ECLI:NL:RBGEL:2026:213

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
05-364046-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in Arnhem uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een man die beschuldigd werd van ontuchtige handelingen met een 14-jarig meisje. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar was en dat er voldoende steunbewijs was voor haar verklaring. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met een contact- en locatieverbod voor de aangeefster. De rechtbank oordeelde dat de verdachte misbruik had gemaakt van de kwetsbaarheid van het meisje en de vriendschap tussen haar en zijn zoon. De rechtbank hield rekening met de impact van de feiten op de aangeefster, die PTSS had ontwikkeld als gevolg van de gebeurtenissen. De rechtbank legde ook een schadevergoeding van € 5.000,- op aan de aangeefster, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte had een blanco strafblad, maar zijn gedrag werd als ernstig en onverantwoordelijk beoordeeld. De rechtbank benadrukte dat de ontuchtige handelingen de lichamelijke integriteit van de aangeefster ernstig hadden geschonden en dat dit gevolgen had voor haar geestelijke en seksuele ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.364046.24
Datum uitspraak : 12 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1]
Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat in Wijchen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2024 tot en met 6 maart 2024 te Bennekom en/of te Ede en/of te Heijen, althans in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009,
die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2024 tot en met 6 maart 2024 te Bennekom en/of te Ede en/of te Heijen, althans in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het betasten van de borsten en/of de billen en/of de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het laten aftrekken en/of betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of
- het aftrekken en/of betasten van zijn penis in de aanwezigheid van die [slachtoffer] en/of
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en dat hij voor het overgrote deel van hetgeen hem ten laste is gelegd moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verklaring van de minderjarige aangeefster terughoudend en behoedzaam moet worden gebruikt. Daarnaast is de raadsman van mening dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Voor wat betreft het tongzoenen van aangeefster door verdachte refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Mocht de rechtbank niet meegaan in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de op 3 januari 2024 door aangeefster aangemaakte notitie, dan verzoekt de verdediging aangeefster nogmaals als getuige te kunnen ondervragen en dan specifiek over de vraag wanneer zij de notitie met als inhoud ‘Bekentenissen, kussen, meer dan een vaderfiguur wekker/topje en zwemmen’ heeft gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van ontuchtige handelingen niet is vereist dat die handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende bewijs dienen.
De bewijsmiddelen
Op 12 maart 2024 vond een informatief zeden gesprek plaats met [vader slachtoffer] , de vader van de aangeefster [slachtoffer] ). [vader slachtoffer] heeft verklaard dat hij de laatste weken had gemerkt dat [slachtoffer] niet lekker in haar vel zat en ineens uitbarstingen had, waardoor hij besloot om de mobiele telefoon van [slachtoffer] te bekijken. Hij zag daarop verschillende berichten met een seksuele lading die [slachtoffer] van [verdachte] , de vader van een vriend van [slachtoffer] ( [naam 1] ), hierna verder als verdachte, had ontvangen. Verder heeft hij een WhatsApp gesprek tussen [slachtoffer] en haar vriendin [naam 2] gelezen waarin [slachtoffer] haar vertelde dat zij zich schaamde voor hetgeen met [verdachte] was gebeurd. [2]
Op 14 maart 2024 heeft de toen 14-jarige [slachtoffer] aangifte gedaan. Op 7 januari 2024 ging [slachtoffer] mee met [naam 1] en zijn familie zwemmen bij Centerparcs. Daar heeft verdachte [slachtoffer] aan haar billen, borsten en haar vagina aangeraakt. Toen ze samen in het bubbelbad waren, schoof verdachte het badpak van [slachtoffer] aan de kant en raakte haar vagina aan. Met zijn vingers ging hij tussen haar schaamlippen. Later die avond, in de tuin van verdachte, heeft verdachte [slachtoffer] een tongzoen gegeven. [slachtoffer] vroeg of ze weer naar binnen kon. Daarna stond [slachtoffer] in de gang om haar jas aan te doen en naar huis te gaan. [verdachte] kwam eraan en duwde haar tegen de muur. Hij zoende haar nog een keer, toen seconden. Dit was weer een tongzoen. [slachtoffer] heeft teruggezoend.
