Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2413

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25/902
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 9 PaspoortwetArt. 47 PaspoortwetArt. 56 PaspoortwetArt. 54 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verval Nederlandse paspoorten wegens ontbreken Nederlanderschap

Eisers hebben op 5 november 2020 Nederlandse paspoorten aangevraagd die later zijn ingetrokken omdat zij volgens de minister nooit het Nederlanderschap hebben bezeten. Dit volgt uit het feit dat hun moeder in 2001 in Jordanië is getrouwd met een andere man dan de persoon die hen bij geboorte heeft erkend, waardoor de erkenningen niet rechtsgeldig zijn.

De minister heeft de paspoorten van rechtswege laten vervallen en eisers verzocht deze in te leveren. Eisers maakten bezwaar, maar dit werd eerst niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelde in 2022 dat de brief van 10 mei 2021 wel een besluit was en vernietigde het eerdere besluit. De minister nam daarop een nieuw besluit dat bij het oorspronkelijke bleef. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit en verwees de zaak terug naar de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat bij de paspoortaanvragen onjuiste gegevens zijn verstrekt over het vaderschap, waardoor de paspoorten terecht zijn vervallen. Eisers konden geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan het bezit van het Nederlanderschap. Ook is geen evenredigheidstoets vereist omdat zij het Nederlanderschap nooit hebben gehad.

Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard, zij krijgen geen gelijk en geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.S. Gaastra op 30 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het verval van de paspoorten wegens ontbreken Nederlanderschap.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], eisers

