ECLI:NL:RBGEL:2026:2260

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/659
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid WavArt. 18b, tweede lid WmlWet minimumloon en minimumvakantiebijslagWet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bevel tot preventieve stillegging wegens herhaalde overtredingen Wml en Wav

Verzoekster, een autoschadeherstelbedrijf, kreeg een bevel tot preventieve stillegging opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vanwege herhaalde overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Na een administratief onderzoek op 18 september 2025 stelde de arbeidsinspectie vast dat verzoekster een vreemdeling zonder vereiste vergunningen liet werken en niet kon aantonen dat het minimumloon werd betaald. Verzoekster maakte bezwaar tegen het bevel en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, omdat de overtredingen herhaald zijn en verzoekster geen bewijs heeft geleverd van betaling conform de Wml. Het feit dat de vreemdeling inmiddels rechtmatig in Nederland verblijft en mag werken, doet hieraan niet af.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en zal de stillegging ingaan op 13 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bevel tot stillegging wordt afgewezen en de stillegging gaat in op 13 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/659
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] B.V., uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigden: mr. J. Boogaard en mr. S. Özdemir).

Inleiding

1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dat verzoek om een voorlopige voorziening is gericht tegen een bevel tot (preventieve) stillegging dat de minister aan verzoekster heeft gegeven wegens herhaalde overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
1.1.
Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister het bevel gegeven voor de duur van twee maanden. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bevel en heeft de voorzieningenrechter hangende bezwaar verzocht om dit besluit te schorsen.
1.2.
De minister heeft de werking van het besluit opgeschort tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekster hebben [persoon A], [persoon B] en de gemachtigde deelgenomen aan de zitting. De minister heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak wordt hieronder weergegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter zet hieronder eerst uiteen hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om het bevel tot (preventieve) stillegging bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekster.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoekster exploiteert een autoschadeherstelbedrijf dat gevestigd is aan de
[locatie] in [plaats]. Verzoekster heeft eerder overtredingen begaan op grond van de Wml en Wav en is bij besluiten van 7 januari 2025 door de minister gewaarschuwd dat bij volgende overtredingen de werkzaamheden van het bedrijf stilgelegd kunnen worden. Verzoekster heeft, voor zover relevant, tegen de besluiten van 7 januari 2025 bezwaar gemaakt. Die procedures lopen nog.
3.1.
Op 18 september 2025 voerden arbeidsinspecteurs een administratief onderzoek uit bij het bedrijf van verzoekster. De arbeidsinspecteurs hebben vastgesteld dat verzoekster wederom de Wml en Wav overtreedt. Het gaat om overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav en overtreding van artikel 18b, tweede lid van de Wml. De overtredingen houden verband met het laten werken van een vreemdeling (de heer [naam]) zonder de vereiste vergunningen en het niet kunnen overleggen van gevorderde gegevens over hem, zodat niet vastgesteld kan worden of hij het minimumloon heeft ontvangen voor zijn gewerkte uren.
3.2.
Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister besloten om een bevel tot (preventieve) stillegging op te leggen en om inspectiegegevens openbaar te maken. Verzoekster is tegen het besluit van 3 februari 2026 in bezwaar gegaan en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Mocht de minister het bevel geven?
4. Verzoekster voert aan dat het besluit tot preventieve stillegging op dit moment niet meer rechtmatig is, omdat is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht in de bezwaarfase. De betreffende vreemdeling, die door de arbeidsinspectie is aangetroffen in het bedrijfspand van verzoekster, is intussen rechtmatig in Nederland en heeft het recht om hier arbeid te verrichten. Daarom is er geen kans op herhaling, aldus verzoekster.
5. Het betoog van verzoekster komt er – kort samengevat – op neer dat de heer [naam] nu alsnog het recht heeft om arbeid te verrichten. Wat daar ook van zij, aan het bevel tot (preventieve) stillegging ligt ook een (herhaalde) overtreding van de Wml ten grondslag. Verzoekster voert aan dat het verzoek ook is gericht tegen het bevel voor zover gebaseerd op de Wml, maar dat blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet expliciet uit de gronden. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat zelfs als de gronden daar wel op zouden zien, de minister terecht heeft aangevoerd dat overtreding van de Wml geheel los staat van het verblijfsrecht en van de vraag of de werknemer in Nederland mag werken. Hetgeen verzoekster aanvoert over het recht om te werken doet dus niet af aan het feit dat verzoekster bij de illegale vreemdeling had moeten en kunnen aantonen dat hij betaald werd in overeenstemming met de Wml. Ook zonder BSN-nummer kan dat dat aangetoond worden, bijvoorbeeld door het verstrekken van bankafschriften.
5.1.
Verzoekster wijst erop dat risico op herhaling niet aanwezig is, maar dit is al een herhaling na eerdere waarschuwingen en ook tot op heden is het de voorzieningenrechter niet gebleken van enige onderbouwing van de betalingen aan de heer [naam]. Er zijn op dit moment dan ook geen aanknopingspunt dat er verbeteringen zijn doorgevoerd door verzoekster.
5.2.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de minister het bevel, dat bedoeld is om verbeteringen door te voeren en om toekomstige overtredingen te voorkomen, heeft mogen opleggen. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Dat betekent dat de stillegging in zal gaan op 13 maart 2026.
6.1.
Omdat het verzoek wordt afgewezen, bestaat voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht geen aanleiding.
6.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.