Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2118

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
455065
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:178 BWArt. 3:169 BWArt. 3:172 BWArt. 3:170 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van woning en gemeenschap van goederen tussen ex-echtgenoten na echtscheiding

Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, zijn in geschil over de verdeling van hun gezamenlijke woning en de financiële afwikkeling na hun echtscheiding. De woning is gezamenlijk eigendom en belast met hypotheken bij ABN Amrobank en [bedrijf 1] B.V., waarbij partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn.

De eiser vordert onder meer de verdeling van de woning, toedeling van inboedel, vergoeding van investeringen en betaling van gebruiksvergoeding en huuropbrengsten. De gedaagde vordert primair toedeling van de woning aan haar, afwikkeling van pensioenrechten via bindend advies, en verrekening van diverse vorderingen.

De rechtbank oordeelt dat de woning getaxeerd zal worden en dat de gedaagde het aandeel van de eiser kan overnemen binnen twee maanden, mits zij de hypotheekschulden aflost en de eiser wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien zij niet overneemt, zal de woning worden verkocht. De investeringen van de gedaagde in de woning worden deels toegewezen, terwijl vorderingen over inboedel en gebruiksvergoeding worden afgewezen. Alimentatieachterstanden worden verrekend bij de verdeling. De pensioenrechten dienen via bindend advies te worden geregeld.

De proceskosten worden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank gelast de verdeling van de woning met voorwaarden voor overname door de gedaagde en wijst deels vorderingen toe, terwijl andere worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/455065 / HZ ZA 25-207
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
advocaat: mr. E.A. Slappendel,
tegen
[naam gedaagde in conventie],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. B.P.G. Dijkers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025
- de akte houdende vermeerdering van eis van [eiser in conventie] van 26 januari 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn in 1990 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Uit het huwelijk is op [geboortedag] 1998 een zoon geboren.
2.2.
In de huwelijksvoorwaarden van partijen (productie 1 van [eiser in conventie] ) is, voor zover hier van belang, onder meer het volgend opgenomen:
“(…)
Algehele uitsluiting.
Artikel 1.
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
(…)
Kosten huishouding.
Artikel 5.
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, (…) worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.
(…)
Artikel 6.
1. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.
2. Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen één jaar na het einde van het betreffende jaar heeft plaatsgehad of schriftelijk gevorderd is.
(…)
Pensioenrechten.
Artikel 8.
1. Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraken gedurende het bestaan van het huwelijk (…)
2. Indien de echtgenoten omtrent het vorenstaande niet tot overeenstemming komen, zal een voor beide echtgenoten bindend advies gegeven worden door een verzekeringsdeskundige en een notaris die op verzoek van de eerstgerede der echtgenoten worden benoemd door de kantonrechter (…).
(…)”
In de aan de huwelijkse voorwaarden aangehechte staat van aanbrengsten is onder meer opgenomen dat door [eiser in conventie] zijn ingebracht: antieke klokken, bureaus, muziekinstrumenten, keukeninrichting en stereo-apparatuur.
2.3.
Tijdens het huwelijk hebben partijen gezamenlijk de woning met grond en bijgebouwen aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] (hierna: de woning) gekocht en op 31 juli 1998 overgedragen gekregen. Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.
2.4.
Op de woning rust een hypotheekrecht van de ABN Amrobank in verband met een aflossingsvrije geldlening van
f1.000.000,00 (€ 453.780,22) waarmee partijen de aankoop van de woning hebben gefinancierd en waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn (producties 5 en 14 van [eiser in conventie] ).
2.5.
In 2001 is op de woning een tweede hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), waarvan [eiser in conventie] bestuurder en enig aandeelhouder is, in verband met een geldlening aan partijen van € 112.183,20 (
f247.219,25). In de notariële akte schuldbekentenis met hypotheekstelling van 24 januari 2001 (productie 7 van [eiser in conventie] ) is opgenomen dat partijen op 1 januari 2001 van [bedrijf 1] voormeld bedrag ter leen hebben ontvangen, dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn en over dat bedrag 6% rente per jaar verschuldigd zijn, te voldoen in maandelijkse termijnen uiterlijk op de laatste dag van elke maand.
2.6.
Bij beschikking van 19 oktober 2009 van de rechtbank Zutphen (productie 2 van [gedaagde in conventie] ) is als voorlopige voorziening in het kader van de echtscheidingsprocedure onder meer beslist dat het uitsluitend gebruik van de woning met ingang van 1 december 2009 aan [gedaagde in conventie] wordt toegewezen.
2.7.
Bij beschikking van 16 juni 2010 van de rechtbank Zutphen is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (productie 2 van [eiser in conventie] ). Die beschikking is op 11 augustus 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (productie 3 van [eiser in conventie] ). In de beschikking is onder meer bepaald dat vanaf de dag waarop deze is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand [eiser in conventie] € 500,00 per maand aan [gedaagde in conventie] dient te betalen voor haar levensonderhoud en dat [gedaagde in conventie] bevoegd is gedurende zes maanden de bewoning van de woning voort te zetten met bepaling dat [eiser in conventie] de lasten van de woning zal voldoen. Daarnaast is bepaald dat [eiser in conventie] met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking € 276,00 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen aan [gedaagde in conventie] en met ingang van de dag dat de woning is overgedragen € 440,00 per maand. De door [gedaagde in conventie] verzochte partner- en kinderalimentatie is daarmee toegewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de verzochte bijdrage de behoefte van [gedaagde in conventie] ,
“ondanks het feit dat de man de lasten van de echtelijke woning voldoet”,zeker niet overstijgt. Over de draagkracht van [eiser in conventie] is overwogen dat hij zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om die bijdrage te kunnen voldoen, onvoldoende heeft onderbouwd.
In het hoger beroep tegen deze beschikking is door het gerechtshof met ingang van 1 december 2010 de partneralimentatie vastgesteld op € 242,00 per maand en over de periode van 11 augustus tot 1 december 2010 op nihil (productie 4 van [eiser in conventie] ). De kinderalimentatie is door het gerechtshof vastgesteld op € 79,00 per maand over de periode van 11 augustus tot 1 december 2010 en vanaf 1 december 2010 op € 276,00 per maand.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 oktober 2016 is de partneralimentatie op nihil gesteld.
2.8.
[gedaagde in conventie] is met de zoon van partijen in de woning blijven wonen.
2.9.
Omdat [eiser in conventie] niet aan zijn alimentatieverplichtingen jegens [gedaagde in conventie] voldeed, heeft [gedaagde in conventie] in 2011 het LBIO ingeschakeld om namens haar alimentatie bij [eiser in conventie] te innen (productie 5 van [gedaagde in conventie] ).
2.10.
Partijen hebben eind januari 2012 opdracht gegeven aan [bedrijf 3] te [vestigingsplaats] en de woning te koop aangeboden (productie 4 van [eiser in conventie] en productie 7 van [gedaagde in conventie] ). Dat heeft niet geleid tot verkoop van de woning. Op 20 april 2018 heeft [eiser in conventie] over de verkoop aan [bedrijf 3] gemaild:
“Stop daar maar mee. (…) Ik zoek andere oplossingen.”
2.11.