[slachtoffer] heeft verteld hoe verdachte haar daarna op een ander moment wederom een tongzoen heeft gegeven, hoe zij aan haar clitoris en schaamlippen werd aangeraakt en hoe verdachte met twee vingers [slachtoffer] heeft gevingerd. Dit gebeurde op verschillende momenten zoals in de auto van verdachte, achter de bosjes bij de voetbalvelden, op momenten dat verdachte [slachtoffer] naar huis fietste en op de bank bij verdachte thuis.
[slachtoffer] heeft ook verklaard dat in de periode van januari 2024 tot en met maart 2024 zij en verdachte veel contact hebben gehad via de applicaties van WhatsApp, Snapchat en Signal. [3] Nadat de vader van [slachtoffer] deze berichten in haar telefoon had gelezen en haar met de inhoud had geconfronteerd, besloot [slachtoffer] een brief aan haar ouders te schrijven om te vertellen wat er tussen haar en verdachte was gebeurd. [4]
[slachtoffer] verklaart dat zij op 11 februari 2024 in de ochtend, nadat zij bij [naam 1] had gelogeerd, door verdachte werd geappt met de vraag of zij naar beneden wilde komen. [slachtoffer] ging naar beneden en ging bij verdachte op de bank zitten. Ze voelde hoe hij met zijn rechterhand richting haar vagina ging. Hij zat ook aan haar borsten en kneep daarin. Hij ging met zijn hand in haar broekje en vingerde haar met twee vingers. Hij pakte op een gegeven moment [slachtoffer] hand en begeleidde die naar zijn penis toe, dit was over de kleding heen. Zij moest hem aftrekken over de kleding heen. Hij ging daarna met zijn hand in zijn broek naar zijn penis toe, en daarna moest [slachtoffer] aan zijn wijsvinger sabbelen. Zij proefde voorvocht. [5]
De vriendinnen van [slachtoffer] ; [naam 2] en [naam 3] , zijn ook als getuigen gehoord. Zowel [naam 2] als [naam 3] hebben verklaard dat er veel contact was op de telefoon tussen [slachtoffer] en verdachte. Ze hebben alles gehoord via [slachtoffer] , maar zelf niets in persoon waargenomen. [naam 3] heeft verklaard dat het seksuele contact tussen [slachtoffer] en verdachte is begonnen toen ze met de familie van [naam 1] ging zwemmen op de dag bij Centerparcs. Verder hebben beiden verteld dat verdachte [slachtoffer] in het bubbelbad in het zwemband heeft gevingerd, dat verdachte [slachtoffer] in de auto heeft gezoend, [6] daarnaast heeft [naam 3] ook verklaard dat [slachtoffer] , toen zij bij het huis van verdachte logeerde, van verdachte eerder naar beneden moest komen en dat zij door verdachte op de bank werd gevingerd. [naam 3] heeft ook verklaard dat [slachtoffer] het moeilijk heeft als ze moet vertellen wat er is gebeurd en dat ze veel heeft gehuild. [7]
In de mobiele telefoon van [slachtoffer] zijn verschillende berichten gevonden, die afkomstig waren van het mobiele nummer [telefoonnummer] , welk nummer stond opgeslagen onder de naam ‘ [verdachte] ’. [8] De berichten zijn uitgewerkt en houden voor zover van belang het volgende in:
21-2-2024, 21:37 uur:
Slaaplekker liefste ik denk aan jou! En zit de hele tijd aan je te denken! De rozekwarts kan nu 2 keer zo goed zijn best doen!!!
