ECLI:NL:RBGEL:2026:2262

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
AWB 22_270
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM wegens handelsinkoopwaarde en schade

Belanghebbende heeft op 23 september 2020 aangifte BPM gedaan voor een gebruikte Volvo XC60, waarbij een taxatierapport met schade werd overgelegd. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op op basis van een hogere handelsinkoopwaarde zonder meer dan normale gebruiksschade, zoals vastgesteld in een DRZ-rapport.

Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat de schade en de BPM-waarde herleid moesten worden via een herrekende bruto BPM-methode, verwijzend naar artikel 110 VWEU Pro. De inspecteur verwierp dit en stelde dat de wettelijke methoden van tabelafschrijving, koerslijst of taxatiemethode gelden.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer dan normale gebruiksschade was en dat de herleidingsmethode niet is toegestaan volgens artikel 10 Wet Pro BPM. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de Staat een immateriële schadevergoeding van €3.000 moet betalen. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/270

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 oktober 2021.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.863.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 23 september 2020 aangifte bpm gedaan voor een Volvo XC60 2.0 T6 AWD R-design (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Benzine
CO2-uitstoot
177 gr/km
Datum eerste toelating
3-5-2018
Netto Catalogusprijs
€ 52.034
Historische nieuwprijs
€ 82.425
Handelsinkoopwaarde
€ 25.100
Bruto bpm
€ 19.463 (historisch 1e toelating)
Te betalen bpm
€ 5.926
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd, opgemaakt door [persoon D], gecertificeerd taxateur, en gedagtekend op 20 september 2020. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 35.750 (op basis van een koerslijst van XRAY) vermeld, een schadecalculatie van € 10.900 en een handelsinkoopwaarde met schade van € 25.100 vermeld.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto geen meer dan normale gebruiksschade heeft, dat de handelsinkoopwaarde € 37.781 is (op basis van een koerslijst van XRAY), dat de historische nieuwprijs € 92.645 is en dat de netto-catalogusprijs € 60.480 is.
4. Met dagtekening 12 maart 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 37.781, een historische nieuwprijs van € 92.645, een bruto bpm van € 19.463 en een extra leeftijdskorting van € 148. De verschuldigde bpm heeft hij vastgesteld op € 7.789.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. In geschil is de handelsinkoopwaarde en de bruto bpm. Daarbij is in het bijzonder in geschil of:
  • de inspecteur ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen;
  • de verschuldigde bpm moet worden herleid uit de herrekende bpm.
Belanghebbende heeft op de zitting zijn stelling dat DRZ onvoldoende onafhankelijk is ondubbelzinnig prijsgegeven.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Handelsinkoopwaarde
8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat uit het taxatierapport duidelijk blijkt welke schades aanwezig zijn. Ook wijst belanghebbende op in de branche ontwikkeld beleid. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade en wijst op het DRZ-rapport. Aan beleid van de branche hoeft de inspecteur zich niet te conformeren.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade had. Belanghebbende heeft niet concreet gesteld welke schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid. De inspecteur is daarnaast niet gebonden aan binnen de branche ontwikkeld beleid bij de beoordeling van de schade.
Bruto bpm: herleiding uit de herrekende bpm
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 110 van Pro het VWEU met zich brengt dat de verschuldigde bpm moet worden herleid uit de herrekende bruto bpm die is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze methode voor het vaststellen van een vermindering wettelijk niet is toegestaan. Omdat de toegestane methoden op zichzelf geen strijd met artikel 110 van Pro het VWEU opleveren, is er geen reden hiervan af te wijken.
11. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 10 van Pro de Wet BPM kan de in aanmerking te nemen vermindering voor een gebruikte auto worden vastgesteld aan de hand van de tabelafschrijving, op basis van een koerslijst of in bepaalde gevallen de taxatiemethode. Andere methoden, waaronder de door belanghebbende voorgestane herleidingsmethode, zijn niet toegestaan. Daarnaast kan belanghebbende met de herleidingsmethode niet aantonen dat in vergelijking met gelijksoortige voertuigen te veel bpm wordt geheven en dat dus in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU is gehandeld. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 11 juli 2025 [1] .
Redelijke termijn
12. Belanghebbende heeft op de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
13. Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen op 13 april 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 35 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. De Staat moet deze schadevergoeding betalen, omdat de overschrijding geheel voor rekening van de Staat komt.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. [2] Zij krijgt wel vergoeding van de proceskosten van € 233,50 [3] . De Staat moet dit bedrag betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.000;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
3.1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25.