ECLI:NL:RBGEL:2026:2221

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/6702
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRBArt. 6 Wet MRBArt. 11 Wet algemene bepalingenArt. 19 Wet MRBArt. 37 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond: naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting bij gebruik openbare weg tijdens schorsing

Belanghebbende was houder van een personenauto waarvan het kenteken gedurende twee perioden geschorst was. Op 15 augustus 2023 werd vastgesteld dat met deze auto gebruik werd gemaakt van de openbare weg, ondanks de schorsing. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete op. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de auto op een privéparkeerplaats bij een garage stond, waar hij dacht dat parkeren was toegestaan.

De rechtbank oordeelde dat de doodlopende weg bij de garage een openbare weg is en dat het gebruik van de auto op die weg tijdens de schorsing onrechtmatig was. De naheffingsaanslag en boete zijn daarom terecht en correct vastgesteld. De rechtbank wees het beroep af en overwoog dat zij geen ruimte heeft om de billijkheid van de wet te toetsen.

Verder werd vastgesteld dat de boete passend is en niet gematigd hoeft te worden, ondanks overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter L.L. van Benthem op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6702

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 mei 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak dat loopt van 9 oktober 2022 tot en met 25 september 2023 opgelegd van € 195 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 97 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [persoon A] en [persoon B] deelgenomen namens de inspecteur. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 10 december 2025 aan [belanghebbende] op het adres [locatie 1] , [postcode] [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 11 december 2025 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende was blijkens het kentekenregister van 19 februari 2008 tot en met 25 september 2023 houder van een personenauto van het merk Fiat, type Uno met het kenteken [kenteken] (de auto).
2. Gedurende de periode van 14 april 2022 tot en met 13 april 2023 en van 13 april 2023 tot en met 26 september 2023 is de geldigheid van het kenteken van de auto geschorst geweest in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
3. Op 15 augustus 2023 is geconstateerd dat met de auto van de openbare weg ( [locatie 2] , [plaats] ) gebruik werd gemaakt.
4. Bij brief van 12 december 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging naheffingsaanslag met boete gestuurd.
5. Belanghebbende heeft op deze vooraankondiging op 21 december 2023 gereageerd.
6. Met dagtekening 6 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor de periode 9 oktober 2022 tot en met 25 september 2023 opgelegd van € 195. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 97 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt.
7. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 24 mei 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De naheffingsaanslag
10. Belanghebbende geeft aan dat de auto drie maanden op de parkeerplaats van garage Zijlstra stond voor reparatie. Uiteindelijk is besloten om de auto te laten slopen. De auto heeft vervolgens nog even op de parkeerplaats gestaan en is daarna in een doodlopende weg bij de garage geparkeerd. In deze weg staan alleen auto’s voor reparatie bij de garage. Belanghebbende ging ervan uit dat de auto daar kon staan en dat er op die plek niet gecontroleerd zou worden.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. Er is geconstateerd dat gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig waarvan het kentekenbewijs op dat moment geschorst was. Ook de doodlopende weg bij de garage is een openbare weg.
12. Op grond van artikel 1, eerste lid, en artikel 6 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is het houden van een personenauto belast met motorrijtuigenbelasting. Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat deze belasting niet geheven wordt voor een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst. De schorsingsregeling is een begunstigende regeling – er wordt namelijk geen belasting geheven – maar kent strikte voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat er geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. [1]
13. De motorrijtuigenbelasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de openbare weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Daarbij wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste het tijdvak waarin gebruik van de weg is gemaakt. Als het motorrijtuig tijdens een deel van de tijdvakken niet op naam heeft gestaan van de houder van het motorrijtuig, wordt over dat gedeelte geen belasting nageheven. [2]
14. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat op 15 augustus 2023 met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg, terwijl het kenteken van de auto geschorst was. Belanghebbende betwist dit niet. De inspecteur heeft rekening gehouden met de periode waarin het houderschap van belanghebbende reeds beëindigd was. De motorrijtuigenbelasting is dus terecht en tot de juiste hoogte nageheven.
15. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat hij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
De boete
16. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. [3] Op grond van artikel 37 van Pro de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bedraagt de boete 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 97. De rechtbank is van oordeel dat deze boete passend en geboden is. De rechtbank ziet geen reden om de boete te matigen.
17. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. Sinds de start van de termijn is meer dan twee jaar verstreken. Omdat de boete niet meer dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 18 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 35 van Pro de Wet MRB.
3.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
4.Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.