Op 13 januari 2026 heeft het LBIO opgave gedaan van het saldo van de nog openstaande alimentatievordering van [gedaagde in conventie] op [eiser in conventie] , € 15.548,67 (productie 32 van [eiser in conventie] )

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conventie] vordert na wijziging eis om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap te gelasten, bestaande uit de woning met bijbehorende grond en bijgebouwen genaamd “ [naam] ”, staande en gelegen aan [adres] , ex artikel 3:178 jo Pro 3:174 BW door te bepalen:
- dat binnen twee weken na afgifte van dit vonnis de woning wordt getaxeerd door [makelaar] , althans een nader door de rechtbank aan te wijzen makelaar;
- dat [gedaagde in conventie] de woning, althans het aandeel van [eiser in conventie] daarin, uiterlijk binnen twee maanden na afgifte van dit vonnis, zal overnemen, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij ABN Amrobank en de hypothecaire geldlening bij [bedrijf 1] B.V. door [gedaagde in conventie] is afgelost en [gedaagde in conventie] te veroordelen om aan [eiser in conventie] te voldoen de helft van het verschil tussen de getaxeerde waarde en de stand van de hypothecaire geldleningen per datum feitelijke levering van het aandeel van [eiser in conventie] in de woning aan [gedaagde in conventie] ;
- dat de kosten van de taxatie voor rekening van beide partijen ieder voor gelijke delen zal komen;
- dat de met de overdracht en levering verbonden kosten voor rekening van [gedaagde in conventie] zullen komen;
- dat, indien [gedaagde in conventie] niet in staat is om binnen twee maanden na afgifte van het vonnis de beoogde financiering ter overname van de woning te verkrijgen, dan wel [eiser in conventie] niet kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldleningen, de woning binnen drie weken in de verkoop zal worden geplaatst;
- dat partijen binnen de gestelde drie weken gezamenlijk aan een door de rechtbank aan te wijzen makelaar opdracht moeten geven tot verkoop van de woning tegen een door partijen overeen te komen koopprijs;
- dat [eiser in conventie] vervangende toestemming wordt verleend om mede namens [gedaagde in conventie] de verkoopopdracht te ondertekenen, indien partijen niet binnen de gestelde termijn van drie weken gezamenlijk voornoemde makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop met bepaling dat dit vonnis de handtekening van [gedaagde in conventie] vervangt;
- dat, indien partijen niet binnen één week na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk een vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt en partijen daaraan gebonden zijn;
- dat wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen ieder afzonderlijk aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen, waarna de makelaar de verkoopprijs bindend vaststelt en partijen daaraan gebonden zijn;
- dat partijen hun medewerking verlenen aan de ondertekening van de koopovereenkomst;
- dat [eiser in conventie] vervangende toestemming wordt verleend om mede namens [gedaagde in conventie] de koopovereenkomst (al dan niet onder de gebruikelijke opschortende en/of ontbindende voorwaarden) van de woning te ondertekenen en dat dit vonnis de handtekening van [gedaagde in conventie] vervangt;
- dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;
- dat indien [gedaagde in conventie] daaraan haar toestemming niet onverwijld verleent, aan [eiser in conventie] vervangende toestemming wordt verleend om mede namens [gedaagde in conventie] de notariële akte van levering van de woning te ondertekenen dan wel te bepalen dat dit vonnis de handtekening van [gedaagde in conventie] vervangt;
- dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake van de verkoop en de levering te dragen en dat deze kosten bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
- dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
- dat de netto-verkoopopbrengst van de woning tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
- dat [eiser in conventie] vervangende toestemming wordt verleend om mede namens [gedaagde in conventie] overige handelingen te verrichten die voor de verkoop van de woning aan derden noodzakelijk zijn, onder andere elke prijsaanpassing die de makelaar geraden acht;
[gedaagde in conventie] te gelasten haar medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen die redelijkerwijs nodig zijn om tot een zo hoog mogelijke verkoopprijs van de woning te komen, waaronder in ieder geval:
- het opvolgen van de aanwijzingen van de makelaar;
- het verschaffen van toegang tot de woning aan de makelaar met potentiële kopers;
- het ordelijk en schoon houden van de woning;
- het netjes houden van de tuin;
- niet aanwezig te zijn op het moment dat de makelaar met potentiële kopers op het perceel is;
- het zich onthouden van welke handeling dan ook die de verkoop van de woning belemmert/verslechtert, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat zij haar medewerking onthoudt aan vermelde feitelijke handelingen die nodig zijn voor de verkoop van de woning;
[gedaagde in conventie] te veroordelen, indien zij niet meewerkt aan de feitelijke handelingen tot verkoop van de woning zoals voornoemd binnen zestig dagen na betekening van dit vonnis, de woning te ontruimen en de woning onder afgifte van de sleutels ter beschikking van de makelaar te stellen alsmede [gedaagde in conventie] de toegang tot de woning te ontzeggen, zulks met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van de ontruiming;
II. de verdeling te gelasten van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit de inboedelgoederen die zich bevinden in [naam] ex artikel 3:178 jo Pro 3:174 BW door:
toedeling van de goederen aan [gedaagde in conventie] onder vergoeding van de helft van de waarde van die goederen, die door [eiser in conventie] wordt gesteld op (€ 20.000,00 : 2 =) € 10.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
III. [gedaagde in conventie] te veroordelen om aan [eiser in conventie] af te geven de navolgende aan hem in eigendom toebehorende zaken:
- muziekinstrumenten;
- tuinmeubels;
- keukeninrichting;
- stereo-apparatuur;
IV.
primair: te bepalen dat de woon- en eigenaarslasten van de woning vanaf 11 februari 2012 volledig voor rekening van [gedaagde in conventie] komen, zulks onder uitsluiting van [eiser in conventie] , en tevens [gedaagde in conventie] te veroordelen om de reeds door [eiser in conventie] betaalde kosten ad € 200.000,00 aan hem te voldoen, uit hoofde van regres dan wel ongerechtvaardigde verrijking, alsmede te bepalen dat [gedaagde in conventie] dat bedrag binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser in conventie] dient te voldoen, bij gebreke waarvan zij over het niet betaalde bedrag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn aan [eiser in conventie] ;
subsidiair: te bepalen dat [gedaagde in conventie] een gebruiksvergoeding aan [eiser in conventie] verschuldigd is die gelijk is aan het aandeel van [eiser in conventie] in de (werkelijke) woon- en eigenaarslasten voor de periode vanaf 11 februari 2012 tot de eigendomsoverdracht van de woning aan [gedaagde in conventie] respectievelijk derden voor het geval [gedaagde in conventie] niet in staat is de woning over te nemen;
V. [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling aan [eiser in conventie] van de helft van de huuropbrengsten, welk bedrag door [eiser in conventie] is begroot op € 300.000,00, althans op een door de rechtbank vast te stellen bedrag, dan wel [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling van de huuropbrengsten die zij heeft ontvangen en nog zal ontvangen vanaf 1 januari 2015 tot de datum waarop het aandeel van [eiser in conventie] in de woning wordt geleverd aan [gedaagde in conventie] of derden, alsmede te bepalen dat [gedaagde in conventie] het te betalen bedrag binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser in conventie] dient te voldoen en de toekomstig huuropbrengsten telkens binnen veertien dagen na afloop van de verhuurperiode, bij gebreke waarvan [gedaagde in conventie] over het niet betaalde bedrag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.
