ECLI:NL:RBGEL:2026:2268
Rechtbank Gelderland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen op basis van onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding
Eiser betwistte de herziening van zijn AOW-pensioen van de alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had dit herzieningsbesluit genomen op grond van het feit dat eiser en [persoon A] hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en een geldige samenlevingsovereenkomst hadden gesloten.
De rechtbank oordeelde dat het feitelijke hoofdverblijf bepalend is en niet de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Uit het huurcontract en de bevestiging van eiser bleek dat [persoon A] vanaf 15 september 2021 feitelijk op het adres van eiser woonde. De aanwezigheid van een geldige samenlevingsovereenkomst leidt tot een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Algemene Ouderdomswet.
Eiser voerde aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat zij een eigen huishouding hielden, ondersteund door verklaringen. De rechtbank vond deze verklaringen onvoldoende en niet toereikend om af te wijken van het rechtsvermoeden. De SVB hoefde daarom niet te onderzoeken of er sprake was van wederzijdse zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening van het AOW-pensioen vanwege het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.