Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2143

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/4927, AWB 25/4934
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister mag informatie over dierenwelzijnsinspecties bij roodvleesslachterijen openbaar maken

Een derde heeft de minister verzocht om op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie openbaar te maken over inspectierapporten en werkinstructies van de NVWA met betrekking tot welzijnsschendingen bij Nederlandse roodvleesslachterijen. De minister besloot deze informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eiseres, een rechtspersoon uit de sector, maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De voorzieningenrechter toetste of de minister terecht heeft besloten tot openbaarmaking, waarbij het uitgangspunt is dat bestuursinformatie openbaar is tenzij uitzonderingsgronden zich verzetten. Eiseres voerde aan dat openbaarmaking haar veiligheid in gevaar brengt vanwege dreiging van dierenrechtenextremisten en dat haar privacy wordt geschonden. De rechter oordeelde dat er geen concrete, actuele aanwijzingen zijn voor een reële dreiging en dat de enkele vrees voor dierenrechtenactivisme onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren.

Verder werd overwogen dat eiseres als rechtspersoon geen persoonlijke levenssfeer heeft en dat openbaarmaking van bedrijfsadressen, ook als daar gewoond wordt, niet kan worden geweigerd zonder zwaarwegende redenen. De minister handhaafde het besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking, en de voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen dit oordeel hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de minister mag de informatie openbaar maken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/4927 en 25/4934

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde],
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. J.J. Ton).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van de minister om informatie openbaar te maken die ziet op eiseres, naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de minister op goede gronden heeft beslist tot openbaarmaking.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft beslist om de stukken openbaar te maken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Een derde heeft de minister verzocht om op grond van de Woo informatie openbaar te maken. Het gaat om de volgende documenten bij de NVWA:
  • alle inspectierapporten en rapporten van bevindingen die de NVWA heeft opgemaakt in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 naar aanleiding van welzijnsschendingen bij Nederlandse roodvleesslachterijen en bij de aanvoer van dieren;
  • de specifieke interventies die uit deze inspecties zijn voortgekomen;
  • alle (interne) werkinstructies van de directie Keuren die zien op dierenwelzijns- inspecties bij Nederlandse roodvleesslachterijen.
2.1.
De minister heeft met het besluit van 31 oktober 2024 besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
2.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Het uitgangspunt van de Woo is dat bij bestuursorganen berustende informatie in beginsel openbaar is, tenzij een uitzonderingsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Artikel 5.1 van de Woo bespreekt in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij de absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking te allen tijde achterwege. Bij de relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde, algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. De uitzonderingsgronden moeten in terughoudende zin worden uitgelegd.
3.1.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage.
3.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 februari 2023 [2] geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publieke belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Ook overwoog de Afdeling in deze uitspraak dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA.
Staat vrees voor acties van dierenrechtactivisten in de weg aan openbaarmaking?
4. Eiseres betoogt dat er omstandigheden zijn op basis waarvan sprake is van een algemene dreiging om slachtoffer te worden van dierenactivisme. Daartoe voert zij ten eerste aan dat er binnen non-gouvernementele organisaties (NGO’s) stemmen opgaan voor harde acties richting de sector. Ten tweede is er volgens eiseres een trend gaande om vlees uit de dagelijkse voeding te weren. Eiseres stelt dat de dreiging voor haar, net als voor proefdierhouders, vanwege het maatschappelijk belang zou moeten worden verondersteld. Tot slot neemt het gewelddadig dierenactivisme in Nederland en Europa toe, hetgeen heeft geleid tot vragen in het Europees Parlement.
4.1.
De minister wijst in het verweerschrift op de motivering in het bestreden besluit en naar de vaste rechtspraak van de Afdeling. [3] Eiseres heeft geen concrete en actuele aanknopingspunten gegeven waaruit blijkt dat openbaarmaking leidt tot buitensporige acties van dierenactivisten. Uit het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de NCTV volgt dat dierenrechtenextremisme een zeldzaamheid blijft in Nederland en dat de dierenrechtenbeweging zich geruime tijd hoofdzakelijk activistisch uit, bijvoorbeeld door geweldloos te demonstreren.
4.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van eiseres zo, dat zij een beroep doet op artikel 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo. Het is vaste rechtspraak dat de enkele vrees voor acties van dierenrechtenactivisten door openbaarmaking onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. De enkele algemene veronderstelling van wat dierenrechtenactivisten zouden kunnen doen indien de naar eiseres herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete, actuele aanknopingspunten zijn, aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens eiseres. Uit wat eiseres heeft aangevoerd volgen geen concrete aanknopingspunten van dreiging jegens haar. Ook uit de algemene stelling, onder verwijzing naar de parlementaire vraag, dat de dreiging van acties door dierenrechtactivisten toeneemt, volgt niet dat er aanknopingspunten zijn dat de veiligheid van eiseres in het gedrang is en het belang van de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage zwaarder moeten wegen dan het algemeen belang bij openbaarheid. De minister heeft op de zitting ook nog verwezen naar het dreigingsbeeld terrorisme van de NCTV, waaruit volgt dat extremistische acties door dierenrechtenextremisten in Nederland vrijwel niet voorkomen. Met het betoog van eiseres, dat de minister van een te beperkt dreigingsbeeld uitgaat, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat wel sprake is van concrete aanknopingspunten dat de veiligheid van eiseres in het geding is.
4.2.1.
Verder ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat de Dierproevenrichtlijn (analoog) van toepassing moet worden geacht op eiseres en de stukken waar het Woo-verzoek op ziet. Het is niet gebleken dat eiseres op grond van de huidige wet- en regelgeving onder de werking van de Dierproevenrichtlijn valt of als zodanig behandeld zou moeten worden.
Mag de minister tot eiseres herleidbare gegevens openbaar maken?
5. Eiseres stelt dat vanwege haar privacy en mogelijke benadeling geen gegevens openbaar mogen worden gemaakt die tot haar herleidbaar zijn.
5.1.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Voor zover zij met privacy doelt op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres een rechtspersoon is en als zodanig geen ‘persoonlijke levenssfeer’ kent. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat op het bedrijfsperceel een woning is. De minister heeft wat dat betreft in het bestreden besluit terecht verwezen naar de vaste rechtspraak [4] waaruit volgt dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen publicatie van bedrijfsadressen van enkel een bedrijf en bedrijfsadressen waar ook gewoond wordt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking leidt tot onevenredig nadeel en dat haar belang om dit te voorkomen zwaarder weegt dan het algemene belang bij openbaarheid, mede gelet op dat wat vermeldt staat onder 3.2 van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de minister de stukken openbaar mag maken.
6.1.
De minister heeft op de zitting toegezegd dat er tot twee weken na deze uitspraak gewacht wordt met openbaarmaking, zodat eiseres de gelegenheid heeft om hoger beroep in te stellen. Dit maakt dat de voorzieningenrechter geen reden ziet om een voorlopige voorziening te treffen.
6.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitspraak van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2679) en uitspraak van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:489).
4.Uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2679).