VI. te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] vanuit zijn privévermogen € 71.688,04 heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning, zodat aan hem toekomt een vergoedingsrecht ten laste van [gedaagde in conventie] van € 35.844,02, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, onder gelijktijdige bepaling dat het vergoedingsrecht bij voorrang wordt voldaan vanuit (het aandeel van [gedaagde in conventie] in) de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning.
3.2.
[gedaagde in conventie] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 4 september 2023, althans een door de rechtbank te bepalen datum en voor zover het de nakosten betreft, met ingang van de zestiende dag na dit vonnis, tot de dag van algehele voldoening.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde in conventie] vordert na wijziging eis om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
PRIMAIR
I. De woning, staande en gelegen aan het adres [adres] toe te delen aan [gedaagde in conventie] tegen een waarde dusdanig, dat de huwelijkse voorwaarden van partijen worden geacht geheel te zijn afgewikkeld en partijen uit dien hoofde over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, en elkaar per saldo dus over en weer geen vergoeding zijn verschuldigd onder gelijktijdige bepaling dat toedeling aan [gedaagde in conventie] geschiedt via reële executie en wel door te bepalen dat dit vonnis ex art. 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van dat deel van de op te stellen notariële akte van levering, te weten dat deel van de notariële akte dat ziet op de vereiste wilsverklaring van [eiser in conventie] dat deze dezelfde kracht heeft als de handtekening (en parafen) onder en in die notariële akte van levering;
II. Te bepalen dat partijen de kosten van de notaris gezamenlijk moeten dragen, ieder de exacte helft, dan wel een door de rechtbank te bepalen draagplicht danwel;
SUBSIDIAIR
Met betrekking tot de woning
De wijze van verdeling van de woning te gelasten aldus dat de woning dient te worden verkocht en [gedaagde in conventie] vervangende toestemming te verlenen:
a. a) de woning te verkopen aan een derde door tussenkomst van [bedrijf 3] dan wel een door [gedaagde in conventie] – dan wel een door de rechtbank – te bepalen andere NVM-makelaar zonder dat voor het verstrekken van die opdracht tot verkoop c.q. tot het verkopen van de woning nog feitelijke medewerking van [eiser in conventie] is vereist, en wel door daartoe te bepalen dat dit vonnis ex art. 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van die delen van de op te stellen overeenkomst van opdracht c.q. de koopovereenkomst die zien op de vereiste wilsverklaring van [eiser in conventie] en dat dit dezelfde kracht heeft als zijn handtekening (en zijn paraaf) onder en in die overeenkomst van opdracht c.q. de koopovereenkomst;
b) de verkochte woning zonder dat daarvoor nog feitelijke medewerking van [eiser in conventie] is vereist aan de koper(s) te doen leveren door te bepalen dat dit vonnis ex art. 3:300 BW Pro in de plaats treedt van die delen van de notariële akte van levering die zien op de vereiste wilsverklaringen van [eiser in conventie] en eenzelfde kracht heeft als zijn handtekening (en zijn paraaf) onder en in die notariële akte van levering;
Met betrekking tot de vergoedingsrechten (A. t/m I.) van de vrouw
II. Te bepalen dat (primair) [gedaagde in conventie] is gerechtigd tot ontvangst van alle door haar met privévermogen in de woning geïnvesteerde bedragen ten bedrage van € 390.982,53, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 4 september 2023 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en datum, aldus, door te bepalen dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd alle haar toekomende bedragen te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning alvorens een eventueel alsdan nog resterende overwaarde te verrekenen met [eiser in conventie] , danwel (subsidiair) een door de rechtbank te bepalen andere wijze;
Met betrekking tot de vordering m.b.t. makelaar [bedrijf 3]
III. Te bepalen (primair) dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd tot ontvangst van € 1.812,00, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 4 september 2023 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en datum aldus, door te bepalen dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd dit bedrag te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning alvorens een eventueel alsdan nog resterende overwaarde te verrekenen met [eiser in conventie] , dan wel (subsidiair) [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van € 906,00, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 4 september 2023, dan wel (meer subsidiair) een door de rechtbank te bepalen bedrag en datum onder gelijktijdige bepaling dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd die betaling te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning;
Met betrekking tot de vordering m.b.t. partner- en kinderalimentatie
IV. [eiser in conventie] (primair) te veroordelen tot betaling van € 29.326,75, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 4 september 2023 dan wel (subsidiair) een door de rechtbank te bepalen bedrag en datum onder gelijktijdige bepaling dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd dit bedrag te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning, en
Met betrekking tot rechten van ouderdomspensioen
V. [eiser in conventie] in privé te veroordelen om het ertoe te leiden (om ervoor zorg te dragen) dat hij in zijn hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 1] binnen drie maanden na betekening van dit vonnis ervoor heeft zorggedragen dat [bedrijf 1] het aandeel van [gedaagde in conventie] in de in [bedrijf 1] opgebouwde pensioenrechten, te weten € 200.000,00 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag heeft afgestort bij een (a) door [gedaagde in conventie] aan te wijzen externe pensioenverzekeraar, dan wel (b) op een door haar aan te wijzen bankspaarrekening ten name van haar, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag of dagdeel dat [eiser in conventie] binnen drie maanden na betekening van dit vonnis niet of niet volledig tot die afstorting is overgaan, zulks met een maximum van€ 50.000,00, onder gelijktijdige bepaling dat [gedaagde in conventie] is gerechtigd alle verbeurde dwangsommen te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning;
Met betrekking tot het huisraad
VI. Te verklaren voor recht dat partijen zijn overgegaan tot een allesomvattende verdeling van de huisraad aldus, dat alle zaken die zich ook nog thans bevinden in de woning van partijen te [woonplaats] worden geacht te zijn toegedeeld aan [gedaagde in conventie] en alle in het bezit van [eiser in conventie] zijnde zaken worden geacht aan hem te zijn toegedeeld, zonder dat partijen ter zake van die verdeling over en weer nog iets van elkaar te vorderen hebben;
Met betrekking tot de vorderingen van de man
VII. Te bepalen dat, indien en voor zover de rechtbank een of meer vorderingen van [eiser in conventie] zal toewijzen, [gedaagde in conventie] is gerechtigd haar betalingsverplichtingen uit dien hoofde te verrekenen met de betalingsachterstand van [eiser in conventie] ter zake van partneralimentatie, daarna met al hetgeen zij rechtens van [eiser in conventie] heeft te vorderen krachtens dit vonnis, daarna met de – [gedaagde in conventie] toekomende – overwaarde uit hoofde van verkoop van de woning;
Ter zake van de proceskosten en de nakosten
VIII. [eiser in conventie] te veroordelen aan [gedaagde in conventie] de proceskosten te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 4 september 2023, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, en zulks tot aan de dag der algehele voldoening, alsook [eiser in conventie] te veroordelen in de nakosten, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de zestiende dag na dit vonnis, en wel tot aan de dag der algehele voldoening.
3.5.
[eiser in conventie] voert verweer. [eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Niet in geschil is dat tussen partijen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat. Partijen willen beiden tot verdeling van de gemeenschap overgaan, maar zijn verdeeld over de wijze waarop de verdeling kan worden bewerkstelligd. Daarbij zijn zij verdeeld over vorderingen die zij over en weer op elkaar stellen te hebben. De rechtbank overweegt als volgt over de afzonderlijke geschilpunten.
De woning
4.3.
