AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM wegens koerslijst en CO2-uitstoot WLTP
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.459 opgelegd door de inspecteur, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank beoordeelde het beroep op 11 februari 2026 en oordeelde dat de inspecteur terecht uitging van de gehanteerde koerslijsten en de CO2-uitstoot volgens de WLTP-methode.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat auto 1 een ex-rental betrof, waardoor de inspecteur terecht de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst gebruikte. Voor auto 2 was de door belanghebbende overgelegde koerslijst niet bruikbaar vanwege verschillen in opties, waardoor de inspecteur terecht de tabel toepaste.
Verder faalde het beroep op grond van een vermeende schending van artikel 110 VWEUPro en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot de hogere CO2-uitstoot door de WLTP-methode. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke aanpassing van CO2-schijven en tarieven per 1 juli 2020 rechtmatig was en dat de staatssecretaris zich op macro niveau had uitgelaten.
Ten slotte kende de rechtbank een schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van € 233,50. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de naheffingsaanslag in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/190 en 23/191
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [naam bedrijf], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 oktober 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.459.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C].
Feiten
1. Belanghebbende heeft aangiften bpm gedaan voor de volgende auto’s:
Audi A6 Avant 45 TSFI Sport (auto 1);
Range Rover Velar 2.0 250 Turbo AWD R dynamic S (auto 2).
In de aangiften zijn de volgende gegevens vermeld:
Auto 1
Auto 2
Brandstof
Benzine
Benzine
CO2-uitstoot
136 gr/km
220 gr/km (wltp)
Datum eerste toelating
15-11-2019
29-3-2021
Netto Catalogusprijs
€ 54.648
€ 65.368
Historische nieuwprijs
€ 73.438
€ 111.269
Handelsinkoopwaarde
€ 33.078
€ 56.993
Bruto bpm
€ 7.313 (historisch)
€ 32.174 (actueel)
Te betalen bpm
€ 3.293
€ 16.479
In beide aangiften heeft belanghebbende de afschrijving gebaseerd op een koerslijst van Xray. In beide koerslijsten is aangevinkt dat het gaat om ex-rental auto’s.
2. Belanghebbende heeft de in de aangiften vermelde bedragen voldaan.
3. De inspecteur heeft een controle ingesteld naar de juistheid van de aangiften en zich op het standpunt gesteld dat te weinig bpm is voldaan.
4. Voor auto 1 heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 148 gr/km en daarom van een bruto bpm van € 9.641. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm vastgesteld op € 4.342 uitgaande van de volgende gegevens:
Handelsinkoopwaarde € 39.565 (koerslijst Xray zonder ex-rental)
Historische nieuwprijs € 78.474
Bruto bpm € 9.641
5. Voor auto 2 heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat in de koerslijst meer opties zijn vermeld dan op het voertuig aanwezig zijn. De inspecteur heeft de afschrijving gebaseerd op de tabel. De netto-catalogusprijs is volgens de inspecteur € 62.298 en de verschuldigde bpm is € 23.889.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. Met betrekking tot auto 1 is de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde en de bruto bpm in geschil. Met betrekking tot auto 2 is de handelsinkoopwaarde en de bruto bpm in geschil.
8. Bij beide auto’s is voor wat betreft de handelsinkoopwaarde in het bijzonder in geschil of de koerslijst van belanghebbende kan worden gebruikt, omdat daarbij de optie ex-rental is toegepast.
9. Het geschil met betrekking tot de bruto bpm spitst zich bij beide auto’s toe op de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan de wijziging van de CO2-meetmethode van NEDC naar WLTP. Daarbij zijn in het bijzonder de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
Hebben auto's door de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode een hogere CO2-uitstoot gekregen?
Worden WLTP/NEDC2 geteste auto's daardoor zwaarder belast?
Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEUPro, omdat gelijksoortige referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken?
Als WLTP/NEDC2 geteste auto's tot een hoger bedrag in de heffing van bpm worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2bniet tot een hogere belastingdruk mag leiden?
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Handelsinkoopwaarde: optie ex-rental
11. Belanghebbende stelt zich bij auto 1 op het standpunt dat wel degelijk sprake is van een ex-rental. Voor het overige ziet belanghebbende geen aanleiding de door de inspecteur gehanteerde koerslijst voor auto 1 te betwisten. Bij het nader stuk van 29 januari 2026 heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst (XRAY) voor auto 2 overgelegd waarbij de optie ex-rental niet is toegepast. Hieruit volgt een handelsinkoopwaarde van € 60.383.
