ECLI:NL:RBGEL:2026:2395

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
05/210497-25 en 05/009054-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging met messteek en letsel in Nijmegen

Op 9 juli 2025 vond in Nijmegen een incident plaats waarbij verdachte samen met anderen openlijk geweld pleegde tegen het slachtoffer. Verdachte stak het slachtoffer met een mes in het hoofd, wat een snee en bloedingen veroorzaakte. Diverse getuigen en camerabeelden bevestigen de messteek en het geweld.

De officier van justitie vorderde vrijspraak voor poging doodslag wegens ontbreken van opzet op de dood, maar stelde dat openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen was. De verdediging bepleitte vrijspraak voor de poging doodslag en deels voor onderdelen van het subsidiaire feit.

De rechtbank oordeelde dat opzet op de dood ontbrak en sprak verdachte vrij van poging doodslag. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte openlijk in vereniging geweld pleegde met een messteek en slagen, waarbij het slachtoffer letsel opliep. Verdachte werd veroordeeld tot 210 dagen gevangenisstraf, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op gedragsinterventie, alcoholverbod en reclasseringstoezicht.

De rechtbank hield rekening met het recidivegevaar, eerdere veroordelingen en het feit dat het delict in een proeftijd werd gepleegd. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 210 dagen gevangenisstraf, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en proeftijd van drie jaar voor openlijke geweldpleging met messteek en letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/210497-25 en 05/009054-25 (tul)
Datum uitspraak : 26 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] (Eritrea),
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. A. Sahin, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging en een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd, althans in het (boven)lichaam, heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Nijmegen aan de Molenstraat in Nijmegen, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- de confrontatie opzoeken met die [slachtoffer] ,
- met meerdere personen naar die [slachtoffer] toe bewegen,
- het eenmaal of meermalen slaan tegen het hoofd, althans tegen het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- het eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, steken en/of prikken in het hoofd, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] , terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een snee en/of wond op het hoofd, voor die [slachtoffer] ten gevolge had;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door
- de confrontatie op te zoeken met die [slachtoffer] ,
- met meerdere personen naar die [slachtoffer] toe te bewegen,
- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen tegen het hoofd, althans tegen het (boven)lichaam, te slaan en/of
- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd, althans in het (boven)lichaam, te steken en/of te prikken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak verzocht voor de primair ten laste gelegde poging doodslag, omdat het opzet op de dood van [slachtoffer] niet kan worden bewezen. Zij heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Ze heeft partieel vrijspraak verzocht voor een aantal gedachtestreepjes in het subsidiair tenlastegelegde, nu die handelingen ofwel niet kunnen worden bewezen ofwel geen deel kunnen zijn van openlijke geweldpleging omdat die handelingen geen ‘geweld’ zijn. Voor het overige heeft ze zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 9 juli 2025 in Nijmegen was ter hoogte van de ING aan de Molenstraat met onder meer zijn vriendin [getuige 1] . Een groepje van drie jongens kwam op hen af. Een van de jongens sprak zijn vriendin aan. Nadat aangever daar wat van zei, sloeg een andere jongen hem op zijn gezicht. Aangever liep weg naar de Drie Gezusters en de groep jongens liep achter hem aan. De jongen die zijn vriendin had aangesproken, kwam op hem af met een mes in zijn hand. Een andere jongen zat aan zijn tas. In zijn ooghoek zag aangever dat de jongen met het mes richting zijn hoofd ging. Hij voelde dat hij boven zijn linkeroor werd geraakt. Hij voelde een scherpe pijn. Daarna heeft hij een voorwerp van straat gepakt, rende hij naar de jongen toe en sloeg hem met het voorwerp. [2]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij in de stad was met onder meer een vriend ‘ [slachtoffer] ’ [de rechtbank begrijpt [slachtoffer] ] toen ze werd aangesproken door een groep jongens die met haar wilde praten. Toen ‘ [slachtoffer] ’ zei dat ze niet wilden praten begon een van hen, de langste, hem te duwen en slaan. De vrienden van de lange jongen begonnen die lange jongen te helpen, rende achter ‘ [slachtoffer] ’ aan en begonnen hem te slaan. [3]
De politie heeft bij het opnemen van de aangifte het letsel van het slachtoffer bekeken en zag boven zijn linkeroor een snee van twee à drie centimeter lang. Onder de snee zat een beperkte hoeveelheid bloed. [4]
Het dossier bevat beschrijvingen van camerabeelden van het incident van een camera aan de Molenstraat. De verbalisant heeft op de beelden zowel verdachte als [slachtoffer] herkend. Op de beelden is (onder meer) het volgende te zien:
“(…) Op de eerste camerabeelden (…) zag ik dat (…) [verdachte] naar [slachtoffer] liep. Ik zie dat [slachtoffer] weg loopt richting de Tweede walstraat. Ik zie dat hij net buiten beeld is. Ik zie dat [verdachte] iets uit zijn rechter broekzak pakt. Ik zie dat hij iets in zijn rechterhand vasthoudt. Ik zie dat [verdachte] een steekende beweging maakt ter hoogte van het hoofd van [slachtoffer] . [De] treffer zie ik niet aangezien op dit beeld halverwege de onderarm van [verdachte] uit beeld raakt. Ik omschrijf deze beweging als een steek beweging richting de hals of het hoofd van [slachtoffer] . Ik zie dat dit een krachtige beweging is.
Ik zie dat het bij een (1) steek beweging of daadwerkelijke actie blijft. De steek is gericht geweest op de linkerzijde van het hoofd of hals van [slachtoffer] .
(...)
Ik zie dat [slachtoffer] al weglopend van het incident met zijn linkerhand zijn linker hoofd vast heeft ter hoogte van zijn linker oor. Ik zie dat hij druk blijft uitoefenen op dit gedeelte van het hoofd. Hierdoor heb ik het idee dat de hierboven omschreven steekbeweging een daadwerkelijke messteek is geweest en dat daarbij het linker gedeelte van het hoofd van [slachtoffer] is geraakt ter hoogte van zijn linkeroor. (…) [5]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij die avond aan het werk was als beveiliger bij café Van Rijn. Hij zag dat een kleine jongen met een kort afro-kapsel en een nektasje een mes vasthad. Het mes had een handvat met een patroon met groen erin. De jongen met rastahaar had bloed in zijn nek. Hij hield zijn hand op de plek waar het bloedde. De jongen die gestoken was, sloeg de jongen met het afro-kapsel met een wandelstok. [6]
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat een kleinere jongen naar zijn broekzak greep en daar iets uit pakte. Deze jongen rende naar [slachtoffer] toe. Een langere jongen sloeg [slachtoffer] . [7]
