ECLI:NL:RBGEL:2026:2209

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25_2829
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Huisvestingsverordening Gemeente Berg en Dal 2024Art. 20 Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024Art. 22 Huisvestingsverordening Gemeente Berg en Dal 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag woonurgentieverklaring wegens verwijtbare verantwoordelijkheid en geen hardheidsclausule

Eiser diende op 30 augustus 2024 een aanvraag in voor een woonurgentieverklaring nadat hij vanwege relatieproblemen en echtscheiding zijn woning in Duitsland had verlaten en sindsdien bij een vriend verbleef. Het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal wees de aanvraag af omdat eiser verwijtbaar verantwoordelijk werd geacht voor het ontstaan van zijn woonnoodsituatie en de hardheidsclausule niet van toepassing was.

De rechtbank oordeelt dat het college dit besluit terecht heeft genomen. Eiser was hoofdhuurder van de woning en had de verantwoordelijkheid om zijn hoofdverblijf te behouden of terug te krijgen. Ondanks het handelen van zijn ex-vrouw en verhuurder heeft eiser lange tijd geen pogingen ondernomen om terug te keren of de uitschrijving ongedaan te maken. Ook het late verzoek tot echtscheiding en onvoldoende inspanningen om woonruimte te vinden ondersteunen dit oordeel.

Verder is geoordeeld dat de situatie van eiser niet uitzonderlijk genoeg is om de hardheidsclausule toe te passen. De belangen van zijn kinderen wegen niet zwaar genoeg mee omdat zij niet bij hem wonen en hij pas recent gedeeltelijk zorg draagt. Ook heeft eiser onvoldoende actief gereageerd op woningaanbod.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de woonurgentieverklaring wegens verwijtbare verantwoordelijkheid en geen toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2829

