ECLI:NL:RBGEL:2026:2313

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/05/453335 / FZ RK 25-1524 en C/05/453348 / FZ RK 25-1526
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en aanhouding definitieve beslissing in complexe gezinszaak

In deze zaak hebben twee minderjarige kinderen via de informele rechtsingang de kinderrechter verzocht om een wijziging van de zorgregeling. De kinderrechter heeft op basis van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en gesprekken met de kinderen en ouders een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verblijven.

De Raad adviseerde de rechtbank om de huidige zorgregeling te wijzigen en de definitieve beslissing aan te houden voor negen maanden, zodat met hulpverlening en een ervaren regiehouder gewerkt kan worden aan de problematiek binnen het gezin. De kinderen ervaren de nieuwe regeling als rustgevend, ondanks dat deze pas kort van kracht is.

Er zijn zorgen over de spanningsklachten van de kinderen, schoolverzuim en de wijze waarop ouders met deze zorgen omgaan. De hulpverlening richt zich op het verbeteren van het opvoedgedrag, het emotioneel welzijn van de kinderen en het herstellen van de ouderrelaties. De kinderrechter legt de voorlopige zorg- en vakantieregeling vast en houdt de definitieve beslissing aan tot eind december 2026, waarna de Raad opnieuw zal adviseren.

Uitkomst: De kinderrechter wijzigt de zorgregeling voorlopig en houdt de definitieve beslissing aan tot eind december 2026 met inzet van hulpverlening en regiehouder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/453348 / FZ RK 25-1526 en C/05/453335 / FZ RK 25-1524
Beschikking zorgregeling van 25 maart 2026 naar aanleiding van een informele rechtsingang
in de zaak van:
[naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [het kind 1] ,
en
[naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [het kind 2] .
Merkt als belanghebbenden:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 juli 2025;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 januari 2026.
1.2.
In de tussenbeschikking van 15 juli 2025 heeft de kinderrechter de Raad verzocht om onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de vraag: ‘Welke verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders is in het belang van [het kind 1] en [het kind 2] ?’. De verdere behandeling is aangehouden en aangegeven is dat na ontvangst van het rapport van de Raad, [het kind 1] en [het kind 2] weer zouden worden uitgenodigd voor een kindgesprek, en daarna ook de ouders en de Raad voor een nieuwe mondelinge behandeling.
1.3.
De kinderrechter heeft op 3 maart 2026 met [het kind 1] en [het kind 2] gesproken.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van 3 maart 2026 zijn gehoord:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.5.
De zaken C/05/453348 / FZ RK 25-1526 en C/05/453335 / FZ RK 25-1524 zijn gelijktijdig behandeld.

2.Wat ligt er nog voor

2.1.
[het kind 1] en [het kind 2] hebben zich tot de kinderrechter gewend via de zogenaamde
“informele rechtsingang” (op grond van artikel 1:251a, vierde lid, van het Burgerlijk
Wetboek). Dat betekent dat zij de kinderrechter vragen van haar ambtshalve bevoegdheid
gebruik te maken om een beslissing te nemen over de zorgregeling.

3.Het advies van de Raad

3.1.
De Raad adviseert de rechtbank om de huidige zorgregeling te wijzigen en voorlopig vast te stellen dat [het kind 1] en [het kind 2] om de week van vrijdag 15:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de vader zijn, waarbij de moeder [het kind 1] en [het kind 2] op vrijdag naar de vader brengt en de vader [het kind 1] en [het kind 2] op zondag naar de moeder brengt.
3.2.
Met betrekking tot de vakanties adviseert de Raad deze te behouden zoals is vastgelegd in de huidige zorgregeling met als enige wijziging dat de kinderen op zondagavond 18:30 uur terug worden gebracht naar de moeder door de vader.
3.3.
De Raad adviseert de rechtbank de definitieve beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van negen maanden, zodat de Raad in de gelegenheid wordt gesteld aanvullend te rapporteren over de stand van zaken met betrekking tot de ingezette hulpverlening voor de kinderen en de ouders en aan de hand daarvan advies kan geven over een definitieve zorgregeling.
3.4.
Gezien de complexe situatie waarbij het de ouders onvoldoende lukt om in gezamenlijkheid het ouderschap vorm te geven, vindt de Raad een vaste en ervaren
regiehouder wenselijk. Iemand die in afstemming met de ouders de hulp en afspraken coördineert, evalueert en bijstelt wanneer nodig. Doordat de zorgen elkaar onderling beïnvloeden, is het belangrijk dat er systemisch gewerkt wordt. In de praktijk zou dit betekenen dat er naast externe casusregie een uitvoerende instantie zoals at.zorg betrokken is voor de individuele behandeling en systeeminterventie. Specialistische kennis vanuit de casusregie en uitvoerende instantie met complexe echtscheidingen en hoogbegaafdheid is hierbij een must. De focus dient hierbij te liggen op het opvoedgedrag van de ouder.

