken op naleving van voorschriften bedoeld in artikel 1 WED Pro. In artikel 1, aanhef en onder 4 WED wordt een aantal bepalingen van de Wet wegvervoer goederen genoemd als economische delicten. Naar het oordeel van de rechtbank waren er in dit geval concrete aanwijzingen dat de Wet wegverkeer goederen mogelijk niet werd nageleefd. Er was sprake van vervoer in een bestelbus, die volgens de bevindingen van de verbalisant door de vering was gezakt en te zwaar beladen leek. Verdachte gaf verder op de vraag wat hij vervoerde aan dat hij dozen vervoerde en het er niet toe deed wat er in zat. Het zonder toestemming openen van de laadklep van de bestelbus was vervolgens de enige mogelijkheid om te controleren hoe het met de lading was gesteld en of de wet werd overtreden. Zij zagen direct 20 verpakkingen met daarin lachgasflessen en twee gesealde pallets met daarop stickers met de naam van een lachgasleverancier erop. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verbalisanten rechtmatig gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 23 WED Pro. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Van een vormverzuim en in het verlengde daarvan onrechtmatig verkregen bewijs is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake en het bewijs mag dus worden gebezigd.
Uit onderzoek is gebleken dat er in de laadruimte van de bestelbus in totaal 356 flessen lachgas lagen met een inhoud van 2000 gram lachgas per fles. [4]
Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 december 2025 een bekennende verklaring afgelegd, waaruit bovendien zijn opzet blijkt. [5]
Conclusie
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van voornoemde bewijsmiddelen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks23 december 2024 te Arnhem opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad712 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat – mocht de rechtbank zijn rechtmatigheidsverweer niet volgen – het onherstelbare vormverzuim zwaar moet wegen bij de straftoemeting. Voorts verzoekt de raadsman om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De raadsman verzoekt om bij een veroordeling te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zonder aanvullende bijzondere voorwaarden. Tot slot merkt de raadsman nog op dat een gevangenisstraf of taakstraf de studie van verdachte kan belemmeren, nu hij bij een negatief studieadvies na het eerste jaar niet verder mag studeren en ook niet opnieuw mag beginnen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een zeer grote hoeveelheid lachgas. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid neemt de rechtbank aan dat de lachgasflessen bestemd waren voor de handel. De laatste jaren is sprake van toenemende problemen als gevolg van handel in en het gebruik van lachgas als recreatief roesmiddel. Zo leidt dit tot ernstige gezondheidsschade, tot milieuschade door dumpingen van het afval in de natuur en gaat de handel van lachgas gepaard met andere vormen van criminaliteit. Het vervoeren van lachgas draagt bij aan de instandhouding van deze problematiek. Daarnaast is het vervoeren van lachgas – zonder de hiervoor vereiste certificaten, een geschikt vervoermiddel en het opvolgen van de daaraan bij wet- en regelgeving gestelde eisen – zeer gevaarlijk. Zeker bij dit soort grote hoeveelheden. Verdachte heeft daarmee niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar ook medeweggebruikers.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, ook na het plegen van onderhavig feit. De rechtbank houdt daarom rekening met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 2 december 2025, waarin het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering benoemt ook dat aan verdachte een (recent gestart) toezicht en cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) is opgelegd in de rechtszaak van augustus 2025 en dat dit goed past bij het aanpakken van de risicofactoren. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke taakstraf. Zij acht een gevangenisstraf niet raadzaam nu verdachte al recent een gevangenisstraf heeft gehad én met een studie is begonnen. De reclassering acht deze studie één van de beschermende factoren.
De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. Gelet op de vervoerde hoeveelheid lachgas zou een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zijn. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse onvoorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 15-077451-24)

De politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem heeft verdachte op 23 september 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijdvan
drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 23 september 2024 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis (parketnummer 15-077451-24).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. J.M.E. Langen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 januari 2026.
mr. I.D. Jacobs is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024599958, gesloten op 25 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 (met fotobijlagen p. 9-11).
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 12-13.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15.
5.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 december 2025.