ECLI:NL:RBGEL:2026:2124

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
05-232539-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor diefstal met geweld in vereniging

Op 29 mei 2025 werd aangever op station Apeldoorn Osseveld achtervolgd, omsingeld en beroofd door vier jongens, waaronder verdachte. Zij namen een portemonnee, fietssleutel en zonnebril weg, waarbij sprake was van geweld en bedreiging met een voorwerp dat leek op een mes.

De verdediging betwistte de betrokkenheid van verdachte en de betrouwbaarheid van verklaringen, maar de rechtbank achtte de verklaringen van aangever, medeverdachte 1 en een onafhankelijke getuige betrouwbaar en concludeerde dat verdachte medepleger was.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 180 uur, rekening houdend met zijn jeugdige leeftijd en eerdere veroordelingen. De civiele vordering van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade reeds door de verzekering was vergoed.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 180 uur voor diefstal met geweld in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/232539-25
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (Syrië),
ingeschreven aan [adres] .
Raadsman: mr. R.M. Noorlander, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee, een fietssleutel, een zonnebril en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met een mes, althans een voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en/of
- naar en/of in zijn jas en/of broekzak, althans zijn kleding te grijpen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte is niet betrokken geweest bij de straatroof. Hij kwam pas op het station aan toen het incident al had plaatsgevonden, zoals ook volgt uit getuigenverklaringen. De raadsman is van mening dat de verklaring van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) niet betrouwbaar is en daarom niet bruikbaar is voor het bewijs. Verder is er geen mes getoond, althans niet in het bijzijn van verdachte. Er is geen sprake van medeplegen. Ook van (voorwaardelijk) opzet op diefstal of medeplegen is geen sprake.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij met zijn vrienden in de trein naar Apeldoorn Osseveld zat. Twee jongens ( [medeverdachte 1] [2] en [medeverdachte 2] [3] ) hebben toen “
silence!” naar aangever en zijn vrienden geschreeuwd. Toen aangever en zijn vrienden om 21.53 uur op station Apeldoorn Osseveld uitstapten, stapten de twee jongens ook uit de trein en gingen naast hen lopen. Eerst zeiden ze niets, later begonnen ze in een mix van talen van alles te roepen. Toen er (nog) twee andere jongens op aangever en zijn vrienden af kwamen lopen vertrouwden aangever en zijn vrienden de situatie niet meer. Zij hebben zich opgesplitst en zijn weggerend. Toen aangever nog alleen over was, zag hij de vier jongens zijn kant op rennen. De jongens (uit de trein) renden achter hem en de twee andere jongens renden op hem af. Op een gegeven moment stond aangever met zijn rug tegen de muur en stonden de vier jongens in een halve kring om hem heen. Hij zag dat één van de jongens een mes in zijn hand had, waarmee hij richting aangever wees, voor zijn buik. Vervolgens liepen de vier jongens op aangever af en grepen naar zijn jas en broekzak. Aangever voelde dat er spullen uit zijn broekzak werden gehaald. De vier jongens zijn vervolgens weggerend. Aangever is ook weggerend en heeft meteen 112 gebeld. De portemonnee, fietssleutel en zonnebril van aangever zijn gestolen. [4]
Op 29 mei 2025 om 21:58 uur heeft de politie een melding gekregen van een beroving door vier jongens op het station Apeldoorn Osseveld. [5]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 2] in de trein zat. Hij heeft aan een groep jongens gevraagd of ze zachter wilden doen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben [medeverdachte 3] gebeld en gezegd dat ze ruzie hadden met een groep jongens. Bij het uitstappen heeft [medeverdachte 1] de jongens uit de trein aangesproken. Eén van de jongens uit de trein is alleen overgebleven. [medeverdachte 1] was met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] op het station. [medeverdachte 1] en zijn vrienden hebben de (overgebleven) jongen achtervolgd en omsingeld. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben hem gefouilleerd. Ze hebben gekeken in de zakken van de jongen. [medeverdachte 2] heeft een vape gebruikt alsof het een mes was. [6]
