Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2394

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
457255
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 BWArt. 4:64 BWArt. 4:65 BWArt. 4:70 BWArt. 4:71 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering inzage bankafschriften en vaststelling legitieme portie in nalatenschap

De zaak betreft een vordering van eiser, executeur in de nalatenschap van de zoon van de erflaatster, tegen gedaagde, erfgenaam en executeur van de echtgenoot van de erflaatster. Eiser vordert inzage in bankafschriften en een lijst van sieraden om de legitieme portie vast te stellen.

De rechtbank stelt vast dat de legitieme portie berekend wordt over de waarde van de nalatenschap vermeerderd met giften en verminderd met schulden. De bankafschriften zijn relevant voor de vaststelling van de legitimaire massa. Gedaagde betwist dat bepaalde bankrekeningen tot de nalatenschap behoren, maar de rechtbank oordeelt dat inzage in de bankafschriften van de gezamenlijke rekening van de laatste drie jaar gerechtvaardigd is.

De vordering tot inzage van de bankrekening bij de ASN-bank wordt afgewezen omdat deze alleen op naam van de echtgenoot stond en geen concrete aanwijzingen bestaan dat deze tot de nalatenschap van de erflaatster behoort. De vordering tot verstrekking van een lijst van sieraden wordt afgewezen omdat gedaagde hierover geen informatie heeft.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot het verstrekken van de bankafschriften binnen twee weken na betekening, onder dwangsom, en houdt verdere beslissing aan totdat eiser de stukken heeft ontvangen en zich heeft uitgelaten over de legitieme portie. De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol voor verdere procedurele afhandeling.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot verstrekking van bankafschriften voor berekening legitieme portie, vordering inzake sieraden wordt afgewezen, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/457255 / HZ ZA 25-271
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser], in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de heer [naam erflater] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F. Klabbers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 december 2025
- de akte vermeerdering van eis
- de akte uitlaten vermeerdering van eis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 21 juni 2022 is overleden mevrouw [naam erflaatster] (hierna: erflaatster).
2.2.
[naam erflaatster] was tot haar overlijden gehuwd met de heer [partner erflaatster] (hierna: [partner erflaatster] ) onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden.
2.3.
Erflaatster had een zoon, [naam erflater] (hierna: [erflater] ). Erflaatster heeft [erflater] onterfd en [partner erflaatster] benoemd tot haar enig erfgenaam en executeur.
2.4.
Bij brief aan [partner erflaatster] van 13 oktober 2023 van zijn gemachtigde (productie 6 bij dagvaarding) heeft [erflater] aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie en stukken opgevraagd op zijn legitieme portie te kunnen berekenen.
2.5.
[partner erflaatster] heeft op 17 november 2023 op deze brief gereageerd. Kort samengevat heeft [partner erflaatster] geantwoord dat er nog geen boedelbeschrijving was opgemaakt, dat erflaatster geen schenkingen heeft gedaan omdat haar vermogen niet toereikend was en dat IB-aangiften opgevraagd moeten worden.
2.6.
[partner erflaatster] is overleden op 1 december 2023.
2.7.
[gedaagde] is enig erfgenaam en executeur in de nalatenschap van [partner erflaatster] .
2.8.
[erflater] is overleden op 29 januari 2024. Hij was gehuwd met [eiser] . [eiser] is executeur in de nalatenschap van [erflater] en samen met hun twee kinderen zijn erfgenaam.
2.9. (
De gemachtigde van) [eiser] heeft [gedaagde] bij brieven van 12 november 2024, 29 november 2024 en 28 maart 2025 aangeschreven. In die laatste brief staat, voor zover hier relevant:

Aangezien op mijn eerdere brieven d.d. 12 en 19 november geen enkele reactie is gekomen, zend ik u deze brief zowel per aangetekende als per gewone post om er zeker van te zijn dat deze brief u bereikt(…)
Nu alle gevraagde informatie in de brieven uit november jl. niet is aangeleverd, is er informatie ingewonnen bij de belastingdienst. De aangifte inkomstenbelasting 2022 is opgevraagd en ontvangen, zie bijlage.
