Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzoek van eiser om toestemming voor de omzetting van certificaten met onderliggende Russische effecten die bij de National Settlement Depository (NSD) worden aangehouden. De minister van Financiën verleende aanvankelijk ontheffing, maar wijzigde later de voorwaarden en geldigheidsduur van deze ontheffing, wat tot bezwaar en beroep door eiser leidde.
De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft omdat rechtshandelingen bij de omzetting door Nederlandse entiteiten worden verricht, waardoor een Nederlandse ontheffing vereist is. De rechtbank stelt vast dat de minister onterecht voorwaarden stelde aan de geldigheidsduur van de ontheffing, met name de termijn tot 25 juni 2025 voor omzetting en tot 25 juni 2026 voor geldigheid, die als onevenredig en onredelijk worden beoordeeld.
De rechtbank wijst het verzoek om prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie af, omdat het geschil niet hypothetisch is en de voorwaarden reeds onredelijk zijn bevonden. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed, maar een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.