ECLI:NL:RBGEL:2026:2393

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
05/327482-25; 05/274562-25 (gev. ttz); 05/097797-24 (tul); 05/310152-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere diefstallen en veroorzaken verkeersongeval onder invloed met ISD-maatregel

De rechtbank Gelderland heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 23-jarige man uit Nijmegen. Verdachte werd beschuldigd van meerdere diefstallen, waaronder het wegnemen van pasjes, een fiets en fooienpotten, en het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van cocaïne zonder rijbewijs.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van gestolen pasjes en fiets, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij wist of had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Wel werd hij veroordeeld voor diefstal van geldbedragen en fooienpotten, waarbij de feitelijke heerschappij over de goederen was verkregen. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 11 mei 2025 zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne met een snorfiets tegen de verkeersrichting in reed, met een aanrijding tot gevolg waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank nam de ernst van de feiten, het letsel van het slachtoffer, de recidive en de verslavingsproblematiek van verdachte mee in haar oordeel. Gezien het hoge recidiverisico en de complexiteit van de problematiek legde de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar. De rechtbank wees tevens vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke geldboetes af en gelastte de teruggave van een geldbedrag aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar voor meerdere diefstallen en het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/327482-25; 05/274562-25 (gev. ttz); 05-097797-24 (tul); 05/310152-23 (tul)
Datum uitspraak : 26 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in Koeweit,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
12 maart 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer: 05/327482-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 november 2025 te Nijmegen, een of meerdere pasjes, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij op of omstreeks 30 november 2025 te Nijmegen, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3.
hij in of omstreeks 16 november 2025 te Nijmegen enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2025 tot en met 17 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
- een menukaart en/of een blikje Redbull aan het personeel heeft gevraagd,
- (vervolgens) de fooienpot heeft weggepakt en/of
- deze fooienpot onder zijn jas heeft gestopt, althans heeft verborgen, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van parketnummer 05/274562-25
1.
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (snorfiets), komende uit de richting van de Keizer Karelplein, gaande in de richting van de Willemsweg, daarmede rijdende over de weg de Graafseweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het donker was en/of
terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
terwijl hij een snorfiets bestuurde en voor deze categorie voertuigen (categorie AM) geen rijbewijs had,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of namelijk met een indicatieve snelheid van ongeveer 51 kilometer per uur en/of 57 kilometer per uur en/of in strijd met artikel 20 onder Pro b van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gehandeld en/of
- in strijd met artikel 10 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig volledig op het voetpad te rijden en/of
- vervolgens in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden, immers is verdachte gaan rijden op het fietspad dat links –vanuit het (rij)perspectief van verdachte- gelegen is aan de Graafseweg en/of
- terwijl dit fietspad niet was voorzien van een middenasmarkering en/of werd aangeduid met voornoemd bord G11, welk bord zichtbaar was voor bestuurders die het fietspad op juiste wijze, althans conform artikel 3 van Pro voormeld reglement, oprijden en/of gebruiken en/of
- terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd , en verdachte zich niet heeft verwijderd van het fietspad en/of de tegemoetkomende fietsers niet in staat heeft gesteld om ongehinderd hun of zijn weg te laten vervolgen en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (snorfiets) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding of aanraking gekomen met, een (tegemoetkomende) fiets en/of de bestuurder van die fiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet Pro 1994, art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bromfiets/snorfiets), komende uit de richting van de Keizer Karelplein, gaande in de richting van de Willemsweg, daarmede rijdende over de weg de Graafseweg,
terwijl het donker was en/of
terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
terwijl hij een bromfiets bestuurde en voor deze categorie voertuigen (categorie AM) geen rijbewijs had,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of namelijk met een indicatieve snelheid van ongeveer 51 kilometer per uur en/of 57 kilometer per uur en/of in strijd met artikel 20 onder Pro b van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gehandeld en/of
- in strijd met artikel 10 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig volledig op het voetpad te rijden en/of
- vervolgens in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden, immers is verdachte gaan rijden op het fietspad dat links –vanuit het (rij)perspectief van verdachte- gelegen is aan de Graafseweg en/of
- terwijl dit fietspad niet was voorzien van een middenasmarkering en/of werd aangeduid met voornoemd bord G11, welk bord zichtbaar was voor bestuurders die het fietspad op juiste wijze, althans conform artikel 3 van Pro voormeld reglement, oprijden en/of gebruiken en/of
- terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd , en verdachte zich niet heeft verwijderd van het fietspad en/of de tegemoetkomende fietsers niet in staat heeft gesteld om ongehinderd hun of zijn weg te laten vervolgen en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (snorfiets) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding of aanraking gekomen met, een (tegemoetkomende) fiets en/of de bestuurder van die fiets, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een snorfiets op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Fietspad de Graafseweg, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of tegen het verkeer inreed, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
2.
