ECLI:NL:RBGEL:2026:2225

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_6020
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ter Verordening (EU) 269/2014Art. 2 Verordening (EU) 269/2014Art. 17 Verordening (EU) 269/2014Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing ontheffing omzetting certificaten met Russische effecten

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzoek van eiser om toestemming voor de omzetting van certificaten met onderliggende Russische effecten die bij de National Settlement Depository (NSD) worden aangehouden. De minister van Financiën verleende aanvankelijk ontheffing, maar wijzigde later de voorwaarden en geldigheidsduur van deze ontheffing, wat tot bezwaar en beroep door eiser leidde.

De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft omdat rechtshandelingen bij de omzetting door Nederlandse entiteiten worden verricht, waardoor een Nederlandse ontheffing vereist is. De rechtbank stelt vast dat de minister onterecht voorwaarden stelde aan de geldigheidsduur van de ontheffing, met name de termijn tot 25 juni 2025 voor omzetting en tot 25 juni 2026 voor geldigheid, die als onevenredig en onredelijk worden beoordeeld.

De rechtbank wijst het verzoek om prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie af, omdat het geschil niet hypothetisch is en de voorwaarden reeds onredelijk zijn bevonden. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed, maar een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen de voorwaarden van de ontheffing opnieuw te beoordelen en een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6020

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op eisers verzoek om toestemming te verlenen voor de omzetting van certificaten met onderliggende Russische effecten die bij de National Settlement Depository (NSD) worden aangehouden. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze beslissing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak eerst tot het oordeel dat eiser procesbelang heeft. Verder oordeelt de rechtbank dat eiser ontheffing nodig heeft voor de omzetting, maar dat de voorwaarden die aan deze ontheffing gesteld zijn niet gesteld konden worden. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Heeft eiser een procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit? Onder 4 staat het beoordelingskader. Onder 5 de omvang van het geschil. Onder 6 volgt het antwoord op de vraag of er bij de gevraagde omzetting van certificaten tegoeden of economische middelen ter beschikking gesteld worden aan de NSD. Onder 7 of de voorwaarde van omzetting tot en met 25 juni 2025 gesteld kan worden en onder 8 of de voorwaarde van geldigheid tot en met 25 juni 2026 gesteld kan worden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft de minister verzocht om op grond van artikel 6 ter Pro, onderdeel 5 bis bis, van Verordening (EU) 269/2014 (verordening) toestemming te verlenen voor de omzetting van certificaten met onderliggende Russische effecten die bij de National Settlement Depository (NSD) worden aangehouden, met het oog op de verkoop van de onderliggende effecten.
2.1.
Met het besluit van 7 november 2023 heeft de minister ontheffing verleend. De minister verleent toestemming voor de omzetting van de certificaten, met het oog op de verkoop van de onderliggende effecten. Verder verleent de minister toestemming voor de indirecte beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen aan de NSD voor zover die resulteert uit de bedoelde omzetting. Onder de voorwaarde dat eiser de diensten van de minister uiterlijk 25 december 2024 schriftelijk informeert over de verkoop van de onderliggende effecten. De ontheffing is geldig vanaf het moment van afgifte tot en met 25 december 2023.
2.2.
Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 op het bezwaar van eiser heeft de minister het besluit van 7 november 2023 herroepen voor wat betreft de geldigheidsduur van de ontheffing en de datum waarop eiser uiterlijk zijn diensten schriftelijk moet informeren over de verkoop van de onderliggende effecten. Beiden worden met anderhalf jaar verlengd. Daarnaast wordt een tekstuele wijziging doorgevoerd om de geldigheidsduur van de ontheffing te verduidelijken. Voor het overige wordt het besluit van 7 november 2023 gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld en het onderzoek op zitting gesloten. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister vergezeld door mr. O.E.S. Dusée en mr. L.A. de Jager.
2.5.
De rechtbank heeft op 15 april 2025 het onderzoek heropend om de minister in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op een aantal vragen. Met de brief van 20 juni 2025 heeft de minister geantwoord op deze vragen, waarna eiser bij brief van 6 juli 2025 een reactie heeft gegeven.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister vergezeld door [persoon A] .

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser een procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit?
3. Voordat de rechtbank aan de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit toekomt, ziet zij zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij die beoordeling.
3.1.
