ECLI:NL:RBGEL:2026:2121

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
05-232529-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 312 SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor diefstal met geweld in vereniging en winkeldiefstal

De rechtbank Gelderland heeft op 17 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van diefstal met geweld in vereniging en winkeldiefstal. De feiten vonden plaats op 29 mei 2025 te Apeldoorn en 28 januari 2025 te Zwolle.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging, waarbij hij samen met anderen een portemonnee, fietssleutel en zonnebril van aangever had weggenomen onder bedreiging met een voorwerp dat leek op een mes, maar waarschijnlijk een vape was. Verdachte werd ook verdacht van medeplegen van winkeldiefstal, maar hiervoor werd hij vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking.

De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, die net 18 jaar was, en sloot het jeugdstrafrecht uit vanwege geringe ontvankelijkheid voor pedagogische beïnvloeding. Wel werd bij de strafmaat aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor jeugdigen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. De civiele vordering van aangever tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade reeds door de verzekering was vergoed.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor diefstal met geweld in vereniging, vrijgesproken van medeplegen winkeldiefstal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/232529-25 en 08/029674-25
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 05/232529-25
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee, een fietssleutel, een zonnebril en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met een mes, althans een voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en/of
- naar en/of in zijn jas en/of broekzak, althans zijn kleding te grijpen;
parketnummer 08/029674-25
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Spar (Lubeckplein), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt diefstal met geweld onder parketnummer
05/232529-25. Ook de diefstal onder parketnummer 08/029674-25 kan wettig en overtuigend bewezen worden, maar er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat verdachte van het tenlastegelegde medeplegen moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal met geweld onder parketnummer 05/232529-25. Verdachte is niet een van de vier personen die bij de diefstal betrokken is geweest. Er is überhaupt onvoldoende bewijs om vast te stellen dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Er is geen buit aangetroffen. Er is geen bewijs voor het gebruik van een mes. Aangever is de enige die over een mes heeft verklaard.
Het feit onder parketnummer 08/029674-25 heeft verdachte bekend, maar voor medeplegen moet partiële vrijspraak volgen.
parketnummer 05/232529-25 [1]
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij met zijn vrienden in de trein naar Apeldoorn Osseveld zat. Twee jongens ( [medeverdachte 1] [2] en [verdachte] [3] ) hebben toen “
silence!” naar aangever en zijn vrienden geschreeuwd. Toen aangever en zijn vrienden om 21.53 uur op station Apeldoorn Osseveld uitstapten, stapten de twee jongens ook uit de trein en gingen naast hen lopen. Toen er nog twee andere jongens op aangever en zijn vrienden af kwamen lopen vertrouwden aangever en zijn vrienden de situatie niet meer. Zij hebben zich opgesplitst en zijn weggerend. Toen aangever nog alleen over was, zag hij de vier jongens zijn kant op rennen. De jongens (uit de trein) renden achter hem en de twee andere jongens renden op hem af. Op een gegeven moment stond aangever met zijn rug tegen de muur en stonden de vier jongens in een halve kring om hem heen. Hij zag dat één van de jongens een mes in zijn hand had, waarmee hij richting aangever wees, voor zijn buik. Vervolgens liepen de vier jongens op aangever af en grepen naar zijn jasje en broekzak. Aangever voelde dat er spullen uit zijn broekzak werden gehaald. De vier jongens zijn vervolgens weggerend. Aangever is ook weggerend en heeft meteen 112 gebeld. De portemonnee, fietssleutel en zonnebril van aangever zijn gestolen. [4]
Op 29 mei 2025 om 21:58 uur heeft de politie een melding gekregen van een beroving (van onder meer sleutels, rijbewijs en bankpas) door vier jongens op het station Apeldoorn Osseveld. [5]
[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft verklaard dat hij met [verdachte] in de trein zat. Hij heeft aan een groep jongens gevraagd of ze zachter wilden doen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [medeverdachte 2] gebeld en gezegd dat ze ruzie hadden met een groep jongens. Bij het uitstappen heeft [medeverdachte 1] de jongens uit de trein aangesproken. Eén van de jongens uit de trein is alleen overgebleven. [medeverdachte 1] was met [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op het station. [medeverdachte 1] en zijn vrienden hebben de (overgebleven) jongen achtervolgd en omsingeld. [verdachte] had een vape bij zich en heeft die als een soort mes vastgehouden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben de jongen gefouilleerd. Ze hebben in zijn zakken gekeken. [6]
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op het station waren en dat hij daar met [medeverdachte 3] naartoe is gegaan, na een telefoontje van [medeverdachte 1] en [verdachte] waarin zij aangaven dat zij problemen hadden met jongens in de trein. [medeverdachte 2] heeft gezien dat ze met de jongen uit de trein aan het vechten waren. Na afloop zijn ze naar de woning van [medeverdachte 3] gegaan. [7]
[verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op het station heeft gezien. [8] Verder heeft hij verklaard dat hij niet bij de diefstal betrokken is geweest. Hij heeft de sleutel aan [medeverdachte 3] gevraagd en is eerder dan de anderen naar de woning van [medeverdachte 3] ( [adres] [9] ) gegaan.