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 93 bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof
- de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
3.
hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Fietspad de Graafseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/327482-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat bij feit 5 het subsidiair tenlastegelegde bewezen moet worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit omdat cliënt niet wist of had moeten weten dat de fiets gestolen was. Subsidiair heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 5 op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde omdat geen sprake is van voltooide diefstallen.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijspraak feit 1:
Op 1 december 2025 doet [aangever 2] (hierna: aangeefster) aangifte van diefstal. Op 30 november 2025 rond 03:00 uur heeft zij in de stad in Nijmegen gemerkt dat haar portemonnee, met daarin diverse pasjes, uit haar tas is gestolen. Later diezelfde dag wordt verdachte, nadat hij om 19:09 uur is aangehouden voor een ander feit, in het cellencomplex gefouilleerd. Verdachte droeg een aantal pasjes bij zich in zijn onderbroek. Deze pasjes betroffen de pasjes van aangeefster.
Verdachte heeft verklaard dat hij de pasjes ’s nachts heeft gevonden op straat bij de McDonalds aan de Molenstraat in Nijmegen.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de pasjes wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de pasjes van misdrijf afkomstig waren. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij de pasjes heeft gevonden en vervolgens, door het in zijn ondergoed te bewaren/verstoppen, zich de pasjes wederrechtelijk heeft toegeëigend als vinder, zou dit verduistering kunnen opleveren. Dit is echter niet aan verdachte tenlastegelegd.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Vrijspraak feit 2:
Op 12 juni 2025 doet [aangever 3] aangifte van diefstal van zijn BMX-fiets. De fiets, die aangever ten tijde van de diefstal had uitgeleend, is weggenomen bij de Coöp aan de Molenpoortpassage. Op 30 november 2025 wordt verdachte gecontroleerd door een verbalisant. Verdachte reed op dat moment op deze fiets.
Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets geleend heeft van een buurman uit zijn straat.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Dit betekent dat opzet-, dan wel schuldheling niet bewezen is. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Feit 3:
[aangever 1] (hierna: aangever) doet op 17 november 2025 aangifte van diefstal. Hij heeft verklaard dat hij met een vriend, [naam] , naar een Geldmaat bij de Rabobank liep omdat [naam] geld wilde pinnen. Omdat de Geldmaat buiten werking was liepen zij naar de ATM aan de overkant. Aangever heeft verklaard dat hij zag dat er twee mannen om [naam] heen hingen. Omdat het [naam] niet lukte om te pinnen, is aangever gaan pinnen. Toen hij zijn pincode had ingevoerd, drukte één van de mannen op de knop van € 100,-. Toen het geld uit de automaat kwam, pakte de man het geld eruit, aldus aangever. Aangever heeft verklaard dat hij een deel van het geld, € 40,-, terug heeft kunnen pakken. [2] Het totaal aan gestolen geld is € 60,-. [3]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van de ATM pinautomaat aan de Bisschop Hamerstraat te Nijmegen bekeken. Op de beelden is te zien dat NN1 (de rechtbank begrijpt: aangever) zijn pas in de pinautomaat stopt. NN3 loopt vervolgens op aangever af, die op dat moment bij de pinautomaat bezig is. NN3 wordt beschreven als een man, 25 tot 35 jaar oud, buitenlands uiterlijk, donkere gezichtsbeharing, blauwe jas met capuchon, donkere broek, draagt een rugzak. De man heeft een donkere muts of capuchon op van onder zijn jas en draagt onder de muts nog een donkere soort van balaclava. De man heeft permanent een drinkbeker, een zak en rietje in zijn handen. Gezien het logo op de beker en de zak zijn deze afkomstig van de McDonalds.
