ECLI:NL:RBGEL:2026:2323

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
26/859 en 26/860
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wet BrpArt. 2.4 Wet BrpArt. 2.20 Wet BrpArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ambtshalve inschrijving in Basisregistratie Personen op recreatieadres

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld om haar ambtshalve in te schrijven in de Basisregistratie Personen (Brp) op een recreatieadres. Het college had vastgesteld dat eiseres feitelijk op dat adres verbleef, wat zij deels erkende, hoewel zij stelde dat haar verblijf tijdelijk was en haar sociale leven elders plaatsvond.

De voorzieningenrechter beoordeelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Uit de Wet Brp volgt dat het woonadres de feitelijke verblijfplaats is, ongeacht de juridische toelaatbaarheid van het wonen op dat adres. Het college had voldoende onderzoek gedaan en mocht uitgaan van de feitelijke situatie. Het regionale handhavingsbeleid was niet relevant voor de inschrijving.

Omdat de feitelijke verblijfplaats was vastgesteld en eiseres zich niet inschreef, was het college gebonden om ambtshalve in te schrijven. Er was geen grond voor een briefadres als alternatief. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve inschrijving in de Basisregistratie Personen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/859 en 26/860

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld

(gemachtigde: mr. L.P. Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om eiseres ambtshalve in te schrijven in de Basisregistratie personen (Brp) op het adres [locatie] in [plaats]. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de door eiseres aangevoerde gronden. Hij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres terecht heeft ingeschreven op het adres in [plaats]. De voorzieningenrechter verklaart het beroep daarom ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 2 december 2025 heeft het college besloten om eiseres met ingang van 29 oktober 2025 ambtshalve in te schrijven op het adres [locatie] in [plaats]. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit op bezwaar van 10 februari 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Uit artikel 1.1., onder o, van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp) blijkt dat onder woonadres wordt verstaan:
1. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
2. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.
3.1.
Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet Brp wordt degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft. Het tweede lid bepaalt dat indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, het college ambtshalve zorgdraagt voor de inschrijving.
3.2.
Uit artikel 2.20, tweede lid, van de Wet Brp, volgt dat indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg draagt voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
Heeft het college eiseres terecht op het woonadres ingeschreven?
4. Eiseres stelt dat het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onvoldoende heeft betrokken bij het besluit tot ambtshalve inschrijving. Het college had zorgvuldig moeten vaststellen of er sprake is van een woonadres op het adres van het recreatieverblijf en of dat aan de overige voorwaarden om tot ambtshalve inschrijving over te gaan, is voldaan. Het college had dit voldoende kenbaar moeten motiveren, maar heeft dat niet gedaan. Ook had het college eiseres een briefadres moeten geven als alternatief voor de ambtshalve inschrijving. Tot slot had het college het regionaal handhavingsbeleid, volgens welke er momenteel sprake zou zijn van terughoudendheid ten aanzien van handhaving van het permanent wonen in recreatieverblijven, moeten betrekken bij de besluitvorming over de ambtshalve inschrijving.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat met de Wet Brp wordt beoogd dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. [2] Bij de toepassing van de Wet Brp moet aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont, waarbij de plaats waar de betrokkene ’s nachts pleegt te slapen een grote betekenis kan hebben. [3]
4.2.
Het college heeft voor de vaststelling van de feitelijke verblijfplaats van eiseres aangesloten bij de mondelinge en schriftelijke verklaringen van eiseres over haar verblijf in de recreatiewoning alsmede van de bevindingen van de toezichthouder van de omgevingsdienst bij de recreatiewoning. Eiseres erkent dat zij het grootste deel van haar tijd in de recreatiewoning verblijft, eet en slaapt en dat zij daar haar persoonlijke spullen heeft, maar zij stelt dat dit slechts van tijdelijke aard is en dat haar sociale leven zich elders afspeelt. Gelet op de erkenning van eiseres dat zij feitelijk in de recreatiewoning verblijft, dat zij geen ander woonadres heeft en de bevindingen van de toezichthouder, ziet de voorzieningenrechter niet dat het college meer onderzoek naar de situatie van eiseres had moeten doen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college van het feitelijk verblijf van eiseres in de recreatiewoning uitgaan.
4.3.
Evenmin slaagt het betoog van eiseres dat zij niet in de recreatiewoning mag wonen en dat daarom een inschrijving op dat adres niet mogelijk is. Het is namelijk niet van belang bij de beoordeling of er sprake is van een woonadres of het iemand al dan niet is toegestaan om (permanent) te verblijven op een adres. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp volgt dat het woonadres in feitelijke zin wordt opgevat. [4] Hieruit volgt eveneens dat wanneer een verblijfplaats niet bestemd is voor bewoning, dit geen reden is om de betrokkene niet op dat adres in te schrijven. Het uitgangspunt van de Wet brp is namelijk om de feitelijke situatie vast te leggen, ongeacht of deze situatie wettelijk is toegestaan of gewenst is. [5] Het college hoefde daarom ook het regionale handhavingsbeleid niet bij de besluitvorming te betrekken.
4.4.
Uit de wet Brp volgt een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat als een feitelijk verblijf is vastgesteld en betrokkene zich niet op dat adres inschrijft, het college ambtshalve over moet gaan tot inschrijving in de Brp. Slechts in bijzondere omstandigheden kan van een wet in formele zin worden afgeweken, maar van bijzondere omstandigheden is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
4.5.
Omdat de feitelijke verblijfplaats van eiseres in de recreatiewoning is en het college gehouden is ambtshalve tot inschrijving in de Brp over te gaan, is er geen ruimte voor het college om eiseres op een briefadres in te schrijven.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:866 en ABRvS 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:24.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:977 en ABRvS 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:21.
4.Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6, blz. 67-69.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:770.