Eiser gebruikt als beleggingsbank FlatexDEGIRO Bank AG, die gevestigd is in Duitsland. Hij is zelf woonachtig in Nederland en is een Nederlands staatsburger. Hij stelt zowel bij de Nederlandse minister van Financiën, als bij de Duitse Bundesbank een ontheffingsverzoek op grond van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening te hebben ingediend. Op 9 oktober 2023 heeft de Bundesbank een vrijstellingsbesluit genomen. De Bundesbank heeft eiser op 27 oktober 2023 de noodzakelijke bevestiging toegezonden. Omdat onduidelijk is welke autoriteit in dit geval bevoegd is heeft eiser zekerheidshalve bij beide autoriteiten een aanvraag ingediend. Eiser stelt dat voor zover hij gebruik moet maken van een ontheffing, hij dan ook liever alleen gebruik maakt van de Duitse vrijstellingsregeling en – voor zover mogelijk – in het geheel niet van de Nederlandse ontheffing die veel meer beperkingen kent dan de Duitse vrijstellingsregeling.
3.2.
De minister heeft in beroep op verzoek van de rechtbank de vraag beantwoord of het klopt dat de omzetting van de certificaten van eiser is toegestaan gelet op de door de Bundesbank verleende Allgemeingenehmigung van 9 oktober 2023. En als de omzetting is toegestaan of dat betekent dat eiser voor de omzetting van de certificaten de door de minister verleende ontheffing niet nodig heeft. Als de ontheffing niet nodig is, is de vraag of eiser dan volgens de minister nog procesbelang heeft.
3.2.1.
De minister geeft als antwoord dat voor zover de certificaten van eiser worden gehouden via een beleggingsinstelling die gevestigd is in Duitsland en er voor de omzetting van de certificaten geen rechtshandelingen verricht worden door in Nederland gevestigde instanties, er voor eiser geen ontheffing van de Nederlandse autoriteiten vereist is. Als er aan deze voorwaarden voldaan is, heeft eiser geen procesbelang meer.
3.2.2.
Eiser stelt dat er bij de omzetting van de certificaten rechtshandelingen worden verricht door Nederlandse entiteiten, namelijk hijzelf, Stichting DEGIRO en ABN AMRO Clearing Bank.
3.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat, voor zover er rechtshandelingen worden verricht door in Nederland gevestigde instanties, eiser voor de omzetting van certificaten een ontheffing van de Nederlandse autoriteiten nodig heeft. Eiser heeft onweersproken gesteld dat er voor de omzetting van de certificaten rechtshandelingen worden verricht door in Nederland gevestigde autoriteiten. Dit betekent dat eiser een Nederlandse ontheffing nodig heeft en voor deze omzetting geen gebruik kan maken van de Duitse vrijstelling. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij een uitspraak op zijn beroep.
Beoordelingskader
4. De verordening is tot stand gekomen in reactie op de schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie en trad in werking op 17 maart 2014. De verordening strekt mede tot bevriezing van de tegoeden en economische middelen van bepaalde personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, en van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die daarbij betrokken zijn. [1] Met deze beperkende maatregelen wordt beoogd druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. [2]
4.1.
De verordening moet uniform en autonoom worden uitgelegd. De betekenis van gebezigde begrippen in deze verordening kan niet afhankelijk zijn van de uitleg van nationaal recht. [3] Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan. [4]
4.2.
Het beschikbaarstellingsverbod is geregeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening. Dit artikellid bepaalt dat er geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
4.3.
Artikel 6 ter Pro, vijfde lid, bis bis, van de verordening bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in afwijking van artikel 2 van Pro de verordening toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen die – in dit geval – toebehoren aan NSD, of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen aan die entiteit, op voorwaarden die de bevoegde autoriteit passend achten en nadat zij hebben vastgesteld dat:
a. a) dergelijke tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor de verkoop of de overdracht van effecten door een in de Unie gevestigde entiteit die onder zeggenschap staat of stond van de onder nummer 82 onder de rubriek „Entiteiten” van bijlage I vermelde entiteit;
b) dergelijke verkoop of overdracht uiterlijk op 31 december 2023 is voltooid, en
c) dergelijke verkoop of overdracht geschiedt op basis van verrichtingen, contracten of andere overeenkomsten die vóór 3 juni 2022 met de onder nummer 82 of 101 onder de rubriek „Entiteiten” van bijlage I vermelde entiteit zijn gesloten of waarbij deze anderszins betrokken is.
4.4.