  • 21-2-2024, 21:38 uur:
  • 24-2-2024, 15:20 uur:
  • 24-2-2024, 15:23 uur:
  • 24:2:2024, 15:29 uur:
  • 24:2:2024, 20:40 uur:
  • 24-2-2024, 20:55 uur:
  • 24-2-2024, 20:55 uur:
  • 24-2-2024, 21:20 uur:
  • 24-2-2024, 21:31 uur
  • 24-2-2024, 21:31 uur
  • 24-2-2024 21:33 uur
  • 24-2-2024, 21:41 uur
  • 25-2-2024, 20:42 uur
  • 25-2-2024, 20:42 uur
  • 25-2-2024, 21:23:
  • 25-2-2024, 21:26:
  • 25-2-2024, 21:28 uur:
  • 26-2-2024, 07:26 uur:
  • 26-2-2024, 07:33 uur:
  • 26-2-2024, 22:24 uur:
  • 26-2-2024, 22:24 uur:
  • 28-2-2024, 18:55 uur:
  • 28-2-2024, 19:19 uur:
  • 28-2-2024, 22:21 uur:
  • 2-3-2024, 07:37 uur:
  • 2-3-2024, 07:37 uur:
  • 2-3-2024, 07:39 uur:
  • 2-3-2024, 07:37 uur:
  • 2-3-2024, 07:37 uur:
  • 4-3-2024, 07:30:
  • 4-3-2024, 7:33 uur
  • 4-3-2024, 21:07 uur :
  • 4-3-2024, 21:08 uur:
  • 4-3-2024, 21:09 uur:
  • 4-3-2024, 21:10 uur:
  • 4-3-2024, 21:18 uur:
  • 4-3-2024, 21:18 uur:
  • 4-3-2024, 21:28 uur:
  • 4-3-2024, 21:28 uur:
  • 4-3-2024, 21:44 uur:
  • 4-3-2024, 21:47 uur:
  • 4-3-2024, 21:45 uur:
  • 4-3-2024, 21:49 uur:
  • 4-3-2024, 21:53 uur:
  • 4-3-2024, 21:57 uur:
  • 4-3-2024, 21:57 uur:
  • 4-3-2024, 21:58 uur:
  • 4-3-2024, 21:58 uur:
  • 4-3-2024, 22:02 uur:
  • 5-3-2024, 07:22 uur:
  • 5-3-2024, 07:23 uur:
  • 5-3-2024, 07:27 uur:
  • 5-3-2024, 21:22 uur:
Uit deze berichtgeving blijkt dat er heel veel Signal-contact is geweest tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte spreekt [slachtoffer] steeds aan met kooswoorden zoals onder andere ‘lief meisje’, ‘mijn meisje’ ‘liefste’ en ‘ lieverdje’. [10] Gedurende ongeveer dezelfde periode (tussen 18 februari 2024 en 7 maart 2024) vond er ook communicatie via Snapchat plaats. Hoewel de inhoud van deze communicatie niet achterhaald kon worden door de politie, is wel gebleken uit het onderzoek dat ‘ [verdachte] ’ 498 keer informatie heeft overgedragen aan [slachtoffer] . [11]
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij deze berichten gestuurd heeft, met uitzondering van het bericht over beffen op 4 maart 2024. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij graag [slachtoffer] wilde helpen afvallen en haar wilde steunen omdat zij de vriendin was van zijn zoon. Hij heeft ook verklaard dat er op een gegeven moment veel contact was tussen hun beiden waardoor een spanning ontstond tussen hem en [slachtoffer] . Toen [slachtoffer] en verdachte in de gang waren bij hem thuis, heeft hij [slachtoffer] één tongzoen gegeven. Deze tongzoen heeft eind februari plaatsgevonden, maar daarna is er niks meer gebeurd. [12]
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte gedurende het onderzoek niet steeds consistent is gebleken. Verdachte heeft voor het eerst tijdens de terechtzitting bekend dat er een tongzoen heeft plaatsgevonden, terwijl hij dat eerder steeds ontkende. Verdachte heeft verklaard dat er enkel sprake was van die ene tongzoen en dat er daarna nooit meer iets heeft plaatsgevonden. Hij verklaarde dat hij er gelijk van schrok en gelijk besefte dat het niet kon.