Deze man drukt aangever met kracht weg bij de pinautomaat. Vervolgens is te zien dat hij met zijn rechterhand naar het toetsenbord van de pinautomaat gaat. Hierop trekt aangever hem weg. De man loopt weer terug naar de pinautomaat. Nadat aangever “en nou wegwezen’ roept, gaat de man met zijn rechterhand naar de pinautomaat en pakt daar iets. Aangever pakt de man met beide handen vast en zegt: “gast, waar is mijn geld?”. Aangever heeft met zijn rechterhand de rechterpols van de man vast. Te zien is dat de man papier in zijn rechterhand heeft. Aangever pakt dit vervolgens uit zijn hand. Aangever zegt vervolgens op zijn telefoon te gaan kijken (aanvulling rb: kennelijk in zijn bank-app naar de zojuist gedane opname) en zegt dat hij ziet dat hij nog steeds geld mist. [4]
Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij de verdachte herkent op de beelden. Het betreft de verdachte die volledig in het zwart gekleed is en een balaclava om zijn hoofd heeft. Hij droeg ook een zwarte rugzak en had eten vast van de McDonalds. Hij kent verdachte ambtshalve omdat hij in het verleden meerdere malen onderzoek heeft gedaan naar strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd. Verbalisant herkent verdachte aan zijn uiterlijke kenmerken, de vorm van zijn wenkbrauwen, neus en baardgroei. Ook herkent de verbalisant hem aan zijn lichaamstaal en manier van communiceren. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij zich die avond niet meer kan herinneren.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde.
Feit 4:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] namens [bedrijf], p. 13;
- het proces-verbaal van aangifte, [aangever 5] namens [bedrijf] , p. 27;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2025.
Feit 5:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] namens [bedrijf], p. 24;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] namens [bedrijf], p. 15;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 84;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 115;
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2025.
Voltooide diefstal (primair) of poging diefstal (subsidiair)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een voltooide diefstal dan wel een poging daartoe en overweegt daartoe het volgende. Voor een veroordeling ter zake van (voltooide) diefstal van een aan een ander toebehorend goed – een en ander als bedoeld in artikel 310 van Pro het wetboek van Strafrecht – is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden (Vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627, NJ 2013/159). Voorts is van belang of de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn te beschouwen als gericht op voltooiing van een diefstal. Ongestoord bezit van het desbetreffende voorwerp is echter geen vereiste.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte in beide gevallen de fooienpotten heeft gepakt en deze uit het zicht heeft gebracht, in het geval van de [bedrijf] door hem aan de binnenkant van zijn jas te stoppen en in het geval van de [bedrijf] door hem achter de balie te houden en tussen zijn benen te klemmen. Verdachte heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, hierdoor de feitelijke heerschappij over de fooienpotten verschaft zodat het voltooide diefstallen oplevert. Deze gedragingen zijn ook naar de uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als gericht op voltooiing van een diefstal. Dat de fooienpotten kort daarna zijn teruggepakt door de medewerkers van [bedrijf] en [bedrijf] maakt dat niet anders, omdat de diefstal toen al was voltooid.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder feit 5.
Ten aanzien van parketnummer 05/274562-25 [6]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 de mate van schuld moet worden gekwalificeerd als aanmerkelijke schuld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 12 t/m p. 16;
  • het proces-verbaal FO-verkeer, p. 51 t/m p. 54;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 103 t/m p. 105;
  • het proces-verbaal rijden onder invloed met bijlagen, p. 111 t/m p. 120;
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2026.
(Mate van) schuld
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, zoals omschreven in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er in ieder geval sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of dit het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Verdachte heeft zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne in de nacht van 11 mei 2025 een scooter bestuurd. Toen hij over de Graafseweg in Nijmegen reed, is verdachte tegen de verkeersrichting ingereden terwijl hij hierbij onvoldoende rechts heeft gehouden. Daarnaast heeft verdachte de maximumsnelheid aanzienlijk overschreden met bijna 30 km/u. Deze verkeersgedragingen hebben ervoor gezorgd dat hij frontaal tegen een tegemoetkomende fietser is gebotst.
Gelet op het geheel van deze gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank kwalificeert deze schuld als zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen.
Zwaar lichamelijk letsel
Als gevolg van het verkeersongeval heeft de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) letsel opgelopen in de vorm van een gebroken teen, een gebroken enkel, een gebroken duim en een gekneusde borstkas. [7] [slachtoffer] is geopereerd aan zijn enkel waarbij schroeven zijn geplaatst. [8] [slachtoffer] ervaart ruim een maand na het ongeval nog veel last van zijn enkel. Hij kan moeilijk traplopen en lopen. Daarnaast heeft hij nog veel last van zijn longen. De artsen hopen op volledig herstel maar dat is nog onzeker. [9] De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte, gelet op het voorgaande, partieel vrijspreken van de tenlastegelegde ‘roekeloosheid’.