Vast staat dat partijen samen eigenaar van de woning zijn, ieder voor de helft. [gedaagde in conventie] wil het aandeel van [eiser in conventie] in de woning overnemen, zodat de woning (geheel) aan haar kan worden toebedeeld indien zij kan bewerkstelligen dat [eiser in conventie] wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypotheekschulden. Ter zitting zijn partijen in dit kader het volgende met elkaar overeengekomen:
De woning wordt getaxeerd door [makelaar] . De opdracht moet binnen 2 weken na de datum van dit vonnis door partijen gezamenlijk worden verstrekt.
Taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen. Partijen lopen met de taxateur door de woning en zeggen toe op geen enkele manier met elkaar in discussie te zullen treden en ook niet met de taxateur. Direct na afloop van de taxatie zal [eiser in conventie] de woning meteen verlaten, gelijktijdig met de taxateur. Partijen mogen uitsluitend schriftelijk met de makelaar communiceren onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de ander (middels CC).
Als de woning wordt overgenomen door [gedaagde in conventie] , komen de taxatiekosten voor rekening van [gedaagde in conventie] .
Als de woning niet door [gedaagde in conventie] kan worden overgenomen, komen de taxatiekosten ten laste van beiden partijen.
[gedaagde in conventie] is gerechtigd de taxatiekosten voor de helft te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning.
Als [gedaagde in conventie] aangeeft de woning te kunnen overnemen, wordt deze binnen 2 maanden aan haar geleverd. In dat geval heeft zij de keuze van de notaris.
Indien niet aan het onder 5 genoemde wordt voldaan, wordt de woning verkocht via [makelaar] .
Toegezegd is dat de DVD’s die [gedaagde in conventie] heeft en waarop [eiser in conventie] staat zullen worden verstrekt binnen 2 weken na heden (16 januari 2026).
De rechtbank zal deze afspraken overnemen in haar beslissing. Omdat partijen deze afspraken over de verdeling van de woning ter zitting hebben gemaakt en er geen aanleiding is om aan te nemen dat [gedaagde in conventie] niet zal meewerken indien de woning aan een derde dient te worden verkocht en overgedragen, zal de rechtbank de vorderingen van [eiser in conventie] om [gedaagde in conventie] een dwangsom op te leggen en haar te veroordelen tot ontruiming afwijzen.
Hypotheekschulden
4.4.
Vast staat dat op de woning een hypotheek rust van de ABN Amrobank in verband met een lening die partijen zijn aangegaan om de koop van de woning te financieren. In de door [eiser in conventie] als productie 14 overgelegde afrekening van de notaris staat dat de hoofdsom
f1.000.000,00 (€ 453.780,00) bedroeg. Partijen gaan er beiden van uit dat de restantvordering van de ABN Amrobank nog steeds (ongeveer) € 453.780,00 bedraagt. Deze hypotheekschuld maakt, net als de woning, deel uit van de gemeenschap tussen partijen en partijen zijn in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig voor die schuld.
4.5.
Eveneens staat vast dat op de woning een hypotheek rust van [bedrijf 1] . [eiser in conventie] stelt dat [bedrijf 1] in totaal
f247.219,25 (€ 112.183,20) aan partijen heeft geleend in verband met de aanbouw van paardenstallen bij de woning en dat die lening nadien nog is verhoogd tot € 200.000,00. [gedaagde in conventie] stelt zich op het standpunt dat in de notariële akte van 24 januari 2001 weliswaar staat dat een bedrag van
f247.219,25 ter leen is ontvangen, maar dat [bedrijf 1] dit bedrag nooit aan partijen heeft verstrekt en dat het uitsluitend een fiscale constructie was in het belang van [eiser in conventie] . Omdat in de notariële akte schuldbekentenis met hypotheekstelling (productie 7 van [eiser in conventie] ) – een authentieke akte die op grond van artikel 157 Rv Pro in beginsel dwingend bewijs oplevert – staat dat partijen het bedrag van
f247.219,25 hebben ontvangen en [gedaagde in conventie] ter zitting heeft erkend dat zij heeft getekend voor de hypotheekschuld van € 112.000,00, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van die schuld van partijen aan [bedrijf 1] , dat zij daar beiden aansprakelijk voor zijn en in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor die schuld. [eiser in conventie] stelt dat de schuld van € 112.000,00 nadien is verhoogd tot € 200.000,00. Ter onderbouwing heeft hij de jaarcijfers van [bedrijf 1] over 2016 overgelegd. [gedaagde in conventie] betwist die verhoging. [eiser in conventie] heeft na die betwisting niet onderbouwd dat [gedaagde in conventie] heeft ingestemd met de verhoging. Uit de jaarcijfers van [bedrijf 1] blijkt niet van die instemming. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat voor de verdeling rekening dient te worden gehouden met een hypotheekschuld aan [bedrijf 1] B.V. van € 112.183,20
4.6.
Omdat ervan uitgegaan kan worden dat sprake is van overwaarde in de woning betekent het voorgaande in beginsel het volgende. In geval van toedeling van de woning aan [gedaagde in conventie] , dient [gedaagde in conventie] te bewerkstelligen dat zij de hypotheekschulden bij de ABN Amro en de hypotheekschuld van € 112.183,20 bij [bedrijf 1] aflost of overneemt, waarbij [eiser in conventie] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor die schulden wordt ontslagen en aan hem de helft van de getaxeerde waarde in de woning minus de helft van die hypotheekschulden (de overwaarde) toekomt. In geval van verkoop van de woning aan een derde komt partijen ieder de helft van de overwaarde toe.
Roerende zaken
4.7.
[eiser in conventie] vordert toedeling van de gezamenlijke inboedel aan [gedaagde in conventie] onder vergoeding van de helft van de waarde (zijnde € 20.000,00 : 2 = € 10.000,00) aan hem. Daarnaast vordert [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie] wordt veroordeeld een aantal specifiek genoemde roerende zaken aan hem terug te geven die eigendom van hem zijn.
[gedaagde in conventie] voert als verweer aan dat [eiser in conventie] diverse zaken (zoals de muziekinstrumenten) heeft meegenomen toen hij de woning in 2010 verliet en dat hij nadien nooit kenbaar heeft gemaakt dat hij nog spullen wilde ontvangen. Zij stelt dat zij er daardoor gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hetgeen was achtergebleven aan haar was toebedeeld. Die zaken zijn grotendeels niet meer aanwezig en, voor zover die nog wel aanwezig zijn, zijn ze door tijdsverloop en gebruik afgeschreven. Dat laatste geldt eveneens voor de zaken die onder de werking van de huwelijksvoorwaarden vallen, aldus [gedaagde in conventie] .
4.8.
Vast staat dat [eiser in conventie] de woning in 2010 heeft verlaten. Dat betekent dat de vordering van [eiser in conventie] om de helft van de inboedelgoederen vergoed te krijgen betrekking heeft op spullen die inmiddels tenminste 16 jaar oud zijn. Voor roerende zaken geldt over het algemeen dat die na verloop van zo’n periode zijn afgeschreven, met uitzondering van zaken van bijzondere aard (gelet op exclusiviteit en/of waardevastheid). [eiser in conventie] heeft na betwisting door [gedaagde in conventie] de waarde van de inboedelzaken niet onderbouwd en evenmin gesteld dat het bijzondere (exclusieve, waardevaste) zaken zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat die zaken door afschrijving niets meer waard zijn en zal de vordering onder II afwijzen.