4.De verdere beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de brieven van [het kind 1] en [het kind 2] aangemerkt als een (informele) eigen rechtsingang van een minderjarige en zal deze procedure daarom op die manier behandelen.
4.2.
Volgens de artikelen 1:377g, 1:377a en 1:253a lid 4 BW, heeft de minderjarige van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de kinderrechter. Na een gesprek met de minderjarige kan de kinderrechter ambtshalve besluiten de zorgregeling op grond van artikel 1:377e BW te wijzigen.
4.3.
De kinderrechter zal de zorgregeling wijzigen. Gebleken is dat de door de Raad geadviseerde gewijzigde regeling inmiddels wordt uitgevoerd. De kinderrechter zal deze regeling vastleggen als
voorlopigezorgregeling en daarnaast een
voorlopigevakantieregeling vastleggen. De kinderrechter houdt de beslissing over de definitieve regelingen aan. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
4.4.
De kinderrechter stelt vast dat er grote zorgen zijn over de kinderen. Naast de zorgen die zijn omschreven in de tussenbeschikking van 15 juli 2025 volgt uit het raadsrapport dat [het kind 1] en [het kind 2] te maken hebben met blijvende spanningsklachten met betrekking tot de vader. Ook worden er zorgen geuit door de school van [het kind 1] en [het kind 2] . [het kind 2] is introvert en weinig leerbaar. [het kind 1] staat volgens GelukkigHB in een overlevingsstand en de school geeft aan dat zij ongelukkig overkomt en angstige momenten heeft. Daarnaast is er sprake van veelvuldig schoolverzuim bij beide kinderen. Verder zijn er zorgen over hoe de ouders met de zorgen van de kinderen omgaan. Waar de vader de zorgen van de kinderen niet herkent, lijkt de moeder teveel mee te gaan in de gevoelens van de kinderen. Tot slot zijn er zorgen over de volwassenproblematiek waarmee de ouders de kinderen belasten. Vanwege deze zorgen heeft de Raad geadviseerd om gedurende de komende maanden de zorgregeling in duur te beperken, zodat er meer rust komt voor de kinderen en er met behulp van hulpverlening naar een passende (definitieve) zorgregeling kan worden gekeken.
4.5.
Tijdens het gesprek met [het kind 1] en [het kind 2] is gebleken dat er al uitvoering wordt gegeven aan het advies van de Raad. Hoewel deze regeling pas sinds een paar weken is ingegaan, geven de kinderen aan dat zij dit als fijn ervaren en dat het hen ook rust geeft. De komende periode wordt er met behulp van een casusregisseur vanuit de gemeente en hulpverlening vanuit at.zorg met de kinderen en de ouders gewerkt aan individuele behandeling en systeeminterventie. Hoewel de vader het begrijpelijkerwijs moeilijk vindt dat de zorgregeling in duur wordt beperkt, staan beide ouders achter deze hulpverlening en willen zij wat het beste is voor de kinderen. De rechtbank sluit zich daarom aan bij het advies van de Raad en legt de huidige zorgregeling als voorlopige zorgregeling vast en houdt de beslissing op het verzoek verder aan tot 28 december 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt de Raad om de kinderrechter en de ouders uiterlijk op voormelde pro formadatum te informeren over de stand van zaken over de ingezette hulpverlening voor de kinderen en de ouders en aan de hand daarvan te adviseren over een definitieve zorgregeling.
4.6.
De rechtbank neemt de door de Raad in haar rapport van 16 januari 2026 geformuleerde doelen over in deze beschikking als richtlijn voor de hulpverlening:
  • [het kind 2] en [het kind 1] hebben de gebeurtenissen met onveiligheid verwerkt en hun emotie-regulatievaardigheden en probleemoplossende vermogen uitgebreid;
  • [het kind 2] en [het kind 1] voelen zich (voldoende) gezien, begrepen en gehoord zonder oordeel, doordat de ouders in staat zijn om aan te sluiten bij de specifieke emotionele ontwikkelingsbehoeftes van [het kind 2] en [het kind 1] , waarbij sprake is van hoogbegaafdheid en kind zijn van gescheiden ouders. De ouders hebben hierbij hun kennis en vaardigheden uitgebreid en kunnen het geleerde duurzaam toepassen in de praktijk. Vanuit succeservaringen groeit hierbij het onderlinge vertrouwen;
  • [het kind 2] en [het kind 1] kunnen kind zijn doordat zij verbaal en non-verbaal niet belast worden met volwassenzaken;
  • [het kind 2] en [het kind 1] maken adequaat gebruik van het onderwijsaanbod, waarbij er vanuit hun hoogbegaafdheid en persoonlijk functioneren wordt aangesloten bij hun onderwijsbehoeftes.
Om deze doelen te bereiken is het volgens de Raad essentieel dat de ouders worden betrokken in psycho-educatie en dat er zoveel als mogelijk in het belang van de kinderen middels systeembehandeling wordt gewerkt aan het herstellen van relaties. De kinderrechter sluit zich aan bij dit advies van de Raad en overweegt verder dat het niet is uitgesloten dat voormelde doelen gedurende het hulpverleningstraject nog moeten worden bijgesteld. Dit is ter beoordeling van de hulpverleners.
4.7.
De kinderrechter sluit zich ook aan bij het advies van de Raad dat een vaste en ervaren regiehouder nodig is. De kinderrechter heeft op de mondelinge behandeling begrepen dat mevrouw [regiehouder] van de gemeente [gemeentenaam] deze rol zal gaan vervullen.
4.8.
Ten aanzien van de vakantieverdeling hebben de ouders aangegeven dat zij voor de komende zomervakantie een andere verdeling zijn overeengekomen, waarbij de kinderen de eerste week bij de vader, de tweede en derde week bij de moeder, de vierde en vijfde week bij de vader en de zesde week bij de moeder verblijven. De rechtbank zal deze regeling als voorlopige zorgregeling vastleggen. Bij de beslissing over een definitieve vakantieverdeling kan dan worden meegenomen hoe het deze zomervakantie is gegaan.
4.9.
De kinderrechter merkt ten slotte op dat zij zich zorgen maakt over de wens van de kinderen. Met de Raad overweegt de kinderrechter dat het uitgangspunt is dat kinderen onbelast contact hebben met beide ouders. Een vermindering van de zorgregeling, zoals is gevraagd door de kinderen, maakt het contact tussen hen en de vader erg summier, wat een overstap naar geen contact makkelijker maakt. Het is in het belang van de kinderen dat dit wordt voorkomen.
4.10.
De rechtbank zal in een aparte brief aan [het kind 1] en [het kind 2] uitleggen wat de beslissing is. De rechtbank acht van belang dat beide ouders op de hoogte zijn van de inhoud van de brief. Daarom wordt hieronder de tekst van de brief weergegeven:

5.Brief aan [het kind 1] en [het kind 2]

Beste [het kind 1] en [het kind 2] ,
Op 3 maart 2026 hebben jullie opnieuw met de kinderrechter gepraat over jullie wens om minder naar jullie vader toe te gaan. In de middag heeft de kinderrechter gepraat met jullie ouders en met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben jullie aangegeven dat de momenten waarop jullie bij je vader zijn al zijn aangepast zoals de Raad had geadviseerd. Jullie hebben aangegeven dat dit nog maar kort loopt, maar dat dit al wel rust geeft. Ook hebben we besproken dat jullie ouders voor de komende zomervakantie hebben afgesproken dat jullie eerst een week bij jullie vader zijn, dan twee weken bij jullie moeder, daarna twee weken bij jullie vader en de laatste week weer bij jullie moeder. De kinderrechter legt deze regeling voor de komende periode vast in een beschikking. Voor de andere vakanties blijft de oude regeling gelden.
De komende tijd krijgen jullie en jullie ouders hulpverlening van at.zorg en wordt [regiehouder] opnieuw betrokken. Samen met deze mensen gaan jullie en jullie ouders ook kijken naar welke afspraken het beste zijn. In december zal de Raad opnieuw een bericht naar jullie ouders en de kinderrechter sturen met een advies. Daarna zal de kinderrechter jullie vader, jullie moeder en de Raad weer uitnodigen om over het advies te praten. Jullie mogen dan ook weer met de kinderrechter praten als jullie dat willen. De rechtbank zal jullie tegen die tijd vragen of jullie dat willen.
Ik hoop dat het voor jullie duidelijk is wat er nu gaat gebeuren.
Met vriendelijke groet, namens de kinderrechter,
de griffier.

6.De beslissing

De kinderrechter
6.1.
wijzigt de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2023 op het punt van de zorgregeling en de vakantieregeling met betrekking tot de zomervakantie,
en stelt vast als
voorlopigezorgregeling dat de kinderen:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
om de week van vrijdag 15:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de vader verblijven, waarbij de moeder [het kind 1] en [het kind 2] op vrijdag naar de vader brengt en de vader [het kind 1] en [het kind 2] op zondag naar de moeder brengt;
en als
voorlopigevakantieregeling dat [het kind 1] en [het kind 2] in de zomervakantie van 2026:
  • de eerste week bij de vader;
  • de tweede en de derde week bij de moeder;
  • de vierde en de vijfde week bij de vader;
  • de zesde week bij de moeder;
verblijven;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
alvorens verder te beslissen
6.3.
houdt de beslissing voor het overige aan tot
28 december 2026 pro formaen verzoekt de Raad om de kinderrechter en de ouders uiterlijk op voormelde pro formadatum te informeren over de stand van zaken over de ingezette hulpverlening van de kinderen en de ouders en aan de hand daarvan te adviseren over een definitieve zorgregeling. Daarna zal een nieuwe mondelinge behandeling worden gepland.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Rutgers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
- namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
- door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
- door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
- door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden.
Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.