Getuige [getuige] zat ook in de trein richting Apeldoorn Osseveld. Achter haar hoorde zij rumoer in een vreemde taal (Arabisch). Kennelijk werd er geroepen dat de groep van zes jongens naast haar zachter moest doen. Toen zij omkeek om te zien waar het luid gepraat en geschreeuw in het Arabisch vandaan kwam zag zij een man telefoneren. Naast hem zat een andere man. Toen de getuige op het station uitstapte, zag ze dat die twee (Arabische) mannen vlak achter de groep van zes jongens liepen. Er vond een woordenwisseling plaats tussen de (Arabische) mannen en de jongens. Ineens begonnen alle zes de jongens te rennen. De twee (Arabische) mannen renden achter hen aan. Een van de jongens uit de vriendengroep heeft zich later bij haar gevoegd. [7]
[verdachte] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 3] thuis was toen [medeverdachte 1] belde. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren op het station en hadden problemen. Zij vroegen of [verdachte] en [medeverdachte 3] konden komen. [verdachte] is met [medeverdachte 3] naar het station gegaan. [8] Hij kwam op het eind en heeft niet gezien of het slachtoffer geslagen of beroofd is.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
De rechtbank ziet - anders dan de verdediging - geen reden om aan de verklaring van aangever te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever op essentiële punten steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Zo wordt de verklaring van aangever ondersteund door de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] . Beiden hebben verklaard over de situatie in de trein, de woordenwisseling bij het uitstappen, het meelopen van de twee jongens met de groep en het wegrennen en uiteenvallen van de groep.
Ook aangever en [medeverdachte 1] bevestigen op essentiële onderdelen elkaars verklaringen. Aangever en [medeverdachte 1] verklaren beiden dat aangever alleen achter bleef, dat hij werd achtervolgd en omsingeld, en dat hij werd gefouilleerd/er in zijn zakken werd gevoeld. Daarnaast verklaart [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] een vape had en deze gebruikte als een soort mes.
De omstandigheid dat aangever direct na het incident 112 heeft gebeld en melding heeft gemaakt van de beroving, ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank ook de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever.
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachten onderling afwijken over wat er is gebeurd vanaf het moment dat [verdachte] en [medeverdachte 3] op het station zijn aangekomen. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt volgt de rechtbank niet. De verklaring van [medeverdachte 1] sluit aan bij en vindt zoals hiervoor is uiteengezet steun in de verklaring van aangever. Daarnaast wordt zijn verklaring ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . Zij hebben beiden verklaard over het verzoek in de trein om stiller te zijn en over het bellen in de trein. Ook hebben zij beiden verklaard over het moment na het uitstappen waarop [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangever en zijn vrienden aanspraken. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] in zijn verklaring ook zichzelf niet heeft ontzien.
De voor zichzelf ontlastende verklaring van [verdachte] dat hij pas op het station aankwam toen het incident al vrijwel voorbij was wordt weersproken door de verklaringen van aangever en [medeverdachte 1] . De rechtbank vindt de verklaring van [verdachte] dan ook niet geloofwaardig.
Voor zover de vrienden van aangever niet over een derde en vierde persoon hebben verklaard of verklaren dat zij de derde en vierde persoon pas op een later moment dan aangever hebben gezien, overweegt de rechtbank dat dat, gelet op de dynamische situatie van het conflict waarin zij zich bevonden, begrijpelijk is en dat dat het oordeel over de verklaring van aangever niet anders maakt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verklaring van aangever als uitgangspunt nemen en stelt zij het volgende vast.
Op het station in Apeldoorn is aangever achtervolgd en omsingeld door vier jongens, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben aangever gefouilleerd en in zijn zakken gevoeld. Zij hebben een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril uit zijn broekzak weggenomen. Dat er een vape van aangever is weggenomen blijkt niet uit de verklaring van aangever. Ten aanzien van dit punt komt de rechtbank dan ook tot een vrijspraak.