Voor de zaken waarvan [eiser in conventie] afgifte vordert is van belang dat die zaken – die in de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden zijn genoemd als door [eiser in conventie] aangebrachte en dus aan hem toebehorende zaken – minimaal 35 jaar oud zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde in conventie] zich terecht op het standpunt gesteld dat zij vanwege de ouderdom van die zaken en het tijdsverloop van 16 jaar, waarin [eiser in conventie] kennelijk niet om die afgifte heeft gevraagd, er gerechtvaardigd van mocht uitgaan dat [eiser in conventie] die zaken niet meer wilde hebben en dat die waren afgeschreven. Het valt haar daarom niet te verwijten dat die zaken niet meer in de woning zijn. Wat [gedaagde in conventie] niet heeft, kan zij ook niet afgeven. Het onder III door [eiser in conventie] gevorderde is daarom evenmin toewijsbaar, met dien verstande dat partijen op de zitting met elkaar hebben afgesproken dat [gedaagde in conventie] de DVD’s die zij heeft en waarop [eiser in conventie] staat, binnen twee weken na de zitting aan hem zal toesturen. Daarmee is de inboedel verdeeld. Het onder VI door [gedaagde in conventie] gevorderde – een verklaring voor recht dat partijen tot een allesomvattende verdeling van de huisraad zijn gekomen en partijen over en weer niets meer van elkaar te vordering hebben – zal daarom worden toegewezen.
Woon- en eigenaarslasten
4.9.
[eiser in conventie] vordert primair te bepalen dat de lasten van de woning met ingang van 11 februari 2012 geheel voor rekening van [gedaagde in conventie] komen en veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van de door hem voldane kosten (€ 200.000,00). [eiser in conventie] legt daaraan ten grondslag dat hij een regresvordering op [gedaagde in conventie] heeft op grond van artikel 3:172 BW Pro omdat [gedaagde in conventie] vanaf 11 februari 2012 het exclusieve gebruik van de woning heeft. Daarnaast doet [eiser in conventie] een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Subsidiair vordert [eiser in conventie] te bepalen dat [gedaagde in conventie] genoemd bedrag aan hem verschuldigd is als gebruiksvergoeding.
[gedaagde in conventie] voert als verweer onder meer aan dat de rechtbank [eiser in conventie] heeft veroordeeld om de woonlasten te betalen en daarmee ook rekening heeft gehouden bij de vaststelling van de draagkracht voor de alimentatie. Bovendien heeft [eiser in conventie] nooit (in rechte) om een gebruiksvergoeding verzocht. [gedaagde in conventie] stelt overigens dat [eiser in conventie] de woonlasten nooit heeft voldaan, maar dat zij die vanaf augustus 2010 voor haar rekening heeft genomen. De vordering is daarom niet toewijsbaar volgens [gedaagde in conventie] . [gedaagde in conventie] betwist bovendien dat [eiser in conventie] na de echtscheiding nog woonlasten heeft voldaan.
4.10.
[eiser in conventie] heeft ter onderbouwing van zijn vordering in zijn akte van 28 juli 2025 in randnummers 84 en 85 overzichten gemaakt van bedragen die hij stelt te hebben voldaan, dan wel voor zijn rekening zullen komen. Het betreft ten eerste een rentebedrag van € 7.878,00 dat hij in 2010 aan de ABN Amro heeft voldaan, ten tweede een rentebedrag van € 48.000,00 dat hij over 2010 tot en met 2013 aan [bedrijf 1] heeft voldaan en ten derde een bedrag van € 5.753,40 dat hij in verband met het eigenwoningforfait over de jaren 2010 tot en met 2016 heeft betaald. Daarnaast stelt [eiser in conventie] dat na 2013 geen rente meer is voldaan aan [bedrijf 1] , maar dat die wel verschuldigd is en ten laste van hem persoonlijk zal worden gebracht in zijn rekeningcourantverhouding.
4.11.
Uitgangspunt is dat partijen tot 11 augustus 2010 gehuwd waren. Dat betekent dat tot dat moment op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de huwelijksvoorwaarden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dienden te worden voldaan uit de netto-inkomsten van partijen naar evenredigheid daarvan. [gedaagde in conventie] heeft onbetwist gesteld dat zij in 2010 geen inkomen had, zodat [eiser in conventie] tot 11 augustus 2010 draagplichtig was voor de woonlasten. In de echtscheidingsbeschikking is vervolgens bepaald dat [eiser in conventie] voor de periode van zes maanden vanaf de datum van inschrijving van die beschikking de lasten van de woning diende te voldoen. Het bedrag van € 7.878,00 dat [eiser in conventie] in 2010 heeft betaald diende dus voor zijn rekening te komen en kan [eiser in conventie] niet van [gedaagde in conventie] vorderen.
4.12.
Voor de periode vanaf 11 februari 2011 geldt dat in de echtscheidingsbeschikking bij de berekening van de door [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] te betalen alimentatie het uitgangspunt is geweest dat [eiser in conventie] de woonlasten voor zijn rekening zou nemen. Dat blijkt uit hetgeen in de beschikking van 16 juni 2010 is overwogen over de behoefte van [gedaagde in conventie] en de draagkracht van [eiser in conventie] . Op basis daarvan is beslist over de hoogte van de kinderalimentatie (€ 276,00 per maand tot aan de datum van overdracht van de echtelijke woning en daarna € 440,00 per maand). Kennelijk is tegen die beschikking hoger beroep ingesteld, waarna de bedragen zijn bijgesteld. Niet gesteld of gebleken is echter dat het gerechtshof bij de berekening het uitgangspunt dat [eiser in conventie] de woonlasten voldoet heeft losgelaten.
4.13.
Het voorgaande brengt met zich dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering van [eiser in conventie] met betrekking tot woonlasten die hij stelt te hebben betaald. Het beroep van [eiser in conventie] op ongerechtvaardigde verrijking kan niet slagen. Op grond van artikel 6:212 BW Pro is daarvan slechts sprake indien er geen redelijke grond is voor verrijking. Voor zover is aan te nemen dat [gedaagde in conventie] is verrijkt doordat [eiser in conventie] woonlasten heeft betaald, is die verrijking niet zonder grond gebeurd nu uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat het uitgangspunt was dat [eiser in conventie] de woonlasten zou betalen en op basis daarvan de alimentatie is berekend. Van belang is verder dat [eiser in conventie] niet heeft gesteld dat hij na 2010 nog rente aan de ABN Amro heeft betaald. Omdat [gedaagde in conventie] stelt dat zij die kosten wél heeft betaald en niet is gebleken van een betalingsachterstand bij de ABN Amro, gaat de rechtbank daarvan uit. Anders dan [eiser in conventie] ter zitting heeft gesteld is er geen aanleiding om aan te nemen dat de kosten in verband met eigenwoningforfait niet onder de woonlasten zouden vallen.
Het primair door [eiser in conventie] onder IV gevorderde zal op grond van het voorgaande worden afgewezen. Voor toewijzing van de subsidiair onder IV gevorderde gebruiksvergoeding is evenmin aanleiding. In geval van uitsluitend gebruik van een gemeenschappelijk goed kan (mede gelet op het bepaalde in artikel 3:169 BW Pro) op grond van redelijkheid en billijkheid worden bepaald dat de gebruiker een vergoeding verschuldigd is aan de andere deelgenoot. Nu [gedaagde in conventie] kennelijk de maandelijkse kosten aan de ABN Amro voldoet, valt niet in te zien waarom zij [eiser in conventie] een gebruiksvergoeding zou moeten betalen.