De verklaring dat er een tongzoen zou hebben plaatsgevonden eind februari waar verdachte van schrok, sluit naar het oordeel van de rechtbank niet aan bij onder andere de intensiteit en inhoud van de gevonden communicatie, ook (juist) nog na eind februari. De inhoud van de berichten blijft een “romantische” en seksuele toonzetting hebben, en dat past niet binnen de verklaring van verdachte. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat verdachte alle berichten heeft gestuurd, maar niet dat ene specifieke bericht over beffen op 4 maart 2024. Het desbetreffende wordt immers voorafgegaan door een inleidende vraag (
Weet ik lief!! Mag ik je een vraag stellen?) om vervolgens te vragen of aangeefster ooit gebeft wil worden. Deze vraag krijgt verdere context doordat verdachte daarna aangeeft dat hij daar zelf gek op is. Deze berichten zitten dus tussen allerlei andere berichten die verdachte wél bekent te hebben gestuurd en er is geen geloofwaardig alternatief scenario geschetst.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is. De rechtbank acht het van belang om voorop te stellen dat de verklaring van [slachtoffer] authentiek overkomt. Daarbij neemt de rechtbank de manier waarop de tenlastegelegde ontuchtige handelingen aan het licht zijn gekomen mee en hoe dat heeft geleid tot een aangifte. [slachtoffer] deed aangifte nadat zij door haar vader met de berichten van verdachte in haar mobiele telefoon werd geconfronteerd en nadat hij had meegelezen met een Whatsapp gesprek tussen [slachtoffer] en een vriendin. [slachtoffer] wist niet dat haar vader haar telefoon controleerde en ook niet dat hij meelas in haar Whatsapp. Aan de authenticiteit van de verklaring draagt ook bij het bericht dat [slachtoffer] direct na de confrontatie met haar ouders naar verdachte stuurde. Daarin waarschuwt zij hem dat haar ouders de berichten hebben gelezen en zegt zij dat zij voor hem gelogen en ‘gecoverd’ heeft. [13]
[slachtoffer] heeft steeds gedetailleerd verklaard over wat er tussen haar en verdachte is gebeurd. Zij heeft specifiek verklaard over de momenten, met exacte plaats en tijd, waarop de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De details in de verklaring van [slachtoffer] zijn bovendien te koppelen aan data en andere bewijsstukken.
Verder is de verklaring van [slachtoffer] steeds hetzelfde gebleven. De aangifte van [slachtoffer] komt in grote lijnen op belangrijke onderdelen overeen met wat zij aan haar vriendinnen [naam 2] en [naam 3] heeft verteld en wat zij op papier voor haar ouders heeft geschreven. Dat maakt dat de verklaring van [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank consistent is.
Tenslotte merkt de rechtbank op dat [slachtoffer] heeft verklaard zelf de verdachte te hebben gebeld, omdat zij zich gevleid voelde door de aandacht die hij haar schonk. Vriendin [naam 3] bevestigt dit, door aan te geven dat [slachtoffer] moeite heeft om ‘nee’ te zeggen. [slachtoffer] vertelde ook aan haar vriendin [naam 2] dat zij zich schaamt, omdat zij niet zo goed haar grenzen durft aan te geven. Naar het oordeel van de rechtbank, draagt het feit en de wijze waarop dat [slachtoffer] de schuld (deels)bij zichzelf neerlegt bij aan de authenticiteit van haar verklaring en versterkt dit de betrouwbaarheid van haar aangifte.
In de betrokkenheid van de vader van [slachtoffer] bij de totstandkoming van de aangifte ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de verklaring.