(Bedreiging met) geweld
Aangever heeft verklaard dat een van de jongens met een mes op buikhoogte in zijn richting heeft gewezen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat van een mes geen sprake is geweest, maar dat zowel aangever als [medeverdachte 2] ‘een vape als een soort mes trokken’.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen ondersteunend bewijs voor de aanwezigheid van een mes is te vinden. Het mes is na afloop van het conflict niet aangetroffen door de politie. Omdat de mogelijkheid bestaat dat aangever een vape heeft aangezien voor een mes kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat sprake is geweest van een mes. Wel stelt de rechtbank vast dat met een voorwerp in de richting van aangever is gedreigd (als ware het een mes).
Nu de verdachten naar de jas en de broekzakken van aangever hebben gegrepen en zijn broekzakken hebben leeggehaald is er sprake van fysiek contact tegen de wil van aangever. Daarmee is sprake van (licht) geweld.
Medeplegen
Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] belden dat ze in de problemen zaten, zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] direct naar het station gegaan. Op het station hebben zij gezamenlijk aangever in het nauw gedreven en beroofd. Daarmee is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. De rol van verdachte bestaat uit het achterna rennen van aangever, hem omsingelen en hem fouilleren. Daarmee heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage aan de diefstal met geweld geleverd.
De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril
en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld
en/of gevolgdvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door
- achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met
een mes, althanseen voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en
/of- naar en/of in zijn jas en
/ofbroekzak
, althans zijn kledingte grijpen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat feit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 28 januari 2026 (het strafblad),
  • het reclasseringsadvies van 11 februari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten (overtredingen). Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Zij zijn aangever achterna gerend en hebben hem omsingeld. Vervolgens hebben zij een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril gestolen. De rechtbank vindt dit een ernstig en intimiderend feit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Daarnaast vond de diefstal plaats in de openbare ruimte. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Rapportage
Verdachte is niet op uitnodigingen van de reclassering verschenen. De reclassering heeft zich dan ook onthouden van het geven van adviezen over de toepassing van het jeugdstrafrecht en geen inschatting gemaakt van het recidiverisico. De responsiviteit van verdachte wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij een onrustig bestaan leidt en telkens op wisselende plekken slaapt. Hij werkt inmiddels vijf dagen per week en is bezig om zijn schulden af te betalen. Zijn ouders zijn inmiddels via gezinshereniging in Nederland aangekomen.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een forse straf voor verdachte passend is. Verdachte heeft een wezenlijk aandeel geleverd aan de diefstal door achter aangever aan te rennen, hem te omsingelen en te fouilleren. De officier van justitie heeft (met toepassing van het strafrecht voor meerderjarigen) geëist om een gevangenisstraf van zes maanden op te leggen. De rechtbank vindt de geëiste straf voor verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd, te hoog. De rechtbank zal de straf dan ook matigen. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de straffen die in hetzelfde onderzoek aan de medeverdachten zijn opgelegd.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand op en een taakstraf van 180 uur.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 0,00. De materiële schade ad
€ 200,00 is reeds door de verzekering vergoed.
De rechtbank vat het schadeverzoek van de benadeelde partij op als dat hij kennelijk de moeite heeft willen nemen om de rechtbank te informeren over de geleden schade. Nu de schade reeds is vergoed door de verzekering is de vordering vastgesteld op € 0,00 en heeft de benadeelde (per saldo) geen schade geleden.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van één maand;
 bepaalt dat
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van twee jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op
een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025250316, gesloten op 30 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 34; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
3.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 36; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 22 t/m 24.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 45.
6.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , p. 187 t/m 189.
7.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , p. 104 en 105.
8.Proces-verbaal van het verhoor van [verdachte] , p. 233.