Huuropbrengsten
4.14.
[eiser in conventie] stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op de helft van de huuropbrengsten die [gedaagde in conventie] de afgelopen jaren heeft ontvangen met exploitatie van de woning (onder meer) als bed&breakfast. [eiser in conventie] heeft aan deze vordering de artikelen 3:172 en 6:212 BW ten grondslag gelegd en daarnaast een beroep op artikel 6:162 BW Pro gedaan omdat [gedaagde in conventie] zonder zijn toestemming (een deel van) de aan hem in eigendom toebehorende woning heeft geëxploiteerd. [eiser in conventie] stelt dat [gedaagde in conventie] daardoor onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.
[gedaagde in conventie] erkent dat zij met ingang van 2014 opbrengsten heeft gehad uit de exploitatie van de woning. Zij stelt die beperkte opbrengsten hard nodig te hebben gehad voor het noodzakelijke onderhoud van de woning omdat [eiser in conventie] niets betaalde en evenmin voldeed aan zijn alimentatieverplichtingen en zij verder weinig inkomsten had. Zij betwist (persoonlijk) te zijn verrijkt door die inkomsten omdat zij daarmee heeft gezorgd voor behoud (van de waarde) van de (gemeenschappelijke) woning.
4.15.
Van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) is sprake indien de een is verrijkt ten koste van een ander. Vereist is dat tegenover de verrijking van de ene partij verarming van de ander staat. Gesteld noch gebleken is dat [eiser in conventie] is verarmd door de exploitatie van de woning door [gedaagde in conventie] , zodat het beroep op ongerechtvaardigde verrijking niet kan slagen. Dat geldt te meer nu [gedaagde in conventie] (met facturen) onderbouwd heeft gesteld dat zij het onderhoud van de woning uit de opbrengsten heeft betaald. Voor zover zij al is verrijkt, is [eiser in conventie] in gelijke mate verrijkt doordat de opbrengsten in de gemeenschappelijke woning zijn gestoken. Het beroep van [eiser in conventie] op artikel 3:172 BW Pro slaagt evenmin. Doordat de opbrengsten zijn besteed aan het onderhoud van de woning en dus ten behoeve van de woning zijn gekomen, deelt [eiser in conventie] naar evenredigheid in het voordeel van de exploitatie.
Het beroep van [eiser in conventie] op onrechtmatige daad kan hem evenmin baten. [gedaagde in conventie] had het recht de woning te gebruiken. Niet gebleken is dat [eiser in conventie] ooit bezwaren heeft gemaakt tegen de wijze waarop zij de woning gebruikte en exploiteerde. Niet valt in te zien dat [gedaagde in conventie] onrechtmatig jegens [eiser in conventie] handelde door de woning te exploiteren. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [eiser in conventie] ten gevolge van die exploitatie schade heeft geleden. Hij heeft juist geprofiteerd van de exploitatie doordat de opbrengst van de exploitatie aan het onderhoud van de woning is besteed en hem dus (mede) ten goede komt.
4.16.
Omdat er geen grond is om [gedaagde in conventie] te veroordelen de helft van de opbrengsten van de woning aan [eiser in conventie] te voldoen, is het onder V door [eiser in conventie] gevorderde niet toewijsbaar.
Kosten van investeringen in de woning
4.17.
[eiser in conventie] vordert voor recht te verklaren dat hij € 71.688,04 heeft geïnvesteerd in de woning, zodat hij recht heeft op vergoeding door [gedaagde in conventie] van de helft van dat bedrag.
[gedaagde in conventie] vordert te bepalen dat zij gerechtigd is tot ontvangst van door haar uit haar privévermogen in de woning geïnvesteerde bedragen van in totaal € 390.982,53. Zij stelt daartoe dat zij € 272.268 heeft ingebracht bij aankoop van de woning (onderbouwd met productie 1 van [gedaagde in conventie] ) en een bedrag van € 74.873,74 (onderbouwd met productie 21 van [gedaagde in conventie] ). Daarnaast stelt zij een totaalbedrag van € 42.028,79 dat [gedaagde in conventie] aan onderhoud van de woning te hebben betaald (producties A tot en met H van [gedaagde in conventie] ).
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde in conventie] voldoende onderbouwd dat zij het bedrag van € 272.268,00 (
f600.000,00) in de woning heeft geïnvesteerd. Uit productie 1 van [gedaagde in conventie] blijkt dat zij dat bedrag op 30 juli 1998 – één dag voor de overdracht van de woning aan partijen – van haar persoonlijke rekening heeft overgemaakt aan de en/of-rekening van partijen. [eiser in conventie] betwist ook niet dat [gedaagde in conventie] dat bedrag van haar eigen rekening heeft overgemaakt om de woning (deels) te financieren, maar volgens hem is de rekening van [gedaagde in conventie] mede door hem “gevoed”. [gedaagde in conventie] betwist die stelling van [eiser in conventie] en namens [eiser in conventie] is ter zitting verklaard dat hij niet kan bewijzen dat hij bedragen heeft overgemaakt naar de rekening van [gedaagde in conventie] . Daardoor staat vast dat [gedaagde in conventie] € 272.268,00 van haar rekening heeft betaald bij aankoop van de woning maar is niet gebleken van een – daaraan voorafgaande – betaling door [eiser in conventie] op de rekening van [gedaagde in conventie] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat [gedaagde in conventie] uit haar vermogen € 272.268,00 heeft gefinancierd bij aankoop van de woning en dat zij in verband daarmee recht heeft op een vergoeding van [eiser in conventie] . Die vergoeding bedraagt evenwel slechts de helft van dat bedrag (€ 136.134,00) omdat zij door inbreng van het bedrag in de gemeenschap – waartoe partijen beiden voor de helft gerechtigd zijn – een vordering op [eiser in conventie] heeft gekregen van de helft daarvan.
4.19.
De bedragen van € 71.688,04 en € 74.873,74 die [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] stellen te hebben geïnvesteerd bij aankoop van de woning hebben zij over en weer betwist. Uit de verklaring ter zitting is gebleken dat partijen de aankoop van de woning hebben gefinancierd met de hypotheeklening bij de ABN Amro, met het bedrag van € 272.268,00 dat [gedaagde in conventie] heeft betaald en dat daarna nog een te betalen bedrag overbleef van (omgerekend) ruim € 70.000,00. [gedaagde in conventie] stelt dat zij dat aanvullende bedrag heeft voldaan. Ter onderbouwing heeft zij als productie 21 een garantiespecificatie overgelegd. [eiser in conventie] heeft daarover gesteld dat in de garantiespecificatie staat dat het bedrag ten laste van zijn rekeningnummer is gekomen en dus door hem is betaald. [gedaagde in conventie] heeft dat betwist en erop gewezen dat uit de garantiespecificatie slechts blijkt dat de garantieprovisie door [eiser in conventie] is betaald. Omdat uit productie 21 van [gedaagde in conventie] niet blijkt wie het bedrag uiteindelijk heeft betaald waarvoor garantie was gesteld en partijen verder ook niet hebben onderbouwd wie van hen daadwerkelijk het aanvullende bedrag heeft betaald, is niet gebleken dat één van hen dat bedrag uit zijn of haar privévermogen heeft voldaan. De vorderingen van partijen om vergoeding daarvan zijn daarom niet toewijsbaar.
