Verzoekster diende op 3 december 2025 drie aanvragen voor rechtsbijstand in, waaronder een voor een bodemprocedure over gezag, omgang en kinderalimentatie, een voor een voorlopige voorziening in die procedure, en een voor een klacht tegen de advocaat van haar ex-echtgenoot. De Raad voor Rechtsbijstand stelde aanvullende vragen bij de eerste aanvraag en nam geen tijdige beslissing, terwijl de andere twee aanvragen werden afgewezen.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de afwijzingen en verzocht om voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek over de eerste aanvraag niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, waardoor het formele connexiteitsvereiste niet was vervuld. De verzoeken over de andere twee aanvragen werden inhoudelijk beoordeeld.
Voor de klacht tegen de advocaat was geen spoedeisend belang aangetoond, zodat het verzoek werd afgewezen. Voor de aanvraag inzake voorlopige voorziening was wel sprake van spoedeisend belang, maar de voorzieningenrechter vond het niet passend om vooruit te lopen op de bezwaarprocedure door een voorschot toe te kennen, mede gezien het ontbreken van beleid en de uitzonderingen die de raad al had gemaakt op grond van het Verdrag van Istanbul.
De voorzieningenrechter erkende de ernstige situatie van verzoekster als slachtoffer van intieme terreur en de financiële problemen, maar benadrukte dat elke aanvraag zorgvuldig moet worden beoordeeld. De verzoeken werden afgewezen en het verzoek over de eerste aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.