Artikel 17 van Pro de verordening bepaalt het toepassingsbereik. De verordening is, voor zover in deze zaak relevant, van toepassing voor alle personen die zich binnen of buiten de EU bevinden, zolang zij onderdaan zijn van een lidstaat.
Omvang van het geschil
5. Het staat vast dat de NSD op de lijst in bijlage I van de verordening staat. In geschil is of eiser ontheffing nodig heeft voor de gevraagde omzetting van zijn certificaten waarbij de NSD is betrokken, of de minister de voorwaarden zoals gesteld in de ontheffing kan stellen en tot slot of de rechtbank over moet gaan tot het stellen van prejudiciële vragen.
5.1.
Buiten de omvang van het geschil valt de vraag of de door de NSD aangehouden effecten onder bevroren tegoeden vallen. De ontheffing ziet op de omzetting van de certificaten en niet op de status van de effecten na die omzetting. De vraag of eiser ontheffing nodig heeft voor de omzetting van zijn certificaten waarbij de NSD niet betrokken is valt ook buiten de omvang van het geding. Eiser heeft namelijk gevraagd om een ontheffing waar de NSD bij betrokken is. Ook de vraag of omzetting mogelijk is zonder ontheffing beoordeelt de rechtbank niet omdat eiser expliciet heeft verzocht om toestemming te verlenen voor de omzetting met het oog op de verkoop van de onderliggende effecten. Deze vragen kunnen daarom niet ter discussie worden gesteld en vallen buiten de omvang van dit geding.
Worden er bij de gevraagde omzetting van de certificaten tegoeden of economische middelen ter beschikking gesteld aan de NSD?
6. Eiser betoogt dat, wanneer omzetting plaatsvindt zonder dat er gebruik gemaakt hoeft te worden van de ontheffing, verkoop van de onderliggende effecten niet nodig is. Volgens eiser is er brede consensus onder marktpartijen en (bevoegde) autoriteiten dat omzetting ook zonder gebruikmaking van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening mogelijk is. Omzetting van certificaten kan plaatsvinden zonder gebruikmaking van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening en de op basis van dat artikel gebaseerde ontheffing, als er geen betaling plaatsvindt aan de NSD en er dus geen tegoeden beschikbaar worden gesteld aan de NSD. Volgens eiser interpreteren veel Europese marktpartijen de Europese verordening zo dat omzetting geen overtreding van Europese sanctieregels oplevert als er geen tegoeden beschikbaar gesteld worden aan gesanctioneerde entiteiten. Ook de Europese Commissie neemt in de FAQ volgens eiser het standpunt in dat de omzetting van certificaten geen overtreding van de sanctieregeling met zich brengt zolang er geen tegoeden beschikbaar worden gesteld. In die gevallen blijft volgens eiser de ontheffing onbenut.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 5.1. vastgesteld valt de vraag of er omgezet kan worden zonder dat er gebruik gemaakt wordt van de ontheffing buiten de omvang van het geding. Eiser heeft namelijk expliciet verzocht om op grond van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening toestemming te verlenen voor de omzetting van certificaten met onderliggende Russische effecten die bij de NSD worden aangehouden, met het oog op de verkoop van de onderliggende effecten. Doordat eiser omzetting beoogt met het oog op de verkoop van de onderliggende effecten is de rechtbank met de minister van oordeel dat er bij een dergelijke omzetting op enig moment tegoeden beschikbaar worden gesteld aan de NSD. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de door de Duitse Bondsbank verleende vrijstelling, waarin vrijstelling wordt verleend voor de omzetting en de beschikbaarstelling.
Kan de voorwaarde van omzetting tot en met 25 juni 2025 gesteld worden?
7. Eiser stelt dat de voorwaarde dat de omzetting plaats kan vinden tot en met 25 juni 2025, is gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening.
7.1.