Hieruit is opgemaakt dat erflaatster € 91.099,-- aan bank- en spaartegoeden had per 1 januari 2022 en € 2.010,-- aan giften heeft gedaan in 2022. (…)
In de aangiften zijn geen schulden terug te vinden. Dit maakt dat cliënte zich op het standpunt stelt dat de legitimaire massa op zijn minst € 93.109,-- bedraagt.(…)
De legitieme portie is dan ook op zijn minst € 23.277,25”.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur of erfgenaam of in persoon veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis op kosten van de nalatenschap aan [gedaagde] te verstrekken kopieën van bankrekeningafschriften althans een transactieoverzicht van de bankrekeningen met nummer [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] vanaf 21 juni 2015 dan wel 21 juni 2018 tot de datum van overlijden van erflaatster, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan [eiser] te verstrekken een lijst van sieraden van erflaatster alsmede een waardebepaling, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;
III. de legitieme portie vast stelt op € 23.277,25, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag;
IV. [gedaagde] veroordeelt om de legitieme portie aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2023, binnen veertien dagen na het vonnis;
V. [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat [erflater] een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster en dat aan hem geen uitkering is gedaan. Evenmin is in geschil dat [eiser] als executeur in de nalatenschap van [erflater] een vordering kan instellen jegens [gedaagde] als erfgenaam van [partner erflaatster] . In geschil is de hoogte van deze vordering.
4.2.
Een legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap. Die waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder Pro a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW Pro). Deze uitkomst wordt de legitimaire massa genoemd. In dit geval is de legitieme portie ¼ van de legitimaire massa aangezien [erflater] , als hij niet was onterfd, recht had gehad op de ½ van de nalatenschap van erflaatster (artikel 4:64 BW Pro). Van giften aan [erflater] (artikel 4:70 BW Pro) of verkrijgingen krachtens erfrecht door [erflater] (artikel 4:71 BW Pro), welke in mindering komen op de legitieme portie, is geen sprake.
4.3.
[gedaagde] vordert bankrekeningafschriften (I) en een lijst van sieraden (II). Zij stelt dat zij deze stukken nodig heeft om de legitieme portie te kunnen berekenen. Artikel 4:78 BW Pro geeft de onterfde legitimaris tegenover de erfgenamen en de executeur een recht op de informatie die nodig is voor de berekening van de legitieme portie. In dit geval gaat het om de legitimaire portie van [erflater] in de nalatenschap van erflaatster, waarin [partner erflaatster] enig erfgenaam was. De rechten en plichten van [erflater] en [partner erflaatster] zijn van rechtswege overgegaan op [gedaagde] en [eiser] (artikel 4:182 BW Pro, artikel 3:80 lid 2 BW Pro). Naast artikel 4:78 BW Pro kan ook artikel 195 Rv Pro een grondslag zijn voor de informatievordering van [eiser] . Voor toewijsbaarheid op grond van dit laatste artikel is vereist dat het i) bepaalde gegevens betreft, ii) waarover [gedaagde] beschikt, iii) ten aanzien van een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is en waarbij iv) [eiser] voldoende belang heeft. Nu artikel 4:78 BW Pro specifiek betrekking heeft op het recht op de legitieme portie, zal de rechtbank de vorderingen in de eerste plaats hieraan toetsen en, indien nodig, aan 195 Rv.
Bankrekeningafschriften
4.4.
[eiser] is op basis van de aangifte inkomstenbelasting 2022 van erflaatster achter het bestaan van de bankrekeningen [bankrekeningnummer 1] (spaarrekening op naam van alleen [partner erflaatster] ) en [bankrekeningnummer 2] (een gezamenlijke betaalrekening op naam van erflaatster en [partner erflaatster] ) gekomen. Uit deze aangifte maakt [eiser] op dat erflaatster per
1 januari 2022 € 91.099,00 aan banktegoeden had en dat erflaatster € 2.010,00 aan (bij de legitieme portie in aanmerking te nemen) giften heeft gedaan. Om de vordering verder te kunnen onderbouwen, vordert [eiser] afgifte van de bankrekeningafschriften vanaf 21 juni 2015 dan wel 21 juni 2018.
4.5.
