ECLI:NL:RBGEL:2026:2363

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25/6356
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag vennootschapsbelasting 2019 niet-ontvankelijk wegens te late indiening

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank beoordeelde of het beroepschrift tijdig was ingediend. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, die op 14 februari 2024 was gedateerd. De termijn eindigde derhalve op 27 maart 2024.

De rechtbank ontving het beroepschrift van belanghebbende pas op 20 augustus 2024, ruim na het verstrijken van de termijn. Belanghebbende kon geen verschoonbare reden voor de te late indiening aanvoeren. De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat zij niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van de aanslag en belastingrente. De aanslag blijft derhalve ongewijzigd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, waardoor de aanslag en belastingrente in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6356

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 februari 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft bij uitspraak van 14 februari 2024 het tegen de aanslag ingediende bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld, gezamenlijk en tegelijkertijd met het beroep van [naam bedrijf] B.V., zaaknummer 24/4840. Namens belanghebbende zijn verschenen haar directeur [persoon A], bijgestaan door [persoon B] en namens de inspecteur zijn verschenen [persoon C] en [persoon D].

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt of het beroep tijdig is ingediend en, zo ja, de hoogte van de belastbare winst. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn begint, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Is dat niet het geval, dan is een beroepschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb toch tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
4. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake indien de te late indiening van het beroepschrift het gevolg is van een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en het beroepschrift is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed. [1]
5. Volgens vaste jurisprudentie moet belanghebbende aannemelijk maken dat zij tijdig een beroepschrift heeft ingediend en rust ook de bewijslast voor een verschoonbare termijnoverschrijding op belanghebbende.
6. De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 14 februari 2024. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan belanghebbende pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 27 maart 2024.
7. De rechtbank heeft een als beroepschrift aan te merken stuk, gedagtekend 19 augustus 2024, per post ontvangen op 20 augustus 2024. Dit beroepschrift is door de rechtbank ontvangen buiten de onder overweging 3. opgenomen termijnen en is dus te laat ingediend.
8. De rechtbank leidt uit het door haar op 19 augustus 2024 ontvangen stuk af dat ook belanghebbende kennelijk beroep heeft willen instellen. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard samen met [naam bedrijf] B.V. beroep te hebben ingesteld op dan wel omstreeks de datum van het pro forma beroepschrift ten name van [naam bedrijf] B.V. Uit de inhoud van het pro forma beroepschrift ten name van [naam bedrijf] B.V. blijkt op geen enkele wijze dat door belanghebbende een beroepschrift inzake de aanslag Vpb 2019 is ingediend. De rechtbank is daarnaast ook niet bekend met een ander, eerder door belanghebbende ingediend stuk wat als beroepschrift tegen de aanslag Vpb 2019 kan worden aangemerkt.
9. Dit betekent dat de rechtbank uit moet gaan van een indiening van het beroep op 20 augustus 2024. Belanghebbende heeft geen reden opgegeven voor de te late indiening. Gelet op de tijdige indiening van het (pro forma) beroepschrift door de heer [persoon A] van [naam bedrijf] B.V. eind februari 2024 moest de heer [persoon A] ook in staat zijn om tijdig in de zaak van belanghebbende een (pro forma) beroepschrift in te dienen. Er is dus geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslag en dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. R.W.J. van der Struijk, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 25 maart 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.