Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2144

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/5166, AWB 25/5168
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister mag informatie over dierenwelzijnsinspecties bij roodvleesslachterijen openbaar maken

Een derde heeft de minister verzocht om op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie openbaar te maken over inspectierapporten en werkinstructies van de NVWA met betrekking tot welzijnsschendingen bij Nederlandse roodvleesslachterijen in 2023. De minister besloot deze informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eiseres, een slachtbedrijf, maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Eiseres voerde aan dat openbaarmaking zou leiden tot een structurele dreiging van sabotage en geweld door dierenrechtenextremisten en tot onevenredige benadeling door reputatieschade. Ook stelde zij dat de stukken geanonimiseerd moeten worden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseres geen concrete, actuele en verifieerbare dreiging aannemelijk heeft gemaakt en dat de enkele vrees voor acties van dierenrechtenactivisten onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. Ook is reputatieschade geen reden voor geheimhouding. De minister heeft bovendien de belangen van eiseres ondervangen door te vermelden dat de documenten nog niet onherroepelijk zijn. Geanonimiseerde openbaarmaking is niet noodzakelijk omdat het publieke belang bij openbaarheid zwaarder weegt.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister mag de stukken openbaar maken, met een uitstel van twee weken om hoger beroep mogelijk te maken. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de minister mag de stukken openbaar maken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/5166 en 25/5168

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. J.J. Ton).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van de minister om informatie openbaar te maken die ziet op eiseres, naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de minister op goede gronden heeft beslist tot openbaarmaking.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft beslist om de stukken openbaar te maken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Een derde heeft de minister verzocht om op grond van de Woo informatie openbaar te maken. Het gaat om de volgende documenten bij de NVWA:
  • alle inspectierapporten en rapporten van bevindingen die de NVWA heeft opgemaakt in 2023 naar aanleiding van welzijnsschendingen bij Nederlandse roodvleesslachterijen en bij de aanvoer van deze dieren;
  • de specifieke interventies die uit deze inspecties zijn voortgekomen;
  • alle (interne) werkinstructies van de directie Keuren die zien op dierenwelzijns- inspecties bij Nederlandse roodvleesslachterijen.
2.1.
De minister heeft met het besluit van 18 juli 2024 besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 26 september 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
2.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Het uitgangspunt van de Woo is dat bij bestuursorganen berustende informatie in beginsel openbaar is, tenzij een uitzonderingsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Artikel 5.1 van de Woo bespreekt in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij de absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking te allen tijde achterwege. Bij de relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde, algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. De uitzonderingsgronden moeten in terughoudende zin worden uitgelegd.
3.1.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage.
3.2.
Op grond van artikel 5.1, vijfde lid, onder de Woo blijft in uitzonderlijke gevallen openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt.
3.3.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 februari 2023 [2] geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publieke belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Ook overwoog de Afdeling in deze uitspraak dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA.
Staat vrees voor acties van dierenrechtactivisten in de weg aan openbaarmaking?
4. Eiseres stelt dat, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit vermeld staat, sprake is van een structureel aanwezige dreiging en uitingen van sabotage en geweld. Zij verwijst naar de parlementaire vraag van het Europees Parlementslid [persoon A].
4.1.
De minister wijst in het verweerschrift op de motivering in het bestreden besluit en naar de vaste rechtspraak van de Afdeling. [3] Eiseres heeft geen concrete, actuele, verifieerbare dreiging aannemelijk gemaakt die specifiek op haar ziet of anderszins dat sprake is van actuele concrete risico’s.
4.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van eiseres zo, dat zij een beroep doet op artikel 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo. Het is vaste rechtspraak dat de enkele vrees voor acties van dierenrechtenactivisten door openbaarmaking onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. De enkele algemene veronderstelling van wat dierenrechtenactivisten zouden kunnen doen indien de naar eiseres herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete, actuele aanknopingspunten zijn, aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens eiseres. Uit wat eiseres heeft aangevoerd volgen geen concrete aanknopingspunten van dreiging jegens haar. Ook uit de algemene stelling, onder verwijzing naar de parlementaire vraag, dat de dreiging van acties door dierenrechtactivisten toeneemt, volgt niet dat er aanknopingspunten zijn dat de veiligheid van eiseres in het gedrang is en het belang van de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage zwaarder moeten wegen dan het algemeen belang bij openbaarheid. De minister heeft op de zitting ook nog verwezen naar het dreigingsbeeld terrorisme van de NCTV, waaruit volgt dat extremistische acties door dierenrechtenextremisten in Nederland vrijwel niet voorkomen. Met het betoog van eiseres, dat de minister van een te beperkt dreigingsbeeld uitgaat, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat wel sprake is van concrete aanknopingspunten dat de veiligheid van eiseres in het geding is.
Leidt openbaarmaking tot onevenredige benadeling?
5. Eiseres stelt dat openbaarmaking van een niet onherroepelijke boete leidt tot onevenredige benadeling, omdat dit kan leiden tot imago- en reputatieschade en negatieve beeldvorming. Het voorkomen van negatieve beeldvorming bij voorbaat weegt zwaarder dan het belang bij openbaarmaking. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het bedrijf onder permanent toezicht staat, waardoor elke fout in het productieproces wordt gezien . Dit leidt tot meer rapportages dan bij een bedrijf waar incidenteel toezicht wordt gehouden . Het permanente toezicht is volgens eiseres een bijzondere omstandigheid.
5.1.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Dat openbaarmaking van informatie, welke te herleiden is naar bedrijven, tot reputatieschade, stigmatisering van ondernemers en financiële schade kan leiden, is onvoldoende om aan te nemen dat openbaarmaking tot onevenredige benadeling leidt. Dergelijke gevolgen zijn geen reden waarom tekortkomingen in de bedrijfsvoering geheim zouden moeten blijven. [4] Dat documenten nog onderwerp van geschil in een juridische procedure zijn, neemt niet weg dat deze documenten inzicht bieden in de wijze waarop de NVWA haar toezichthoudende taak uitoefent. De minister heeft de belangen van eiseres voldoende ondervangen met de vermelding dat de documenten nog niet onherroepelijk zijn. Ook de omstandigheid dat eiseres onder permanent toezicht staat is geen reden om aan te nemen dat zij onevenredig wordt benadeeld bij openbaarmaking van de gegevens. Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegepast. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het permanent toezicht maakt dat er sprake is van een uitzonderlijk geval.
Moeten de stukken geanonimiseerd openbaar gemaakt worden?
6. Eiseres stelt dat, indien de stukken openbaar gemaakt moeten worden, de stukken geanonimiseerd moeten worden. Zij heeft in haar beroepschrift per document aangegeven welke gegevens volgens haar onleesbaar gemaakt moeten worden. Het betreft onder meer de gegevens over bedrijfsnaam, vestigingsadres en woonadres.
6.1.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De minister heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat het algemeen, publieke belang onvoldoende gediend is met geanonimiseerde openbaarmaking. Gelet op dat wat onder 3.2 van deze uitspraak is vermeld, ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat de stukken enkel geanonimiseerd openbaar mogen worden gemaakt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de minister de stukken openbaar mag maken.
7.1.
De minister heeft op de zitting toegezegd dat er tot twee weken na deze uitspraak gewacht wordt met openbaarmaking, zodat eiseres de gelegenheid heeft om hoger beroep in te stellen. Dit maakt dat de voorzieningenrechter geen reden ziet om een voorlopige voorziening te treffen.
7.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitspraak van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2679) en uitspraak van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:489).
4.Uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:489).