[gedaagde] betwist dat het saldo op de bankrekeningen behoort tot de goederen van de nalatenschap van erflaatster. Als productie 6 en 7 bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2022 van erflaatster en [partner erflaatster] overgelegd waaruit blijkt dat het saldo van € 91.099,00 aan het vermogen van [partner erflaatster] wordt toegerekend. De ASN-bankrekening stond op [partner erflaatster] naam en volgens [gedaagde] viel het saldo hiervan volledig in zijn privévermogen. De ING-bankrekeningen stonden wel mede op naam van erflaatster, maar [gedaagde] meent dat ook het saldo daarop volledig van [partner erflaatster] was, aangezien erflaatsters inkomen onvoldoende was om te kunnen sparen. Het inkomen van erflaatster dat op de gezamenlijke bankrekening werd gestort, ging namelijk volgens [gedaagde] op aan de kosten van de huishouding. De kosten van de huishouding kwamen op basis van artikel 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [partner erflaatster] (productie 2 bij dagvaarding) voor rekening van erflaatster. Deze kosten waren volgens [gedaagde] hoger dan het inkomen van erflaatster. Ter onderbouwing wijst hij erop dat [partner erflaatster] , onder andere in een e-mail aan [erflater] (productie 7 bij dagvaarding), heeft verklaard dat hij erflaatster financieel moest ondersteunen.
4.6.
Artikel 4:78 BW Pro heeft een ruim toepassingsbereik gelet op de bewoordingen “
alle daartoe strekkende inlichtingen”. Dit is echter wel beperkt tot stukken die voor de legitieme portie van belang zijn. Om
fishing expeditionste voorkomen moet het belang voldoende concreet gesteld en onderbouwd worden. In dit bijzondere geval, waarin de oorspronkelijke legitimaris en erfgenaam niet meer in leven zijn, is de onderbouwing van [eiser] dat erflaatster altijd gewerkt heeft, lage lasten had en dat het niet ondenkbaar is dat zij een deel van haar inkomen kon sparen voldoende om een deel van de gevorderde bankrekeningafschriften toe te wijzen. De rechtbank komt tot dat oordeel op basis van het volgende. Erflaatster had inkomen uit AOW en pensioen, volgens de aangifte inkomstenbelasting € 9.680,00 in 2022 tot haar overlijden. Het verweer van [gedaagde] dat het volledige inkomen van erflaatster opging aan boodschappen en andere kosten van de huishouding heeft hij niet onderbouwd, anders dan met een verklaring van de heer [partner erflaatster] (productie 7 bij dagvaarding). [eiser] heeft er recht op om te controleren of deze bewering klopt. [eiser] heeft ter zitting ook terecht aangevoerd dat zij, evenals [gedaagde] , niet weet hoe erflaatster en [partner erflaatster] leefden en dat echtelieden niet altijd leven naar de huwelijkse voorwaarden. Het is daarom gerechtvaardigd dat [eiser] inzage krijgt in de bankrekeningen van erflaatster.
4.7.
Daaronder valt niet de bankrekening bij de ASN-bank. Deze bankrekening stond alleen op naam van [partner erflaatster] , terwijl erflaatster en [partner erflaatster] buiten iedere gemeenschap waren gehuwd. Een concrete aanwijzing dat het saldo van deze bankrekening tot het vermogen van erflaatster behoort, ontbreekt. Dat het saldo van deze bankrekening is vermeld op de belastingaangifte 2022 van erflaatster, vormt op zichzelf niet een dergelijke aanwijzing, gelet op het fiscale partnerschap tussen erflaatster en [partner erflaatster] . [eiser] voert ook aan dat zij inzicht wil in de ASN-bankrekening, omdat deze mogelijk gevoed werd door de gezamenlijke bankrekening. Als dat het geval is, dan zal dat blijken uit de ING-bankrekeningafschriften, zodat om dit te controleren de ASN-bankrekeningafschriften niet nodig zijn.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bankrekeningafschriften tot drie jaar voor overlijden voldoende om [eiser] in staat te stellen om te controleren of erflaatster ten tijde van haar overlijden nog beschikte over vermogen opgebouwd uit overgespaard inkomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te gelasten dat er bankafschriften moeten worden verstrekt over een langere periode, zoals door [eiser] is gevorderd. [eiser] heeft daartoe onvoldoende aangevoerd. Hierbij betrekt de rechtbank dat [gedaagde] onweersproken (en onderbouwd, productie 10 van [gedaagde] ) heeft gesteld dat erflaatster in 2016 haar privébankrekening heeft opgeheven met overboeking van het aanwezige saldo naar de en/of rekening met [partner erflaatster] en dat dit overgeboekte saldo destijds zeer gering was (€ 372,18). Bij gebreke van andere gegevens moet in het licht hiervan worden aangenomen dat als erflaatster bij haar overlijden beschikte over overgespaard vermogen, dit voldoende zal blijken uit de bankafschriften van de laatste drie jaar van haar leven. Verder overweegt de rechtbank dat erflaatster haar leven kon invullen zoals zij wenste en dat legitimarissen niet achteraf kunnen eisen dat alsnog rekening en verantwoording wordt afgelegd met betrekking tot de leefwijze van erflaatster en het mogelijk daarmee gepaard gaande uitgavenpatroon (vgl. Gerechtshof Den Haag 8 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1869). Artikel 195 Rv Pro biedt ook geen grondslag om meer stukken toe te wijzen, omdat het belang van die stukken onvoldoende is onderbouwd.