4.20.
[eiser in conventie] voert verweer tegen de door [gedaagde in conventie] gevorderde € 42.028,79 in verband met kosten van onderhoud van de woning. Hij betwist onder meer dat [gedaagde in conventie] de kosten uit haar privévermogen heeft voldaan. Voor kosten die tijdens het huwelijk zijn gemaakt beroept [eiser in conventie] zich bovendien op artikel 6 van Pro de huwelijksvoorwaarden. Voor kosten die [gedaagde in conventie] na de echtscheiding heeft gemaakt betwist [eiser in conventie] dat er een rechtsgrond is voor toewijzing van een vergoeding omdat er na 2010 geen gemeenschappelijke huishouding meer was en [gedaagde in conventie] ook niet met hem heeft overlegd over de werkzaamheden.
De rechtbank stelt vast dat de door [gedaagde in conventie] gestelde kosten van [bedrijf 2] (onderbouwd met haar producties A en B) kosten zijn die tijdens het huwelijk zijn gemaakt. Daarvoor geldt op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de huwelijksvoorwaarden dat het recht om die kosten (voor de helft) vergoed te krijgen vervalt indien betaling of verrekening ervan niet heeft plaatsgehad of is gevorderd binnen één jaar na het einde van het kalenderjaar waarin die kosten zijn betaald. [eiser in conventie] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde in conventie] die kosten niet eerder heeft gevorderd. Daarom kan [gedaagde in conventie] daar nu geen aanspraak meer op maken.
De kosten die [gedaagde in conventie] met haar producties C tot en met H heeft onderbouwd zijn gemaakt na de echtscheiding en zijn dus niet aan te merken als kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Daarvoor geldt artikel 6 van Pro de huwelijksvoorwaarden dus niet. [gedaagde in conventie] heeft haar vordering in verband met deze kosten gegrond op de beleggingsleer (artikel 1:87 BW Pro). De beleggingsleer is echter slechts van toepassing in geval
een echtgenootzijn eigen vermogen aanwendt ten gunste van de andere echtgenoot. De beleggingsleer is niet van toepassing op kosten die na de echtscheiding zijn gemaakt omdat partijen toen niet langer echtgenoten van elkaar waren. Ter zitting heeft [gedaagde in conventie] nog een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking maar na betwisting van de verrijking van [eiser in conventie] heeft [gedaagde in conventie] niet onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van verrijking van [eiser in conventie] als gevolg van de door haar betaalde kosten. Omdat [eiser in conventie] bovendien onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde in conventie] nooit met hem heeft overlegd over (de noodzaak van) de werkzaamheden, kan [gedaagde in conventie] op grond van artikel 3:172 BW Pro, in samenhang met 3:170 BW, evenmin aanspraak maken op vergoeding daarvan door [eiser in conventie] . Dat geldt te meer nu [gedaagde in conventie] heeft gesteld dat zij de inkomsten uit exploitatie van de woning heeft gebruikt voor noodzakelijk onderhoud.
4.21.
Het voorgaande brengt met zich dat van de door partijen gestelde kosten van investering in de woning alleen het door [gedaagde in conventie] betaalde bedrag van € 272.268,00 (
f600.000,00) bij de verdeling zal worden meegenomen als kosten die voor de helft door [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] moeten worden vergoed/verrekend. Het onder II door [gedaagde in conventie] gevorderde is daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 136.134,00.
Kosten [bedrijf 3]
4.22.
[gedaagde in conventie] vordert onder III te bepalen dat zij gerechtigd is tot ontvangst (primair) van € 1.812,00 in verband met de kosten van [bedrijf 3] , of (subsidiair) van € 906,00. Ter onderbouwing heeft zij als productie I een factuur van [bedrijf 3] overgelegd van € 1.812,00 die zij stelt te hebben betaald en zich primair op het standpunt gesteld dat het gehele bedrag voor rekening van [eiser in conventie] komt omdat hij de opdracht aan [bedrijf 3] zonder overleg met haar heeft ingetrokken bij e-mailbericht van 20 april 2018.
[eiser in conventie] betwist dat hij de opdracht heeft ingetrokken, hetgeen volgens hem blijkt uit het feit dat de woning ook na 2018 nog te koop heeft gestaan.
4.23.
Het is de rechtbank niet duidelijk wie van partijen precies de opdracht aan [bedrijf 3] heeft beëindigd. [eiser in conventie] heeft weliswaar het door [gedaagde in conventie] als productie 19 overgelegde e-mailbericht van 20 april 2018 aan [bedrijf 3] gezonden maar niet is komen vast te staan dat [bedrijf 3] daarna ook daadwerkelijk is gestopt met de dienstverlening. Nu [bedrijf 3] pas op 27 oktober 2021 een factuur aan [gedaagde in conventie] heeft gestuurd en [gedaagde in conventie] niet heeft betwist dat de woning na 2018 nog te koop stond niet heeft betwist, is onvoldoende komen vast te staan dat [eiser in conventie] de opdracht heeft beëindigd. Omdat vast staat dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan [bedrijf 3] , zijn zij gezamenlijk (ieder voor de helft) gehouden de kosten daarvan voor hun rekening te nemen. [gedaagde in conventie] heeft dan ook recht op vergoeding door [eiser in conventie] van € 906,00 in verband daarmee. De door [gedaagde in conventie] gevorderde wettelijke rente daarover is niet toewijsbaar. Het daartegen door [eiser in conventie] gevoerde verweer slaagt. Omdat niet is gebleken dat [gedaagde in conventie] betaling van (de helft van) de factuur van [eiser in conventie] heeft gevorderd (ook niet bij eiswijziging op 4 september 2023, waarin zij vraagt om te bepalen dat zij mag verrekenen met de verkoopopbrengst), is niet gebleken van verzuim aan de zijde van [eiser in conventie] en is hij om die reden geen rente verschuldigd.
Onderhoudsverplichtingen
4.24.
[gedaagde in conventie] vordert om [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van € 29.326,75 onder de bepaling dat zij gerechtigd is dit bedrag te verrekenen met de verkoopopbrengst van de woning. Genoemd bedrag was de achterstand in de alimentatiebetalingen van [eiser in conventie] volgens opgave van het LBIO van 9 april 2018. [eiser in conventie] heeft vervolgens als zijn productie 32 een overzicht overgelegd van 13 januari 2026 waaruit blijkt wat het LBIO sinds 2017 door beslaglegging heeft geïnd en dat het saldo van zijn betalingsachterstand € 15.548,67 bedraagt. Ter zitting is namens de man gesteld dat het maar de vraag is of dat bedrag klopt.
4.25.