De rechtbank concludeert dat de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is en zal deze gebruiken voor het bewijs.
Steunbewijs
Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar heeft bevonden, dient de rechtbank te beoordelen of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor haar verklaring.
De verklaringen van de vriendinnen van [slachtoffer] , [naam 2] en [naam 3] , ondersteunen de verklaring van [slachtoffer] . De verklaringen van deze getuigen zijn voor een groot deel zogenoemde
van horen zeggenverklaringen (de-auditu verklaringen) met als bron [slachtoffer] zelf. Zij hebben niet uit eigen waarneming verklaard in die zin dat zij geen getuige zijn geweest van de ten laste gelegde feiten. De getuigen verklaren onder andere wat zij van [slachtoffer] hebben gehoord over wat er gebeurd zou zijn. Deze verhalen komen overeen met de eigen verklaring van [slachtoffer] . Zo hebben beide vriendinnen verklaard, dat de seksuele handelingen tijdens het zwemmen in het bubbelbad in Centerparcs zijn begonnen. Bovendien bevestigen beiden het tongzoenen in de auto en het vingeren op de bank toen [slachtoffer] in het huis van verdachte logeerde. [14] Nu de vriendinnen dit hebben vernomen van [slachtoffer] , kunnen de verklaringen tot zover niet worden aangemerkt als steunbewijs, nu dit voortkomt uit dezelfde bron.
[naam 3] verklaart wel uit eigen waarneming over de emoties die het tenlastegelegde bij [slachtoffer] heeft opgeroepen. [naam 3] verklaart dat zij weet dat [slachtoffer] last heeft van wat er met verdachte is gebeurd en dat zij hierdoor veel heeft gehuild. [naam 3] heeft gemerkt dat [slachtoffer] het niet leuk vindt als het erover gaat. [15] Daar komt bij dat deze gevoelens door de vader van [slachtoffer] worden bevestigd, nu hij heeft verklaard dat [slachtoffer] de laatste weken snel emotioneel was en vaak uitbarstingen had. [16] Dit zijn volgens de rechtbank emoties die kunnen passen bij de door [slachtoffer] beschreven gebeurtenissen en handelingen.
De rechtbank is van oordeel dat de appberichten van de applicatie Signal die in de telefoon van [slachtoffer] zijn gevonden de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen. Zoals al eerder aangegeven ziet de rechtbank in deze berichten een duidelijke “romantische” en seksuele toon, en gaat het onder andere over zoenen, aanraken, kriebelen, knuffelen en beffen. Ook wordt steeds gesproken over dat verdachte [slachtoffer] mist en snel weer wil afspreken. [17] Deze berichten sluiten aan bij de verklaring van [slachtoffer] .
Daarnaast blijkt uit het appbericht van 6 maart 2024, dat [slachtoffer] iets voor verdachte heeft “gecovered,” nadat haar ouders haar mobiele telefoon in beslag hadden genomen. Op de vraag waarom [slachtoffer] dit bericht aan verdachte heeft gestuurd nadat [slachtoffer] door haar vader werd geconfronteerd, geeft verdachte echter geen uitleg.
Het contact tussen verdachte en [slachtoffer] vond voor een groot deel heimelijk plaats. Zo vond het contact onder andere via de applicatie Signal plaats. Volgens [slachtoffer] en verdachte was dit op aanraden van verdachte. [18] Daarnaast werd de optie van ‘verdwijnende berichten’ ingeschakeld, zodat berichten nadat ze gelezen waren automatisch verwijderd werden na een korte periode. [19] Ook werd er op initiatief van verdachte een speciaal mailadres aangemaakt waarvan alleen verdachte en [slachtoffer] het wachtwoord hadden en op welke manier zij berichten konden uitwisselen. [20] In de uitwerking van de Signalberichten valt op te maken dat er veel ’s avonds en vroeg ’s ochtends gecommuniceerd werd. Het heimelijke karakter dat de communicatie had ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] . Daarbij valt op dat [slachtoffer] verklaart over ‘opdrachten’ die verdachte haar zou hebben gegeven in de Signal berichten en dat de berichten soms dwingend van toon waren. Dit wordt ondersteund door de berichtgeving hierboven, waar verdachte schrijft “
Normaal zou ik het eisen nu vraag ik het”en “
Lief de opdracht in jouw snap”en “
Ik eis die 8 punten”.