Er zijn camerabeelden van 29 mei 2025 van [adres] gevorderd en uitgekeken. Op de camerabeelden zijn tussen 22:00:33 uur en 22:00:55 uur vier personen te zien in de brandgang bij de kruising tussen de Waterlei en het Firmament. Persoon 3 is herkend als [verdachte] . [10] Volgens [medeverdachte 3] zijn op de camerabeelden [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] te zien. [11]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] ter plaatse was op station Osseveld. Aangever heeft hem herkend als de jongen uit de trein. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat [verdachte] (ook) bij het incident betrokken was. Volgens [medeverdachte 1] is [verdachte] degene die een vape als een soort mes hanteerde. De verklaring van [medeverdachte 1] sluit op essentiële onderdelen aan bij de verklaring van aangever. Beiden hebben verklaard over het achtervolgen, omsingelen en fouilleren van aangever. Op camerabeelden is te zien dat de vier verdachten rond 22:00 uur gezamenlijk naar de woning van [medeverdachte 3] lopen/rennen. Dat verdachte niet een van de overvallers is geweest en al eerder dan de anderen naar het huis van [medeverdachte 3] was vertrokken vindt de rechtbank, gelet op de camerabeelden en de verklaringen van de medeverdachten, niet geloofwaardig.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat zijn spullen zijn weggenomen. Dat de spullen in het opsporingsonderzoek niet zijn teruggevonden maakt dat niet anders. Aangever heeft direct na het voorval aangifte gedaan van beroving. [medeverdachte 1] verklaart dat er wel een fouillering heeft plaatsgevonden. Nu de verdachten wisselend - én (grotendeels) voor zichzelf ontlastend – verklaren over hun aandeel bij het incident op het station, hecht de rechtbank voor zover de verdachten verklaren dat geen spullen zijn afgenomen aan de verklaringen van de verdachten op dat onderdeel geen waarde.
Dat er een vape van aangever is weggenomen blijkt niet uit de verklaring van aangever. Ten aanzien van dit punt komt de rechtbank dan ook tot een vrijspraak.
(Bedreiging met) geweld
Aangever heeft verklaard dat een van de jongens met een mes op buikhoogte in zijn richting heeft gewezen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat van een mes geen sprake is geweest, maar dat zowel aangever als [verdachte] ‘een vape als een soort mes trokken’.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen ondersteunend bewijs voor de aanwezigheid van een mes is te vinden. Het mes is na afloop van het incident niet aangetroffen. De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen dat sprake is geweest van een mes. Mogelijk heeft aangever in de dynamische situatie van het conflict een vape aangezien voor een mes. Wel stelt de rechtbank vast dat in ieder geval is gedreigd met een voorwerp in de richting van aangever als ware het een mes.
Nu de verdachten naar de jas en de broekzakken van aangever hebben gegrepen en zijn broekzakken hebben leeggehaald is er sprake van fysiek contact tegen de wil van aangever. Daarmee is er sprake van (licht) geweld.
Medeplegen
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [medeverdachte 2] gebeld om samen met [medeverdachte 3] naar station Osseveld te komen en zodoende gezorgd voor getalsmatige versterking van de groep. Door achter aangever aan te rennen en hem te omsingelen en een voorwerp/vape dreigend in de richting van aangever te houden alsof hij een mes vasthield, heeft [verdachte] een wezenlijke en significante bijdrage aan de diefstal met geweld geleverd.
De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
parketnummer 08-029674-25 [12]
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend en er is door of namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 35 en 36;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 41 en 42;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
Medeplegen
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de diefstal
in verenigingheeft gepleegd. Uit het dossier volgt niet dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/232529-25
hij op
of omstreeks29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril
en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld
en/of gevolgdvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door
- achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met
een mes, althanseen voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en
/of- naar en/of in zijn jas en
/ofbroekzak
, althans zijn kledingte grijpen;
parketnummer 08/029674-25
hij op
of omstreeks28 januari 2025 te Zwolle
, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerderewinkelgoederen
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan Spar (Lubeckplein
), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/232529-25
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
parketnummer 08-029674-25
diefstal.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Toepassing van het jeugdstrafrecht ex artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is volgens de officier van justitie niet aan de orde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de hoogte van de straf het jeugdstrafrecht van toepassing moet worden verklaard (artikel 77c Sr). Er moet aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugd, en niet voor volwassenen. Dit hoeft niet te gelden voor het bepalen van de strafmodaliteit.