Zonder nadere onderbouwing – die [eiser in conventie] niet heeft gegeven – valt niet goed in te zien waarom de door het LBIO opgegeven achterstand niet zou kloppen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat sprake is van een achterstand van ruim € 15.000,00. Omdat [eiser in conventie] al is veroordeeld tot de alimentatiebetaling aan [gedaagde in conventie] heeft [gedaagde in conventie] geen belang bij de door haar gevorderde veroordeling van [eiser in conventie] tot betaling van de achterstand. Wél heeft [gedaagde in conventie] belang bij de bepaling dat zij bij verdeling van de gemeenschap tussen partijen gerechtigd is de betalingsachterstand te verrekenen. Omdat het in het belang van partijen is dat zij (zoveel mogelijk) duidelijkheid krijgen over hun vorderingen over en weer en die vorderingen (zoveel mogelijk) worden voldaan, zal worden bepaald dat de vordering van [gedaagde in conventie] in verband met de betalingsachterstand aan het LBIO wordt verrekend bij de verdeling. Daarbij zullen partijen uitgaan van het bedrag volgens opgave van het LBIO. Voor zover [eiser in conventie] het niet met dat bedrag eens is, zal hij daarover met het LBIO – dat de inning voor [gedaagde in conventie] op zich heeft genomen – in gesprek moeten gaan. Bovendien geldt dat, indien [eiser in conventie] na verrekening geen betalingsachterstand meer heeft in verband met alimentatiebetalingen, het in verband daarmee ten laste van hem gelegde beslag dient te worden opgeheven.
Pensioenrechten
4.26.
[gedaagde in conventie] vordert [eiser in conventie] te veroordelen om te bewerkstelligen dat haar aandeel in de in [bedrijf 1] opgebouwde pensioenrechten, te weten € 200.000,00 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, wordt afgestort bij een door haar aan te wijzen pensioenverzekeraar of op een door haar aan te wijzen bankspaarrekening. [eiser in conventie] erkent dat pensioenrechten in [bedrijf 1] zijn opgebouwd en dat op grond van de huwelijkse voorwaarden een redelijke en billijke regeling moet worden getroffen op grondslag van de opgebouwde aanspraken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat en in hoeverre het gereserveerde vermogen nog aanwezig is. [eiser in conventie] stelt dat [bedrijf 1] niet over liquide middelen beschikt en dat er daarom een niet voor verwezenlijking vatbaar recht op pensioen in is opgenomen.
4.27.
In de huwelijksvoorwaarden is bepaald dat indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over pensioenrechten, een voor beide partijen bindend advies zal worden gegeven door een door de kantonrechter te benoemen deskundige en notaris. Dat is dan ook de procedure die partijen moeten volgen voor wat betreft de verdeling van pensioenrechten, zodat de rechtbank daarover in dit vonnis niet kan beslissen. De vordering van [gedaagde in conventie] onder V zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.28.
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
gelast de verdeling van de aan partijen toebehorende woning met toebehoren aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] , en bepaalt daartoe het volgende:
  • Partijen geven binnen twee weken na de datum van dit vonnis opdracht aan [makelaar] makelaars om de woning te taxeren;
  • De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen, waarbij partijen op geen enkele manier met elkaar of met de taxateur in discussie zullen treden. Direct na afloop van de taxatie zal [eiser in conventie] de woning direct verlaten, gelijktijdig met de taxateur. Partijen mogen uitsluitend schriftelijk met de taxateur communiceren onder gelijktijdige toezending van een afschrift als CC aan de ander.
  • [gedaagde in conventie] krijgt na taxatie van de woning twee maanden de tijd om een financiering te regelen om het aandeel van [eiser in conventie] in de woning over te nemen en overgedragen te krijgen voor de helft van de getaxeerde waarde met ontslag van [eiser in conventie] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypotheekschuld bij de ABN Amro en de gezamenlijke hypotheekschuld van € 112.183,20 bij [bedrijf 1] ;
Indien [gedaagde in conventie] het aandeel in de woning van [eiser in conventie] overneemt, geldt het volgende:
  • De kosten van taxatie en van de overdracht van de woning komen geheel voor rekening van [gedaagde in conventie] ;
  • [eiser in conventie] heeft recht op de helft van de getaxeerde overwaarde in de woning, verminderd met de helft van de hypotheekschuld bij de ABN Amro en met € 56.091,60, zijnde de helft van de gezamenlijke hypotheeklening bij [bedrijf 1] ;
Indien [gedaagde in conventie] het aandeel van [eiser in conventie] in de woning niet binnen voornoemde termijn van 2 maanden overneemt, geldt het volgende:
  • De woning wordt door partijen aan een derde verkocht en overgedragen. Partijen geven [makelaar] makelaars dan binnen 2 weken na afloop van eerder genoemde termijn van 2 maanden opdracht voor die verkoop;
  • Partijen stellen in onderling overleg de bij de verkoop van de woning te hanteren vraagprijs en de verkoopsom vast. Indien partijen niet binnen een week na het geven van de verkoopopdracht aan [bedrijf 3] tot overeenstemming zijn gekomen over de vraagprijs, zijn partijen gehouden om het advies van de makelaar te volgen. Indien partijen binnen een week na het ontvangen van een bod op de woning niet tot overeenstemming komen over de verkoopprijs, zijn zij gehouden om het advies van de makelaar te volgen over het al dan niet accepteren van dat bod. Indien de makelaar adviseert om de koopsom op enig moment te wijzigen, beslissen partijen in onderling overleg of zij het advies opvolgen. Indien zij binnen een week na het advies niet tot overeenstemming komen, dan zijn zij gehouden het advies van de makelaar op te volgen;
  • Partijen verlenen tijdig hun medewerking aan alles wat nodig is om het voorgaande te bewerkstelligen, waarbij dit vonnis in de plaats kan treden van de daartoe vereiste rechtshandeling van een partij zoals is bepaald in artikel 3:300 BW Pro indien en voor zover die partij daaraan niet of niet tijdig meewerkt;
Voor [gedaagde in conventie] houdt het verlenen van die medewerking ook in dat zij de makelaar – al dan niet met potentiële kopers – toegang verschaft tot de woning, bij bezichtigingen van de woning niet aanwezig zal zijn in de woning, ervoor zorgt dat de woning en tuin ordelijk zijn op het moment van een bezichtiging en verder alle aanwijzingen van de makelaar opvolgt;
  • De kosten van taxatie en van verkoop komen ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, en zullen net als de hypotheekschuld aan de ABN Amro en de gezamenlijke hypotheekschuld van € 112.183,20 aan [bedrijf 1] worden voldaan uit de verkoopopbrengst;
  • Partijen hebben ieder recht op de helft van de overwaarde die resteert na aftrek van bovengenoemde kosten van taxatie en verkoop en hypotheekschulden,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde in conventie] gerechtigd is tot ontvangst van:
  • € 136.134,00 in verband met investering in de woning en
  • € 906,00in verband met de factuur van [bedrijf 3]
aldus in totaal: € 137.040,00,
5.3.
bepaalt dat bij de verdeling tussen partijen de vordering van [gedaagde in conventie] op [eiser in conventie] van € 137.040,00 en de vordering van [gedaagde in conventie] op [eiser in conventie] in verband met achterstallige alimentatiebetalingen conform opgave van het LBIO zullen worden verrekend,
5.4.
stelt vast dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat [gedaagde in conventie] de DVD’s die zij heeft en waarop [eiser in conventie] staat binnen 14 dagen na de zitting aan hem toestuurt en dat daarmee de aan partijen gezamenlijk toebehorende roerende zaken zijn verdeeld en dat zij in verband met gezamenlijke inboedel of andere roerende zaken niets van elkaar te vorderen hebben,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
JO/AW