De rechtbank constateert tot slot meer algemeen dat verdachte de verklaringen van [slachtoffer] bevestigt voor zover die er op zien dat zij samen hebben gezwommen, dat [slachtoffer] vaak bij [naam 1] logeerde en dat verdachte ook wel eens met haar mee richting huis is gefietst.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Nu er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] en de rechtbank haar verklaring betrouwbaar acht, gaat de rechtbank uit van haar verklaring en acht bewezen dat verdachte met [slachtoffer] een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] .
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en het feit bewezen acht. Onder deze voorwaarde is verzocht om het onderzoek te heropenen en [slachtoffer] alsnog als getuige te horen over de vraag wanneer zij haar notitie heeft gemaakt. Dit verzoek heeft betrekking op de notitie die aangetroffen is in de telefoon van [slachtoffer] . De inhoud van deze notitie betrof: ‘Bekentenissen. Kussen. Meer dan vaderfiguur. De wekker/topje. Zwemmen.’ De aanmaakdatum van deze notitie betrof 3 januari 2024, een dag voordat [slachtoffer] met verdachte en zijn familie naar Centerparcs ging.
De officier van justitie heeft tijdens de terechtzitting opgemerkt dat een aanmaakdatum van een notitie niets zegt over wanneer de inhoud van de notitie getypt is. Een eerder aangemaakte notitie kan op een later moment bewerkt worden. De politie heeft geverbaliseerd dat niet achterhaald kan worden op welke datum de notitie mogelijk aangepast of aangevuld is. [21]
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tardief is. [slachtoffer] heeft op 14 maart 2024 aangifte gedaan en is op verzoek van de verdediging op 2 juni 2025 door de rechter-commissaris gehoord. Hierbij was de verdediging aanwezig. De verdediging heeft derhalve voldoende gelegenheid gehad om [slachtoffer] vragen te stellen over deze notitie, maar heeft dit niet gedaan. Bovendien bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 3 juni 2025 op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten waarin een uitgebreidere omschrijving van de strekking van de notities wordt gegeven die in de mobiele telefoon van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Dat niet vast staat wanneer de inhoud van de notitie is geschreven, doet geen afbreuk aan de inhoud van de notitie en de verklaring van [slachtoffer] .
De rechtbank wijst het verzoek af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
een ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode van 7 januari 2024 tot en met 6 maart 2024 te Bennekom en/of te Ede en/of te Heijen, althans in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009,
die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd,
die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op
een ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode van 7 januari 2024 tot en met 6 maart 2024 te Bennekom en/of te Ede en/of te Heijen, althans in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het betasten van de borsten en
/ofde billen en
/ofde vulva van die [slachtoffer] en
/of- het laten aftrekken
en/of betastenvan zijn penis door die [slachtoffer] en
/of- het aftrekken
en/of betastenvan zijn penis in de aanwezigheid van die [slachtoffer] en
/of- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek. De officier van justitie vraagt daarnaast om oplegging van een maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht. Dat houdt in een contactverbod (direct en indirect) met aangeefster, en een locatieverbod voor haar woning en de korfbalvereniging. De maatregel zou moeten gelden voor twee jaar, op straffe van 1 week hechtenis per overtreding, met een maximum van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ten aanzien van de strafmaat ingenomen. Ten aanzien van de 38v Sr-maatregel heeft de verdediging bepleit dat een locatieverbod voor de korfbalvereniging te vergaand is nu verdachte daar uit eigen beweging al niet meer komt en aangeefster mogelijk ooit zal stoppen met korfballen en verdachte ook dan de wedstrijden van zijn zoon niet zou kunnen bijwonen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich als 45-jarige man schuldig gemaakt aan ontucht met de destijds veertienjarige aangeefster. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van aangeefster en de vriendschap tussen aangeefster en zijn eigen zoon, en hij heeft zich daarbij laten meeslepen door zijn gevoelens. Dit getuigt van een gebrek aan inzicht en verantwoordelijkheid die verdachte als volwassen man had moeten nemen. Zijn gedrag staat daarmee haaks op de verklaring van verdachte, dat hij juist heeft geprobeerd een veilige omgeving voor aangeefster te creëren.