Feit 2 en feit 3:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 12 t/m p. 16;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 103 t/m p. 105;
  • het proces-verbaal rijden onder invloed met bijlagen, p. 111 t/m p. 120;
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2026.

3.De bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 05/327482-25
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
3.
hij
opof omstreeks16 november 2025 te Nijmegen enig geldbedrag,
in elk geval enig goed, dat/
diegeheel
of ten deleaan [aangever 1] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 12 november 2025 tot en met 17 november 2025 te Nijmegen
een ofmeerdere fooienpotten,
in elk geval enig goed,
dat/die geheel
of ten deleaan [bedrijf] en
/of[bedrijf],
in elk geval aan een andertoebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen
een ofmeerdere fooienpotten,
in elk geval enig goed,
dat/die geheel
of ten deleaan [bedrijf] en
/of[bedrijf],
in elk geval aan een andertoebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien parketnummer 05/274562-25
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks11 mei 2025 te Nijmegen
in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (snorfiets), komende uit de richting van de Keizer Karelplein, gaande in de richting van de Willemsweg, daarmede rijdende over de weg de Graafseweg,
roekeloos,
in elk gevalzeer,
althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/
ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het donker was en
/ofterwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en
/ofzijn aandacht gedurende enige tijd niet,
althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/
ofterwijl hij een snorfiets bestuurde en voor deze categorie voertuigen (categorie AM) geen rijbewijs had,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 25 kilometer per uur,
in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/ofnamelijk met een indicatieve snelheid van ongeveer 51 kilometer per uur
en/of 57 kilometer per uuren
/ofin strijd met artikel 20 onder Pro b van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gehandeld en
/of- in strijd met artikel 10 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en
/ofte berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig volledig op het voetpad te rijden en
/of- vervolgens in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden, immers is verdachte gaan rijden op het fietspad dat links –vanuit het (rij)perspectief van verdachte- gelegen is aan de Graafseweg en
/of- terwijl dit fietspad niet was voorzien van een middenasmarkering en
/ofwerd aangeduid met voornoemd bord G11, welk bord zichtbaar was voor bestuurders die het fietspad op juiste wijze, althans conform artikel 3 van Pro voormeld reglement, oprijden en/
ofgebruiken en
/of- terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd , en verdachte zich niet heeft verwijderd van het fietspad en/
ofde tegemoetkomende fietsers niet in staat heeft gesteld om ongehinderd hun of zijn weg te laten vervolgen en
/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (snorfiets) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en
/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding of aanraking gekomen met, een (tegemoetkomende) fiets en
/ofde bestuurder van die fiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht,
dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
hij op
of omstreeks11 mei 2025 te Nijmegen een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd
of als bestuurder heeft doen besturenna gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 93 bedroeg,
in elk gevaleen gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
3.
hij op
of omstreeks11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Fietspad de Graafseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05/327482-25
feit 3:
diefstal
feit 4:
diefstal
feit 5:
diefstal
Ten aanzien van parketnummer 05/274562-25
feit 1:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van deze wet
feit 2:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
feit 3:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar.
Voor het rijden zonder rijbewijs, een overtreding, heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard zonder een straf op te leggen (art. 9a Sr).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en een straf op te leggen conform de LOVS-richtlijnen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat daarbij bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd zoals reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling bij Inforsa of bij de Waag.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen als stok achter de deur.
Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om bij het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel na 9 maanden een tussentijdse toetsing te gelasten om te kijken waar verdachte staat. Dit is ook een stok achter de deur voor de instanties om de behandeling snel van de grond te laten komen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft verschillende diefstallen gepleegd. Zulke feiten veroorzaken niet alleen materiële schade, maar zorgen ook voor overlast en ergernis.
Verder heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt door zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne op een scooter tegen de verkeersrichting in te rijden, terwijl hij de maximumsnelheid overschreed met bijna 30 km/u. Hierbij heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ongeval heeft veel impact gehad op het slachtoffer en hij kan moeilijk accepteren wat er is gebeurd. Voor het ongeval was hij heel actief en was hij veel aan het hardlopen. Dat hij dit nu niet meer kan doen, valt hem zwaar. Naast het opgelopen letsel heeft het ongeval ook voor veel financiële schade gezorgd, omdat het slachtoffer in het buitenland woont en geen verzekering in Nederland heeft. Uit de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, kan worden afgeleid dat verdachte van geluk mag spreken dat zijn verkeersfouten niet nog ernstigere gevolgen heeft gehad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 3 februari 2026 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor deels soortgelijke strafbare feiten.