De politie heeft op de plek waar het incident zich had afgespeeld een inklapbaar mes aangetroffen op de grond. [8]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die avond samen met twee vrienden was en samen met hen een gevecht had tegen “ [slachtoffer] en zo”. Het was groep tegen groep, vuist op vuist. Hij is geslagen door een jongen met een wandelstok. Het mes dat op pagina 49 van het dossier is afgebeeld, is van hem. Hij heeft geslagen met zijn vuisten. [9] Hij heeft het mes niet in handen gehad en hij heeft geen stekende beweging gemaakt.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met een mes ‘in’ het hoofd van [slachtoffer] heeft gestoken. Dat het moment dat [slachtoffer] door het mes werd geraakt niet op beeld te zien is, doet daar niet aan af. De aangifte van [slachtoffer] dat verdachte stak naar zijn hoofd en dat hij werd geraakt, wordt ondersteund door de beschrijving van de beelden, waarop te zien is dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt. Daarnaast is er een getuige die verklaart dat verdachte een mes vasthad. Deze getuige verklaart dat de jongen met het mes met een wandelstok geslagen werd door de jongen die gestoken was, terwijl verdachte verklaard heeft dat hij met een wandelstok werd geslagen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte de jongen met het mes was. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] na de stekende beweging meerdere keren naar zijn hoofd grijpt en naar zijn hand kijkt. Dit bevestigt de verklaring van [slachtoffer] dat hij daadwerkelijk is geraakt. Bovendien heeft de politie bij het opnemen van de aangifte van [slachtoffer] letsel waargenomen. De rechtbank stelt vast dat uit verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] volgt dat sprake was van door verdachte samen met anderen in vereniging gepleegd geweld op de openbare weg, de Molenstraat en dat dit openlijk geweld, naast het steken met een mes, bestond uit het meermalen slaan waaronder tegen het hoofd van [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] door het openlijk geweld enig letsel heeft opgelopen, blijkt uit de aangifte en het proces-verbaal van de politie waarin het letsel is beschreven.
Conform de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw oordeelt de rechtbank dat van opzet op de dood geen sprake was. Op grond van de bewijsmiddelen of de uiterlijke verschijningsvorm kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en ook niet van aanvaarding daarvan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
De rechtbank oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten openlijke geweldpleging met enig letsel tot gevolg. Op grond van het bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte actief aan het geweld heeft deelgenomen door [slachtoffer] ‘in’ zijn hoofd te steken met een mes. Verdachte heeft daarmee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Verdachte is in strafrechtelijke zin ook medeverantwoordelijk voor het handelen van zijn mededaders, te weten het slaan van [slachtoffer] .
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in de stelling dat vrijspraak moet volgen voor de gedachtestreepjes bestaande uit ‘de confrontatie opzoeken met die [slachtoffer] ’ en ‘met meerdere personen naar die [slachtoffer] toe bewegen’ omdat dit geen geweld zou zijn. De tenlastelegging en de handelingen daarin vermeld moeten worden beschouwd als één geheel waaruit de openlijke geweldpleging bestaat, waar ook die handelingen onderdeel van zijn.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks9 juli 2025 te Nijmegen aan de Molenstraat in Nijmegen
, in elk gevalopenlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
of meerpersoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- de confrontatie opzoeken met die [slachtoffer] ,
- met meerdere personen naar die [slachtoffer] toe bewegen,
- het
eenmaal ofmeermalen slaan tegen het hoofd, althans tegen het (boven)lichaam
,van die [slachtoffer] en
/of
- het eenmaal
of meermalenmet een mes
, althans een scherp en/of puntig voorwerp,steken
en/of prikken in het hoofd
, althans in het (boven)lichaam,van die [slachtoffer] , terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een snee
en/of wondop het hoofd, voor die [slachtoffer] ten gevolge had;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte langer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dan dat hij redelijkerwijs aan straf opgelegd zou krijgen voor het – in haar optiek – bewezen te achten feit. Als de rechtbank een kortere straf op zou leggen dan het voorarrest, zou het forensisch hulpverleningskader komen te vervallen, terwijl verdachte daar wel bij gebaat is.
De raadsvrouw heeft verzocht een straf op te leggen in lijn met de richtlijnen van de LOVS.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte is op een drukke uitgaansavond op de openbare weg in het centrum van Nijmegen samen met anderen, kennelijk zonder noemenswaardige aanleiding, een gevecht aangegaan met [slachtoffer] en heeft daarbij een mes gebruikt. Hij heeft [slachtoffer] met het mes bij zijn oor in zijn hoofd geraakt en [slachtoffer] heeft van hem en zijn mededaders met de vuist meerdere klappen tegen het hoofd en/of het lichaam gekregen. Dit leverde voor hem een gevaarlijke en bedreigende situatie op. Een dergelijk feit, gepleegd in het bijzijn van veel uitgaand publiek, zorgt voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van Reclassering Nederland van 19 februari 2026. Hieruit komt naar voren dat verdachte problemen kent op het gebied van alcoholgebruik, sociaal netwerk en emotieregulatie. Verdachte is de laatste jaren herhaaldelijk in contact gekomen met justitie, waar de reclassering een delictpatroon in herkent dat lijkt op te lopen in ernst. Vrijwel elke keer speelde alcoholgebruik een rol. Vanaf zijn schorsing in december 2025 loopt verdachte in een toezicht. Hij heeft werk gevonden en – zo bleek ter terechtzitting – heeft een aanvang gemaakt met de gedragsinterventie ‘Alcohol en geweld’. Met verdachtes houding lijkt het, voorzichtig, de goede kant op te gaan. Hij toont zich gemotiveerd en geeft openheid van zaken. Het is nog te vroeg om van een wezenlijke gedragsverandering te kunnen spreken, omdat hij in januari 2026 nog in het centrum van Nijmegen was, zich bij een groep bekenden van de politie bevond en daarbij onder invloed van alcohol was. De reclassering acht het voortzetten van het reclasseringstoezicht dan ook noodzakelijk. Zij adviseert een meldplicht, gedragsinterventie middelengebruik, ambulante behandeling, een alcoholverbod, een locatiegebod met elektronische monitoring, dagbesteding en inzicht in sociaal netwerk. De reclassering adviseert de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij van de alcohol wil afblijven. Hij vindt het locatiegebod niet nodig, omdat hij weet dat hij zich in de toekomst moet gedragen.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 11 maart 2026 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (onder meer) openlijk geweld. Hiervoor heeft hij een (deels voorwaardelijke) taakstraf opgelegd gekregen. Bovendien is het onderhavige feit in een proeftijd begaan. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee. Nadat verdachte onderhavig feit heeft gepleegd, is hij twee keer (onherroepelijk) veroordeeld voor geweldsfeiten. Dat betekent dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank acht alles afwegende het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen passend, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Dat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is dat aan verdachte de juiste hulp en begeleiding geboden wordt. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen dan ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het locatiegebod. Met de overige voorwaarden wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende kader gecreëerd om het recidiverisico te beperken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien verdachtes justitiële documentatie en de inhoud van het reclasseringsrapport, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan als de bijzondere voorwaarden niet zouden voortduren. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/009054-25)