Door het plegen van deze ontuchtige handelingen heeft verdachte aangeefsters lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het ondergaan van ontuchtige handelingen de geestelijke en seksuele ontwikkeling van een jongere ernstig kunnen schaden. Het gebeuren heeft een behoorlijke impact gehad op aangeefster. Dit blijkt ook wel uit de PTSS-diagnose die na de feiten bij aangeefster is vastgesteld en de slachtofferverklaringen van aangeefster en haar moeder tijdens de zitting. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan, dat hij op geen enkele manier heeft stilgestaan bij die gevolgen en hij enkel zijn eigen lustbevrediging voorop heeft gesteld.
Verdachte heeft een blanco strafblad.
De rechtbank slaat ook acht op het reclasseringsadvies van 16 oktober 2025 dat over verdachte is opgesteld. Verdachte heeft bij de reclassering de feiten (inclusief de door hem ter zitting bekennende tongzoen en het sturen van de berichten) ontkend, waardoor geen recidivegevaar ingeschat kon worden en geen ingang werd gezien voor mogelijke behandeling. De rechtbank betreurt dit maar kan niet anders dan de reclassering in dit advies te volgen. De reclassering heeft wel kunnen vaststellen dat verdachte beschikt over meerdere stabiele factoren in zijn leven, waaronder zijn gezin.
Voor de hoogte van de op te leggen straf slaat de rechtbank acht op de ter zake geldende LOVS-oriëntatiepunten en op straffen die doorgaans in een zedenzaak als de onderhavige worden opgelegd, waarbij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt geldt. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Aangeefster sport op dezelfde korfbalvereniging als waar de zoon van verdachte sport, en waar zijn vrouw vrijwilligster is. Aangeefster is bovendien nog steeds bevriend met die zoon. De kans dat aangeefster buiten haar wil om in contact zal komen met verdachte is daarom aanwezig. Het locatieverbod zal gelet op bovenstaande redenen gelden voor zowel de woning van aangeefster als voor de korfbalvereniging. Het contactverbod houdt in dat verdachte zich onthoudt van direct of indirect contact met aangeefster.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. De duur van deze hechtenis wordt vastgesteld op 7 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en deze heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het ontucht is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Bij haar is PTSS vastgesteld. Daarnaast hebben de feiten en alles wat die met zich mee hebben gebracht er onder andere toe geleidt dat aangeefster veel schooldagen heeft moeten verzuimen.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 5.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 6 maart 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende
Een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 2 jaren niet bevindt bij de woning aangeefster te [adres 2] en bij korfbalvereniging [naam 4]
en
Een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 2 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
  • veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 50 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams en mr. L.H. Hoogenbergen griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.
Mr. Dams is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 5] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, BHV-nummer PL0600-2024114259, gesloten op 7 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 28-29.
3.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 33, 35-38.
4.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025 met bijlage, p. 1-5.
5.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 38.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 54-55.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , p. 59-61.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 81-89.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 81-89.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 80.
12.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 113.
14.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 53-57; Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 58-62.
15.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 61.
16.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 28.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 81-89.
18.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
19.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
20.Procs-verbaal van aangifte, p. 35.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 80.