Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2431

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11731227 \ CV EXPL 25-1702
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:246 lid 1 BWArt. 3:37 BWArt. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering geldlening en pandrecht ondanks betwisting verpanding

Eiser heeft in 2009 een geldlening van €50.000 verstrekt aan gedaagde B.V. Deze vordering is in 2023 aan Rabobank verpand, wat gedaagde als openbaar pandrecht stelt. Eiser betwist de verpanding, maar kan dit niet concreet onderbouwen.

Gedaagde stelt dat Rabobank inningsbevoegd is en dat de vordering van eiser is tenietgegaan door verrekening na verkoop van een villa, maar deze stelling is onvoldoende onderbouwd en tegenstrijdig met eerdere beweringen. Eiser stelt dat hij nog steeds inningsbevoegd is omdat het pandrecht mogelijk is tenietgegaan zonder uitwinning.

Gedaagde beroept zich op de redelijkheid en billijkheid omdat zij de borgstelling van eiser heeft wegonderhandeld met Rabobank, maar de kantonrechter oordeelt dat het vasthouden aan de terugbetalingsverplichting niet onaanvaardbaar is. De vordering van eiser wordt toegewezen met wettelijke rente vanaf de dagvaarding, en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €25.000 met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11731227 \ CV EXPL 25-1702
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.M. Gunning,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Schröder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 januari 2026
- de akte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op 13 maart 2026, maar het vonnis wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 16 januari 2026.
2.2.
[eiser] heeft in het jaar 2009 € 50.000,00 aan [gedaagde] geleend. Deze vordering heeft [eiser] ergens in het jaar 2023 aan Rabobank verpand. Dit blijkt uit de brief van Rabobank van 23 december 2013. Daarin staat, voor zover hier van belang: “
De heer [eiser] heeft zijn vordering, voortvloeiende uit een geldleningsovereenkomst tot € 50.000,00 met [gedaagde] B.V. jegens cliënte achtergesteld en aan haar verpand.” Met cliënte wordt Rabobank bedoeld. [eiser] heeft de verpanding weliswaar (bloot) betwist, maar niet uitgelegd hoe de zinsnede over de verpanding, die hierboven staat, volgens hem dan moet worden gelezen. Daarom wordt aan die betwisting voorbij gegaan.
2.3.
Als de kantonrechter [gedaagde] goed begrijpt, is haar stelling dat in eerste instantie sprake was van stille verpanding van de vordering, maar is, vanwege de mededeling op 23 december 2013, dit overgegaan in een openbaar pandrecht. Daarom, zo stelt [gedaagde] , is [eiser] niet meer inningsbevoegd (maar was in het verleden de Rabobank dus inningsbevoegd). In beginsel kan [gedaagde] in deze redenering gevolgd worden. De pandhouder, in dit geval Rabobank, was bevoegd in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen (art. 3:246 lid 1 BW Pro). Dat mededeling van het pandrecht niet in de juiste vorm is gedaan, zoals [eiser] stelt, is onjuist. Deze mededeling is vormvrij en heeft dus plaatsgevonden (art. 3:37 BW Pro).
2.4.
Echter, de redenering van [gedaagde] over de inningsbevoegdheid kan gevolgd worden, maar sluit niet uit dat, zoals [eiser] stelt, [eiser] op enig moment weer inningsbevoegd is geworden. Dit zou zo kunnen zijn als de vordering tot zekerheid waarvan het pandrecht strekte, teniet is gegaan, zonder uitwinning van het pandrecht. [eiser] betoogt ook dat dat het geval is. In dat geval heeft en houdt hij belang bij zijn vordering (art. 3:303 BW Pro). [gedaagde] heeft haar redenering mogelijk daarom vervolgd door te stellen dat de villa (een vermogensbestanddeel van [gedaagde] ) onderhands is verkocht, dat deze koopsom door Rabobank is geïnd, het pandrecht op dat geïnde is gaan rusten (art. 3:246 lid 5 BW Pro) en de vordering van [eiser] daarna door verrekening is tenietgegaan. De kantonrechter begrijpt [gedaagde] zo, dat volgens haar op deze manier het pandrecht is uitgewonnen en teniet is gegaan. Met de verkoopopbrengst van de villa is dus volgens [gedaagde] (ook) een schuld van [eiser] aan de Rabobank gedelgd. Deze stelling heeft zij, onvoldoende concreet gemaakt en, gelet op de betwisting daarvan door [eiser] , ook onvoldoende onderbouwd. De stelling is daarnaast ook in strijd met hetgeen zij eerder, in haar conclusie van antwoord heeft betoogd, namelijk dat de vordering van [eiser] nog bestaat (en niet door voldoening of verrekening teniet is gegaan), maar verjaard is. De kantonrechter gaat hier dus niet in mee.
2.5.
Als laatste stelt [gedaagde] nog dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een vordering tracht te verhalen waartoe hij niet inningsbevoegd is, terwijl [gedaagde] de borgstelling van [eiser] heeft wegonderhandeld met Rabobank. Als [gedaagde] dat niet had gedaan, was [eiser] hoogstwaarschijnlijk uitgewonnen voor dat bedrag van € 80.000,00, aldus [gedaagde] . De kantonrechter begrijpt deze stelling zo dat [gedaagde] stelt dat zij aan [eiser] een dienst heeft bewezen en dat [eiser] daarop had moeten reageren door als wederdienst de lening kwijt te schelden. [gedaagde] doet dus een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro). Naar het oordeel van de kantonrechter is het, in de gegeven omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [eiser] een beroep doet op de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] op grond van de overeenkomst. Bij de toepassing van de beperkende werking moet namelijk de nodige terughoudendheid worden betracht (vergelijk Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153). Er is sprake van een marginale toetsing. Iets is niet snel “onaanvaardbaar.” De kantonrechter is van oordeel, dat het vasthouden aan de terugbetalingsverplichting, ook al zou [gedaagde] het chiquer hebben gevonden als [eiser] dat niet had gedaan, mede gelet op de omstandigheid dat [eiser] lange tijd heeft gewacht met het innen van zijn vordering en heeft afgezien van zijn vordering voor zover die een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat, niet “onaanvaardbaar” is.
2.6.
De vordering van [eiser] zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. De verweren van [gedaagde] gaan niet op.
2.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
2.019,50
(3,5 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
3.043,54

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.043,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
40141 / 560