12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat auto 1 een ex-rental is. Met betrekking tot auto 2 wijst de inspecteur erop dat de nieuwe koerslijst van belanghebbende minder opties bevatten (€ 11.000 aan opties) dan de bij aangifte gebruikte koerslijst (€ 14.000 aan opties).
13. De rechtbank oordeelt als volgt.
14. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat auto 1 een ex-rental is. De enkele stelling dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende. Belanghebbende heeft de door de inspecteur gehanteerde koerslijst voor het overige niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de handelsinkoopwaarde die volgt uit deze koerslijst.
15. De rechtbank leidt uit de bij het nader stuk overgelegde koerslijst van belanghebbende af dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat auto 2 een ex-rental is. De bij aangifte overgelegde koerslijst is daarom niet bruikbaar. De inspecteur heeft terecht gewezen op het verschil in opties zoals vermeld op de koerslijst bij aangifte en de bij het nader stuk overgelegde koerslijst. Op de zitting heeft belanghebbende hiervoor geen verklaring kunnen geven. Daarom is de bij het nader stuk overgelegde koerslijst ook niet bruikbaar. De inspecteur is bij auto 2 daarom terecht uitgegaan van de tabel.
Historische nieuwprijs auto 1
16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bij auto 1 moet worden uitgegaan van een hoger historische nieuwprijs van € 75.565.
17. Op de zitting heeft de rechtbank belanghebbende voorgehouden dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een hogere historische nieuwprijs dan belanghebbende bepleit. Belanghebbende heeft daarop gesteld dat de vermelding van € 75.565 in het beroepschrift dan een tikfout moet zijn geweest. De rechtbank leidt hieruit af dat belanghebbende de historische nieuwprijs van € 78.474 die de inspecteur heeft gebruikt niet meer betwist.
Beide auto’s: bruto bpm
18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat WLTP-NEDC2 geteste auto’s gemiddeld 6 gr/km zwaarder worden belast. Dit is in strijd met artikel 110 vanPro het VWEU, omdat gelijksoortige auto’s die in dezelfde periode zijn ingevoerd en waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld met de NEDC-methode, lager worden belast. Belanghebbende wijst op een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6453. De heffing op basis van een hogere CO2-uitstoot is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat de staatsecretaris van Financiën zich op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van meetmethode niet tot een hogere belastingdruk mag leiden.
19. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft voor de onderhavige voertuigen op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving op correcte wijze een CO2-uitstoot geregistreerd. Belanghebbende heeft niet aan zijn stelplicht voldaan, om gelijksoortige voertuigen aan te wijzen, dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse auto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige auto in nieuwe staat is geregistreerd.
20. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. De auto’s zijn niet in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst toegelaten op de weg. Niet gesteld of gebleken is dat op de datum van eerste toelating een gelijksoortige auto in nieuwe staat is geregistreerd in Nederland, waarvoor als gevolg van de restantvoorraadregeling op grond van de NEDC-methode een lagere CO2-uitstoot is vastgesteld. [1] Van een schending van artikel 110 vanPro het VWEU is dan geen sprake. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel is ook geen sprake. De uitlatingen van de staatssecretaris zien op de belastingdruk op macro niveau en niet op individuele gevallen. De wetgever heeft in verband met wijziging van de meetmethode de CO2-schijven en de tarieven per 1 juli 2020 aangepast. [2] Tot 1 juli 2020 was de transitieregeling [3] van toepassing.
Tussenconclusie
21. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van belanghebbende falen en dat er geen reden is de naheffingsaanslagen te verminderen.
Redelijke termijn
22. Belanghebbende heeft in het nader stuk van 29 januari 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
23. Het bezwaarschrift is ontvangen op 20 april 2022. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 23 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat sprake is van één naheffingsaanslag wordt maar één keer een schadevergoeding toegekend. De Staat moet deze schadevergoeding betalen, omdat de overschrijding geheel voor rekening van de Staat komt.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. [4] Hij krijgt wel vergoeding van de proceskosten van € 233,50 [5] . De Staat moet dit bedrag betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.000;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.