Kosten
4.9.
De kosten die met de informatieplicht gepaard gaan, komen op grond van artikel 4:78 BW Pro ten laste van de nalatenschap van erflaatster. Daarmee komen ze voor rekening van haar erfgenaam [partner erflaatster] , en vervolgens voor rekening van diens erfgenaam [gedaagde] (artikel 4:182 BW Pro, artikel 3:80 lid 2 BW Pro).
Dwangsom
4.10.
Nu [gedaagde] de bankrekeningafschriften nog niet heeft verschaft ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Daaraan doet niet af dat [gedaagde] verklaard heeft deze wel te verschaffen als hij daartoe worden veroordeeld. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij voor het verstrekken van de bankrekeningen afhankelijk is van de medewerking van de bank. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de termijn daarom toe te wijzen zoals vermeld in de beslissing. Ook zal de dwangsom gemaximeerd worden.
Sieraden
4.11.
[gedaagde] voert aan dat hij bij het overlijden van [partner erflaatster] geen sieraden heeft aangetroffen. Dat erflaatster sieraden had op het moment van haar overlijden, kan daarom niet worden vastgesteld. Ter zitting heeft [gedaagde] wel verklaard dat hij van [partner erflaatster] had gehoord dat hij sieraden aan erflaatster had gegeven, maar dat wil niet zeggen dat deze sieraden er nog waren op het moment van overlijden van erflaatster. Bovendien is dan niet duidelijk om welke of hoe veel sieraden het dan gaat. [gedaagde] kan niet worden veroordeeld om informatie te verstrekken waarover hij niet beschikt. De rechtbank zal de vordering II. daarom afwijzen.
Verdere gang van zaken procedure
4.12.
Na ontvangst van de bankrekeningafschriften zal [eiser] een akte mogen nemen waarin zij zich (opnieuw) uit laat over de hoogte van de legitieme portie. [gedaagde] mag hier vervolgens bij antwoordakte op reageren. De termijn waarbinnen aktes genomen kunnen worden is afhankelijk van het moment dat [eiser] de bankrekeningafschriften van [gedaagde] zal ontvangen. De rechtbank zal de zaak daarom verwijzen naar de parkeerrol. Partijen kunnen de zaak echter eerder opbrengen zodat [eiser] deze akte eerder kan nemen (artikel 8.2.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton).
4.13.
De rechtbank zal vervolgens beslissen op de vorderingen III. en IV. De rechtbank merkt op dat, aangezien partijen niet de oorspronkelijke erfgenaam en legitimaris zijn, er mogelijk veel onduidelijk blijft over de goederen en schulden van de nalatenschap en daarmee de hoogte van de legitieme portie. Partijen zouden om verdere kosten te voorkomen ook een onderlinge regeling kunnen treffen ter beëindiging van de procedure.
4.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 1 week na betekening van het vonnis op te vragen en binnen twee werkdagen na ontvangst aan [eiser] te verstrekken de bankrekeningafschriften althans een transactieoverzicht van de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer 2] vanaf 21 juni 2019 tot de datum van overlijden van erflaatster, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van
7 oktober 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 4.12, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.