De raadsman heeft verder opgemerkt dat niet valt in te zien waarom verdachte een hogere straf zou moeten krijgen dan de medeverdachten. Ook heeft verdachte al te lang in voorarrest gezeten.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 januari 2026 (het strafblad);
  • het reclasseringsadvies van 24 februari 2026;
  • de e-mail van mr. Peters van 25 februari 2026;
  • de e-mail van de heer Sulman (Reclassering) van 26 februari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten (overtredingen). Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Zij hebben zich intimiderend gedragen door achter aangever aan te rennen, hem te omsingelen en spullen van hem te stelen. Verdachte heeft naast het achtervolgen en omsingelen gedreigd met een vape als ware het een mes. De rechtbank vindt dit een ernstig feit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Daarnaast vond de diefstal plaats in de openbare ruimte Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, een hinderlijk feit dat schade en overlast veroorzaakt.
Rapportage
Uit het rapport van 24 februari 2026 volgt dat medewerking voor het opstellen van een reclasseringsadvies heeft ontbroken en dat verdachte niet is verschenen op de afspraak van 17 februari 2026. De reclassering benoemt een zich ontwikkelend delictpatroon waarbij sprake is van escalatie en herhaling. De levensgeschiedenis van verdachte wordt gekenmerkt door instabiliteit, migratie en verlies van structuur. Verdachte is laaggeletterd. Op dit moment heeft verdachte geen stabiele huisvesting, geen dagbesteding en geen inkomen. Hij heeft zich herhaaldelijk niet gehouden aan afspraken en voorwaarden. Er is sprake van beïnvloedbaarheid door peers en onvoldoende zelfregulatie. De responsiviteit van verdachte is laag. Binnen een begeleid wonen voorziening heeft verdachte structureel regels overtreden en het toezicht is voortijdig negatief beëindigd omdat uitvoering feitelijk niet meer mogelijk was. Een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden wordt niet haalbaar geacht.
De risico’s op recidive, op letsel en op onttrekking worden ingeschat als hoog.
Een pedagogisch kader binnen het adolescentenstrafrecht wordt niet kansrijk geacht. Begrenzing binnen het volwassenenstrafrecht ligt meer in de rede.
Uit de e-mail van mr. Peters volgt dat verdachte op 17 januari 2026 is aangehouden en daarom niet op de afspraak met de reclassering kon verschijnen. Mr. Peters heeft het verzoek gedaan om alsnog een nieuw reclasseringsadvies op te stellen.
Uit de e-mail van de heer Sulman volgt dat het opstellen van een nieuw reclasseringsrapport niet mogelijk is. De heer Sulman onderstreept dat, hoewel het niet verschijnen op 17 januari 2026 niet aan verdachte is te wijten, hij zich herhaaldelijk heeft onttrokken aan afspraken en zich niet begeleidbaar heeft opgesteld.
De straf
Verdachte was ten tijde van de diefstal met geweld op het station in Apeldoorn nog maar net 18 jaar oud. Gelet op de geringe mate van ontvankelijkheid voor pedagogische beïnvloeding is de rechtbank van oordeel dat het jeugdstrafrecht voor verdachte niet van toepassing is. Echter, de rechtbank heeft gezien de jeugdige leeftijd van verdachte bij het bepalen van de hoogte van de straf wel aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor jeugdigen. De rechtbank zal daarom in strafmatigende zin afwijken van de eis van de officier van justitie en een gevangenisstraf van vier maanden opleggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt hierop in mindering gebracht.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 0,00. De materiële schade ad
€ 200,00 is reeds door de verzekering vergoed.
De rechtbank vat het schadeverzoek van de benadeelde partij als volgt op. De benadeelde partij heeft kennelijk de moeite willen nemen om de rechtbank te informeren over de geleden schade. Nu de schade reeds is vergoed door de verzekering, heeft de benadeelde (per saldo) geen schade geleden en is de vordering vastgesteld op € 0,00.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 47, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025250316, gesloten op 30 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 34; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
3.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 36; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 22 t/m 24.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 45.
6.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , p. 187 t/m 189.
7.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , p. 208 t/m 210.
8.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
9.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 3] , p. 233.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 126 en 130.
11.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [medeverdachte 3] , p. 236.
12.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025041695, gesloten op 29 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.