De minister hecht waarde aan een duidelijk afgebakende periode waarin de ontheffing inzetbaar is. Dit omdat een ontheffing een uitzonderingspositie creëert met betrekking tot de algemene bevriezingsverplichting op de NSD. De minister stelt dat de beperkte geldigheidsduur ook passend is gelet op de grondslag en het doel van artikel 6 ter Pro, vijfde lid bis bis, van de verordening en het sanctieregime als geheel. Het doel van dat artikel was niet om voor onbepaalde tijd de mogelijkheid in stand te houden om te handelen in deze effecten. Het feit dat de ontheffing voor een bepaalde datum aangevraagd diende te worden en deze ook voor een bepaalde datum verleend diende te worden laat volgens de minister duidelijk zien dat de verordening het enkel mogelijk probeerde te maken voor beleggers om op korte termijn afstand te doen van de Russische effecten. De minister stelt daarbij dat op grond van artikel 6 ter Pro, vijfde lid, bis bis, van de verordening de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming mogen verlenen voor de omzetting onder voorwaarden die zij passend achten. Deze formulering leidt logischerwijs tot verschillende wijzen van uitvoering in de verschillende EU-lidstaten. Dat de Duitse Bundesbank geen deadline lijkt te stellen aan het omzetten van de certificaten is voor de minister onvoldoende reden om af te zien van het belang dat hij hecht aan een afgebakende periode.
7.2.
De beroepsgrond slaagt. De minister mocht de voorwaarde van omzetting tot en met 25 juni 2025 niet stellen. De rechtbank leest in de beslissing op bezwaar dat de Europese Commissie het gerechtvaardigd acht als een lidstaat het toestaat om de omzetting van certificaten ook na 25 december 2023 te laten plaatsvinden, mits hier uiterlijk op 25 december 2023 toestemming voor gegeven is. De rechtbank constateert dat er op 7 november 2023 in het ontheffingsbesluit toestemming is verleend voor omzetting.
7.2.1.
De minister verlengt in de beslissing op bezwaar de geldigheid van de ontheffing met anderhalf jaar en wel tot en met 25 juni 2025. De argumentatie die hier aan ten grondslag ligt is dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetting van de certificaten niet voor de originele deadline van 25 december 2023 kon plaatsvinden, in combinatie met het feit dat de Europese Commissie desgevraagd een ruimere interpretatie van het betrokken artikel gerechtvaardigd acht. De rechtbank is, gelet op de argumentatie van de minister in de beslissing op bezwaar, van oordeel dat de minister uitgaat van een onjuiste interpretatie van artikel 6 ter Pro, vijfde lid, bis bis, van de verordening. In tegenstelling tot wat de minister betoogt bestaat er geen originele deadline van 25 december 2023 tot wanneer omzetting kon plaatsvinden. Deze deadline houdt enkel in dat de minister voor 25 december 2023 toestemming moest verlenen voor omzetting en deze toestemming heeft de minister verleend met het ontheffingsbesluit van 7 november 2023.
7.2.2.
De minister heeft de voorwaarde van omzetting tot en met 25 juni 2025 gesteld. De minister komt bij het stellen van voorwaarden beleidsruimte toe. Dit betekent dat de minister de voorwaarden kan stellen die hij passend acht. De beleidsruimte brengt bovendien mee dat niet is uitgesloten dat een andere lidstaat andere voorwaarden stelt.
7.2.3.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of de voorwaarde van omzetting tot en met 25 juni 2025 redelijk en reëel is of dat deze voorwaarde onevenredig is. Bij het antwoord op die vraag wordt als maatstaf gehanteerd of de voorwaarde in het besluit geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken en of het op zichzelf geschikte en noodzakelijke besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde voorwaarde onredelijk is. De minister heeft eerder de datum verlengd in verband met omstandigheden die nog steeds van toepassing zijn. De minister beargumenteert niet waarom het onder deze zelfde omstandigheden redelijk is om vast te houden aan de datum van 25 juni 2025. Daarom acht de rechtbank het vasthouden aan die datum onevenredig.
Kan de voorwaarde van geldigheid tot en met 25 juni 2026 gesteld worden?
8. Eiser stelt dat ten onrechte als voorwaarde wordt gesteld dat de indirecte beschikbaarstelling van tegoeden of economische middelen aan de NSD plaats kan vinden tot en met 25 juni 2026.
8.1.