Uit het reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg van 24 februari 2026 blijkt dat verdachte verslaafd is aan middelen en delicten pleegt om financiële middelen te genereren om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en drugsverslaving. Verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Er is mogelijk ook sprake van een hoge mate van onmacht omdat er sprake is van een verstandelijke beperking. Daarbij zijn er ook signalen van impulsiviteit. Het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog mede gelet op de vermijdende houding van verdachte. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Zij ziet geen mogelijkheden meer om in een voorwaardelijk kader het recidiverisico te beperken, gelet op de vermijdende houding van verdachte ten opzichte van de ingezette interventies van de afgelopen vijf jaar en het hardnekkige delictpatroon. Daarnaast lijkt er sprake van een hoge mate van onmacht en zal verdachte (de rechtbank begrijpt: in een ambulant kader) overvraagd gaan worden in zijn mogelijkheden. Trajecten in het ambulante kader zijn naar de mening van de reclassering en hulpverlening daarom uitgeput.
Een ISD-maatregel kan worden opgelegd als aan de voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van strafrecht is voldaan. In dit kader is het volgende van belang.
De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij in de afgelopen vijf jaar wegens een soortgelijk misdrijf meer dan drie keer onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat hij het bewezenverklaarde feit heeft begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan. Met het oog op de veiligheid van de maatschappij en ter voorkoming van recidive eist de veiligheid van personen of goederen de oplegging van een ISD-maatregel.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wordt voldaan aan alle wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers.
Verdachte geeft aan dat hij bereid is om mee te werken met een traject binnen de ISD. Hij plaatst daarbij wel de kanttekening dat hij snel in een kliniek wil worden geplaatst. De rechtbank ziet in zijn motivatie om mee te werken echter geen aanleiding de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. De rechtbank kent in dit verband doorslaggevende waarde toe aan het advies van de reclassering.
Gelet op de complexiteit van de onderliggende problematiek, het belang van beveiliging van de maatschappij en van beëindiging van de recidive van de verdachte, acht de rechtbank de
ISD-maatregel voor de (maximale) duur van twee jaren passend en geboden. Om de behandelmogelijkheden in het kader van de maatregel niet te doorkruisen en ten behoeve van de maximale beveiliging van de maatschappij, zal de rechtbank bij het bepalen van de duur geen rekening houden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dus niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een tussentijdse toetsing, zoals door de raadsvrouw bepleit.
Voor feit 3 onder parketnummer 05/274562-25, het overtreden van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, wat een overtreding is, moet een aparte straf worden opgelegd. Omdat de rechtbank een ISD-maatregel oplegt voor de andere feiten, zal zij verdachte voor dit feit conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig verklaren zonder een straf op te leggen.

8.De beoordeling van het beslag

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 200,85 geretourneerd moet worden aan verdachte.
De rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag ad € 200,85 aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

Ten aanzien van parketnummer 05/097797-24
De politierechter heeft verdachte op 28 augustus 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00.
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging, gelet op de financiële positie van verdachte en de opgelegde ISD-maatregel, moet worden afgewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05/310152-23
De politierechter heeft verdachte op 31 januari 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00.
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging, gelet op de financiële positie van verdachte en de opgelegde ISD-maatregel, moet worden afgewezen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9 a, 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 8, 107 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994

11.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van parketnummer 05/327482-25;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
 bepaalt dat aan verdachte wegens de bewezenverklaarde overtreding, feit 3 onder parketnummer 05/274562-25
, geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Vordering tot tenuitvoerlegging 05/097797-24
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 28 augustus 2024 voorwaardelijk opgelegde straf af (parketnummer 05/097797-24);
Vordering tot tenuitvoerlegging 05/310152-23
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 31 januari 2025 voorwaardelijk opgelegde straf af (parketnummer 05/310152-23);
Beslag
 gelast de teruggave van het contante geldbedrag van € 200,85 aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025580342, gesloten op 2 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 9.
3.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever 1] , p. 29.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 49 en 50.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 42.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025217599, gesloten op 25 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 75 en 76.
8.Een schriftelijk bescheid, te weten: medische gegevens, p. 86.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 81.