De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsvrouw - de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging. Deze voorwaardelijke straf is blijkens het uittreksel justitiële documentatie al tenuitvoergelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland (Zutphen) van 4 september 2025.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;
 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
210 (tweehonderdtien) dagen;
 bepaalt dat
een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
43 (drieënveertig) dagen,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijdvan
drie (drie) jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
 verdachte zich meldt op afspraken met Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 verdachte deelneemt aan de gedagsinterventie Training Alcohol en geweld of een andere gedragsinterventie die gericht is op agresssiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
 verdachte zich zal laten behandelen door IrisZorg en/of Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start, indien noodzakelijk, zo spoedig mogelijk na aanmelding. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
 verdachte geen alcohol zal gebruiken en zal meewerken aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
 verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van (on)betaald werk of een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
 verdachte openheid en inzicht in zijn sociaal netwerk zal geven met als doel het in kaart brengen van helpende en niet-helpende contacten;
stelt als overige voorwaarden dat:
 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. M.W.R. Koch en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.
mr. M.W.R. Koch, mr. S.H.W. Martens en mr. L.M. van der Velden zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025324718, gesloten op 24 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , p. 15-16 (ZD1).
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 100-101 (ZD1).
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19 (ZD1).
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 128-129 (ZD1).
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 93-94 (ZD1).
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 89 (ZD1).
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 45 en 49 (ZD1).
9.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2026.