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal

(gemachtigde: E. Okubazghi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een woonurgentieverklaring. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om een woonurgentieverklaring heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 28 januari 2025 heeft het college de aanvraag van eiser om een woonurgentieverklaring afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij deze afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze zaak?
3. Eiser heeft op 30 augustus 2024 een aanvraag ingediend om een woonurgentieverklaring. Eiser woonde samen met zijn (inmiddels) ex-vrouw in een huurwoning in [plaats 2], Duitsland. Vanwege relatieproblemen en uiteindelijk een echtscheiding, verblijft eiser sinds juli 2023 voornamelijk bij een vriend in [plaats 1]. Eiser heeft in Nederland vier kinderen uit twee andere relaties. Sinds zijn verblijf in Nederland draagt hij gedeeltelijk de zorg voor deze kinderen.
3.1.
Het college heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens het college voldoet eiser niet aan alle voorwaarden voor verstrekking van een woonurgentieverklaring. Weliswaar is er sprake van een woonnoodsituatie die binnen vier maanden moet worden opgelost, maar eiser is volgens het college verwijtbaar verantwoordelijk voor het ontstaan van deze noodsituatie. Verder ziet het college geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, omdat niet is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijke en/of levensbedreigende situatie.
Het beoordelingskader
4. In de regio [regio] is schaarste aan sociale huurwoningen en zijn er veel mensen met spoed op zoek naar een woning. Deze mensen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een noodurgentieverklaring. Vanwege de schaarste zijn de voorwaarden voor een noodurgentieverklaring streng. Als een woningzoekende voorrang krijgt, betekent dat immers dat anderen langer moeten wachten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een noodurgentieverklaring staan in de Huisvestingsverordening Gemeente Berg en Dal 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement).
4.1.
Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Verordening kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, als deze noodsituatie niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen, en niet door betrokkene zelf kan worden opgelost. Daarnaast moet de noodsituatie zodanig ernstig zijn dat het onverantwoord is deze situatie langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat, voor zover er sprake is van verwijtbare verantwoordelijkheid voor het ontstaan of voortbestaan van de persoonlijke noodsituatie als bedoeld in het vierde lid, dit geldt tot een maximum van drie jaar na het ontstaan van de woonnoodsituatie.
4.1.1.
In artikel 20, onder a, van het Reglement is nader uitgewerkt wanneer sprake is van een verwijtbare verantwoordelijkheid. De woonnoodsituatie moet buiten de schuld van betrokkene zijn ontstaan, in die zin dat betrokkene niet verwijtbaar verantwoordelijk is te stellen voor het ontstaan of voortbestaan van de problemen. De woonnoodsituatie was voor betrokkene niet te voorzien of betrokkene was niet in staat tijdig maatregelen te nemen om de (huidige of aanstaande) woonnoodsituatie te voorkomen. Voor zover er sprake is van verwijtbare verantwoordelijkheid voor het ontstaan of voortbestaan van de persoonlijke noodsituatie, geldt dit tot een maximum van drie jaar na het ontstaan van de woonnoodsituatie. Van een betrokkene wordt verwacht eerst zelf aantoonbaar naar een oplossing van het probleem te hebben gezocht voordat een urgentie wordt gevraagd.
4.2.
Op grond van artikel 22 van Pro de Verordening is het college bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
Heeft het college kunnen concluderen dat eiser verwijtbaar verantwoordelijk is voor het ontstaan van de woonnoodsituatie?
5. Eiser betoogt dat hij, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet verwijtbaar verantwoordelijk is voor het ontstaan en voortbestaan van het woonprobleem. Eiser heeft de relatie met zijn (inmiddels) ex-vrouw in 2023 beëindigd. Zijn ex-vrouw weigerde het huis in [plaats 2], waarvan hij de hoofdhuurder was, te verlaten. Vanwege de ernstige ruzies kon eiser niet meer met haar in één huis wonen, en daarom verbleef hij vanaf juli 2023 bij een vriend in [plaats 1]. Het was op dat moment niet de bedoeling van eiser om het huis definitief te verlaten. Eiser wilde afstand nemen van de situatie, vanuit [plaats 1] in alle rust de echtscheiding regelen, terugkeren naar de woning in [plaats 2], en vanuit daar passende woonruimte zoeken, bij voorkeur in de buurt van zijn kinderen in [plaats 1]. Zijn ex-vrouw heeft eiser echter zonder zijn toestemming en medeweten, per 31 augustus 2023 laten uitschrijven van het adres in [plaats 2]. Eiser kwam hier pas in mei 2024 via de gemeente achter, nadat hij ontdekte dat de sloten van de woning waren vervangen en de verhuurder hem geen informatie gaf. Het lukte hem toen niet om de uitschrijving ongedaan maken. Het kan eiser daarom niet worden verweten dat hij niet meer kan terugkeren naar de woning in [plaats 2].
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser verwijtbaar verantwoordelijk is voor het ontstaan van de woonnoodsituatie. Eiser was de hoofdhuurder van de woning in [plaats 2] en het was zijn verantwoordelijkheid om zijn hoofdverblijf in deze woning te houden, dan wel terug te krijgen. Het handelen van zijn ex-vrouw en de verhuurder maakt, wat daar ook van zij, niet dat het eiser niet kan worden verweten dat hij niet meer kan terugkeren naar de woning. Eiser heeft lange tijd geen poging gedaan om terug te keren en heeft, toen hij in mei 2024 hoorde dat hij was uitgeschreven van het adres, ook geen enkele actie ondernomen om dit ongedaan te maken. Dat eiser de Duitse taal onvoldoende machtig is, is daarvoor geen excuus. Verder heeft eiser pas op 9 januari 2025, anderhalf jaar na zijn vertrek uit de woning, een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de feiten en omstandigheden van het geval geen ondersteuning bieden voor de stelling van eiser dat het altijd zijn intentie was om terug te keren naar de woning. Eiser is dan ook zelf verantwoordelijk voor het ontstaan van de woonnoodsituatie. Die verwijtbaarheid kan eiser voor een periode van maximaal drie jaar worden tegengeworpen. Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat deze periode eindigt op 30 augustus 2027 (drie jaar na het indienen van de aanvraag).
Heeft het college kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule?
6. Eiser betoogt dat het college in zijn omstandigheden aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De vriend bij wie hij nu verblijft, kan hem niet langer onderdak bieden en afgesproken is dat eiser na de uitspraak van de rechtbank in deze zaak de woning moet verlaten. Eiser heeft geen andere woonruimte en het is niet de verwachting dat hij deze snel zal vinden. Hij heeft te weinig inschrijfjaren voor een sociale huurwoning en zijn inkomen is te laag voor een woning in de particuliere sector. Eiser heeft een woning nodig om voor zijn kinderen te kunnen zorgen en zijn opvoedtaken te kunnen uitvoeren. Eiser heeft gezamenlijk gezag over de kinderen en één van de kinderen heeft het hoofdverblijf bij hem. [1]
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank heel goed begrijpt dat eiser zich in een moeilijke situatie bevindt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van eiser niet zodanig uitzonderlijk is dat toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule en eiser voorrang moet krijgen op andere woningzoekenden. Het college heeft de belangen van de kinderen onvoldoende zwaarwegend kunnen achten, omdat de kinderen nooit bij eiser in [plaats 2] hebben gewoond, eiser pas sinds zijn verblijf in Nederland gedeeltelijk de zorg voor hen draagt, en de kinderen bij hun moeders kunnen wonen totdat eiser passende woonruimte heeft gevonden. De toelichting van eiser op de zitting dat de woning waar drie van zijn kinderen bij hun moeder wonen te klein is en dat zijn dochter van elf jaar oud privacy nodig heeft, kan, wat daar ook van zij, in deze procedure niet bij de belangenafweging worden betrokken. Als de moeder van de drie kinderen in een woonnoodsituatie verkeert, is het aan haar om een aanvraag om een woonurgentieverklaring in te dienen. Het college heeft verder van belang kunnen achten dat eiser onvoldoende heeft geprobeerd om een woning te vinden. Op de zitting heeft het college toegelicht dat eiser, van de tweehonderd keer dat hij op een woning had kunnen reageren, slechts zeventig keer – alleen op eengezinswoningen in [plaats 1] – heeft gereageerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser heeft een beschikking van de rechtbank Gelderland van 16 april 2025 overgelegd, waarin is vastgesteld dat één van de kinderen het hoofdverblijf bij eiser heeft en waarin het ouderschapsplan voor wat betreft drie kinderen is bekrachtigd.