De minister stelt dat artikel 6 ter Pro, vijfde lid, bis bis, van de verordening duidelijk ziet op toestemming voor het omzetten van certificaten ‘met het oog op de verkoop van het onderliggende effect’. De minister acht het daarom passend om hier de voorwaarde aan te verbinden dat de onderliggende effecten dan ook daadwerkelijk indien mogelijk binnen een jaar verkocht worden. Als er na de omzetting van de certificaten geen prikkel volgt om de onderliggende effecten daadwerkelijk te verkopen, wordt er niet voldaan aan het vereiste dat de omzetting gedaan wordt met het oog op de verkoop van het onderliggende effect. Volgens de minister is het noodzakelijk dat om dit te controleren de houder van een ontheffing hem hierover informeert. Volgens de minister is de bedoeling van de sanctieregelgeving dat de omzetting van certificaten überhaupt niet zou moeten plaatvinden. Met artikel 6 ter Pro, vijfde lid, bis bis, van de verordening is een tijdelijke uitzondering hierop gemaakt, zodat beleggers de mogelijkheid krijgen om op korte termijn afstand te doen van Russische effecten. Als vervolgens blijkt dat dit niet binnen afzienbare tijd mogelijk is, is het niet onredelijk om te verwachten dat beleggers die de ontheffing aangevraagd hebben – net als de beleggers die dat niet (tijdig) gedaan hebben – zullen moeten wachten tot het moment waarop de sancties worden opgeheven.
8.2.
De beroepsgrond slaagt. De minister mocht de voorwaarde van geldigheid tot en met 25 juni 2026 niet stellen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de gestelde voorwaarde in beginsel geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken, maar niet evenwichtig. Gebleken is dat door een samenloop van maatregelen en sancties de verleende ontheffing feitelijk niet kon worden gebruikt. Hoewel eiser, gelet op de geldigheid tot en met 25 juni 2026, in theorie nog tijdig gebruik kan maken van de ontheffing, is verdere verlenging van de geldigheidsduur op dit moment niet mogelijk. Dit klemt, nu niet duidelijk is of eiser daadwerkelijk in staat zal zijn de hem verleende ontheffing tijdig te gebruiken. In de situatie dat eiser door buiten zijn invloedsfeer gelegen omstandigheden geen gebruik kan maken van zijn ontheffing, moet eiser de mogelijkheid hebben om de geldigheidsduur te laten verlengen. Die mogelijkheid is er nu niet. Daar komt bij dat de datum van 25 juni 2026 ook door andere bevoegde autoriteiten niet als uiterste datum voor de beschikbaarstelling van tegoeden wordt gezien.
Overige gronden
9. Omdat de meest verstrekkende beroepsgronden van eiser slagen, is het beroep al om die reden gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.
Moet de rechtbank prejudiciële vragen stellen?
10. Eiser verzoekt de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie (Hof). Gelet op de verschillen in interpretatie van de Europese verordening tussen de verschillende nationale competente autoriteiten, is er volgens eiser evident geen sprake van een acte clair die het standpunt van de minister ondersteunt. Volgens eiser is in dit kader van belang dat Nederland vaker een dubieuze uitleg heeft gegeven aan Europese sanctieverordeningen.
10.1.
De rechtbank wijst het verzoek van eiser om prejudiciële vragen te stellen af.
Uit vaste rechtspraak [5] blijkt dat het Hof geen vragen in behandeling neemt die gaan over hypothetische gevallen. Eiser heeft een ontheffing aangevraagd, deze ontheffing heeft eiser ook verkregen. Zoals de minister terecht stelt is de vraag of ontheffing voor de omzetting van de certificaten nodig is, geen geschikt onderwerp is voor een prejudiciële vraag omdat het geen daadwerkelijk geschil betreft. Voor wat betreft de vraag of er voorwaarden voor wat betreft de omzetting en de geldigheid gesteld kunnen worden aan de ontheffing heeft de rechtbank in overweging 7.2.3. en 8.2. geoordeeld dat deze voorwaarden onder omstandigheden onevenredig zijn. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Proceskostenvergoeding
11. Eiser verzoekt een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaar- en beroepsfase van de procedure.
11.1.
Eiser heeft het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar op de zitting van 8 april 2025 laten vallen. Voor wat betreft het verzoek om proceskosten in de beroepsfase kan op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een veroordeling in de kosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb uitsluitend betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser heeft dan wel een juridisch advies bureau, maar hij kan niet aangemerkt worden als een derde. Van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dan ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat de aan de ontheffing gestelde voorwaarden onevenredig zijn.
12.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw moet beslissen voor wat betreft de gestelde voorwaarden met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor acht weken.
12.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de gestelde voorwaarden;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt de minister op het griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals blijkt uit punt 4 van de considerans de verordening.
2.Zie ook Gerecht EU 30 november 2016, ECLI:EU:T:2016:689 (Rotenberg/Raad van de Europese Unie), punt 176.
3.Vergelijk.HvJEU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management), punt 45.
4.HvJEU 18 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:800 (IG Metall), punt 31.
5.Onder andere zaak C-83-91, Meilicke.