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het van rechtswege vervallen en intrekken van de Nederlandse paspoorten van eisers omdat zij niet over het Nederlanderschap beschikken. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het van rechtswege vervallen en intrekken van de Nederlandse paspoorten van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten dat de paspoorten van eisers van rechtswege zijn vervallen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 10 mei 2021 is aan eisers verzocht om per ommegaande hun paspoorten in te leveren bij de Nederlandse ambassade in Jordanië. De minister heeft met het besluit van 20 juli 2021 het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 mei 2021 volgens de minister geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1.
Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 5 juli 2022 het beroep van eisers gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Verder heeft de minister op 21 oktober 2022 een nieuw besluit op het bezwaar van eisers genomen waarbij de minister bij het besluit van 10 mei 2021 is gebleven.
2.2.
Eisers hebben in de hoger beroepsprocedure gereageerd op het besluit van
21 oktober 2022. De Afdeling heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van
21 oktober 2022 naar deze rechtbank verwezen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er vooraf aan deze uitspraak?
3. Op 5 november 2020 hebben eisers een Nederlands paspoort aangevraagd en die zijn daarop aan hen verstrekt. Nadien is volgens de minister uit onderzoek gebleken dat zij nooit in het bezit zijn geweest van het Nederlanderschap. [1] Gebleken is dat hun moeder op 21 juni 2001 in Jordanië is getrouwd met [persoon A], maar dat zij dit niet kenbaar heeft gemaakt toen zij in Nederland verbleef. Dit betekent dat [persoon A] de juridische vader is van [eiser 1] (geboren op [geboortedag 1] 2003), [eiser 3] (geboren op [geboortedag 2] 2004) en [eiser 2] (geboren op [geboortedag 3] 2005). De aktes van erkenning waarin de Nederlandse [persoon B] hen bij geboorte heeft erkend zijn daardoor niet rechtsgeldig. Dit betekent volgens de minister dat de paspoorten van eisers van rechtswege zijn vervallen. Eisers zijn daarom in de brief van 10 mei 2021 verzocht om per ommegaande hun paspoorten in te leveren bij de Nederlandse ambassade in Jordanië. [2] Wanneer zij dat niet doen, zullen hun gegevens worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen.
3.1. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van 10 mei 2021. Met het besluit van 20 juli 2021 heeft de minister het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 mei 2021 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waardoor er geen mogelijkheden zijn om bezwaar te maken of in beroep te gaan.
3.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 20 juli 2021. De rechtbank heeft met de uitspraak van 5 juli 2022 het beroep van eisers gegrond verklaard, omdat de brief van 10 mei 2021 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. [3] De rechtbank heeft het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen.
3.3.
De minister heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling tegen deze uitspraak. Verder heeft de minister op 21 oktober 2022 gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en een nieuw besluit op het bezwaar van eisers genomen. De minister is met het besluit van 21 oktober 2022 (bestreden besluit) bij het besluit van 10 mei 2021 gebleven.
3.4.
De Afdeling heeft met de uitspraak van 12 juni 2024 [4] de uitspraak van deze rechtbank bevestigd. Voor zover het beroep zich richt tegen het besluit van 21 oktober 2022, verwijst de Afdeling de zaak naar deze rechtbank.
Wat is het beoordelingskader?
4. Artikel 9 van Pro de Paspoortwet stelt het Nederlanderschap als voorwaarde voor het verstrekken van een Nederlands paspoort. Bij een beslissing op een aanvraag om afgifte daarvan moet daarom worden vastgesteld of iemand het Nederlanderschap bezit. Wanneer een kind bij de geboorte een vader of moeder met de Nederlandse nationaliteit heeft, is deze Nederlander. [5] Wanneer het alleen de vader is die de Nederlandse nationaliteit bezit, gaat dit om de Nederlandse vader die met de moeder is gehuwd, of die het kind vóór de geboorte heeft erkend. Ook na de geboorte kan een minderjarige het Nederlanderschap aan zijn Nederlandse vader ontlenen, door onder meer erkenning of de optieprocedure. [6]
4.1.
Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet vervalt een reisdocument van rechtswege, indien door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het reisdocument.
Is bij de aanvragen van de paspoorten gebruik gemaakt van onjuiste gegevens?
5. Eisers stellen dat de minister niet heeft kunnen vaststellen dat bij de aanvragen van de paspoorten gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens. De minister heeft onvoldoende onderzocht en onderbouwd dat de moeder van eisers gehuwd was. De enkele niet gelegaliseerde huwelijksakte van voor de geboorte van eisers is daarvoor onvoldoende.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat bij de paspoortaanvragen van eisers gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens. Bij de aanvragen is namelijk opgegeven dat de heer [persoon B] de vader is van eisers, terwijl later is gebleken dat de heer [persoon A] de vader is van eisers. Uit de later overgelegde huwelijksakte blijkt namelijk dat de moeder van eisers tijdens hun geboorte was getrouwd met de heer [persoon A] en dat betekent dat hij de vader is van eisers. Dit volgt uit artikel 1:99, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De latere erkenning door de heer [persoon B] heeft niet tot het ouderschap geleid. Uit artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e van het BW blijkt namelijk dat de erkenning nietig is als er twee ouders zijn. [7] Dit betekent dat eisers bij hun paspoortaanvragen ten onrechte hebben opgegeven dat de heer [persoon B] hun vader is. Anders dan eisers stellen, mocht de minister, gelet op alle feiten tezamen, uitgaan van de juistheid van de overgelegde huwelijksakte en daarmee ook van het feit dat de heer [persoon A] hun vader is. Deze huwelijksakte is door de moeder zelf overgelegd bij de indiening van de paspoortaanvraag van de minderjarige zus van eisers. Verder is in de Jordaanse paspoorten van eisers als achternaam de naam [persoon A] opgenomen. Dit vormt ook een aanwijzing dat eisers zijn geboren tijdens het huwelijk van de moeder met de heer [persoon A]. Eisers zaaien in hun reactie van 8 december 2022 voor het eerst twijfel over de echtheid van de huwelijksakte, maar zij hebben op geen enkele wijze nader toegelicht dat geen sprake is van een in 2001 gesloten huwelijk tussen de moeder en de heer [persoon A] en waarom er in dat geval dan een huwelijksakte is overgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn hierdoor de paspoorten komen te vervallen?
6. Eisers stellen dat de paspoorten niet zijn komen te vervallen. Eisers zijn in het bezit gesteld van Nederlandse reisdocumenten en dus is door of namens de overheid aangegeven dat zij geacht worden Nederlanders te zijn. Eisers hebben vervolgens ook gebruik gemaakt van hun recht op vrij verkeer door zich in Nederland te vestigen. Eisers stellen dat door het laten vervallen van hun paspoorten hun recht op grond van artikel 20 van Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is afgenomen. In die situatie dient de minister een evenredigheidsbeoordeling te verrichten, maar dat heeft hij nagelaten. Eisers verwijzen in dit kader naar het arrest Tjebbes van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019. [8]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de paspoorten zijn komen te vervallen. Het Nederlanderschap kan niet worden verkregen of behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. [9] Aan de omstandigheid dat aan eisers ten onrechte Nederlandse paspoorten zijn verstrekt, kan dus geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat zij het Nederlanderschap bezitten. Verder ziet het door eisers aangehaalde Tjebbes-arrest niet op deze situatie, waardoor een evenredigheidstoets niet aan de orde is. In het Tjebbes-arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat in gevallen dat het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan bekeken moet worden of het verlies evenredig is als dit tevens leidt tot het verlies van het Unieburgerschap. In de situatie van eisers is echter geen sprake van verlies van het Nederlanderschap omdat zij nooit het Nederlanderschap hebben bezeten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet.
2.Op grond van artikel 56 in Pro samenhang met artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet.
3.Rechtbank Gelderland 5 juli 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:3399.
4.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2396.
5.Artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
6.Artikel 4, tweede en vierde lid, van de RWN en artikel 6 van Pro de RWN. De rechtbank merkt daarbij op dat de procedure tot erkenning zoals bedoeld in artikel 4, tweede en vierde lid, van de RWN pas per 1 maart 2009 aan de RWN is toegevoegd, Stb 2009, 1.
7.Zie Kamerstukken II 2011/12, 33032, nr. 3, p. 17.
8.ECLI:EU:C:2019:189.
9.De minister wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2036) en 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:331).