Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2434

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11856469 CV EXPL 25-2631
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting huurovereenkomst wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding na overlijden huurder

De moeder van eiser huurde een woning van Ons Huis. Eiser woonde sinds zijn geboorte onafgebroken in deze woning en voerde met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Na het overlijden van zijn moeder vorderde eiser voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

Ons Huis betwistte dit en vorderde ontruiming van de woning, stellende dat eiser niet voldeed aan de wettelijke eisen. De kantonrechter beoordeelde of eiser zijn hoofdverblijf in de woning had en of sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Uit verklaringen en stellingen bleek dat eiser en zijn moeder gezamenlijk huishielden, kosten deelden en dat eiser nooit de intentie had de woning te verlaten.

De kantonrechter concludeerde dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en Pro 3 BW was voldaan, waardoor eiser de huur voortzet vanaf 1 april 2025. De vorderingen van Ons Huis werden afgewezen. Ons Huis werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voortgezet door eiser vanaf 1 april 2025 en de vorderingen van Ons Huis worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11856469 \ CV EXPL 25-2631
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Pinners, toegevoegd onder nr. 2GZ5899,
tegen
ONS HUIS, WONINGSTICHTING,
te Apeldoorn,
hierna te noemen: Ons Huis,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De moeder van [eiser in conventie] (hierna: de moeder) huurde van Ons Huis de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres] (hierna: de woning).
2.2.
[eiser in conventie] is op [geboortedatum] geboren en woont sindsdien onafgebroken in de woning.
2.3.
Op [overlijdensdatum] is de moeder overleden.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conventie] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis:
Primair:
- voor recht zal verklaren dan wel zal bepalen dat [eiser in conventie] met ingang van 1 april 2025 de huur van de woning voortzet;
Subsidiair:
- zal bepalen dat [eiser in conventie] met ingang van 1 april 2025 de huurder van de woning wordt;
Primair en subsidiair:
- Ons Huis zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser in conventie] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
[eiser in conventie] heeft in de woning zijn hoofdverblijf en voerde met zijn (inmiddels overleden) moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Hij voldoet daarmee aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
3.3.
Ons Huis voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Ons Huis vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat [eiser in conventie] de huurovereenkomst van wijlen zijn moeder niet voortzet;
II. [eiser in conventie] zal veroordelen de woning te ontruimen;
III. [eiser in conventie] zal veroordelen in de proceskosten.
3.6.
Ons Huis legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
[eiser in conventie] voldoet niet aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. [eiser in conventie] verblijft daarom zonder recht of titel in de woning.
3.7.
[eiser in conventie] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Ons Huis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Ons Huis in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro zet de persoon die geen medehuurder is, maar wel zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. [eiser in conventie] vordert voortzetting van de huur en doet daarbij een beroep op dit artikel.
4.3.
Deze vordering, zo volgt uit het derde lid van artikel 7:268 BW Pro, moet door de rechter worden afgewezen indien:
- geen sprake is van een hoofdverblijf in het gehuurde of van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder;
- eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Deze vereisten zijn cumulatief en dwingend voorgeschreven zodat indien aan één van de vereisten niet is voldaan, de vordering moet worden afgewezen.
4.4.
Dat [eiser in conventie] in de woning zijn hoofdverblijf heeft, is niet in geschil. De vraag die moet worden beantwoord is de vraag of hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
4.4.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 7:268 lid 3 onder Pro a BW is het voor toewijzing van de vordering voldoende dat [eiser in conventie] het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder aannemelijk maakt. Met de door [eiser in conventie] ingenomen stellingen en de overgelegde verklaringen van familieleden en vrienden, heeft [eiser in conventie] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding voerde, die ook wederkerig was. Zij kookten gezamenlijk, deden samen boodschappen, aten samen, verrichtten samen huishoudelijke taken, gaven grotendeels gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en namen samen deel aan het sociale verkeer. Ook heeft [eiser in conventie] gesteld en onderbouwd dat hij vanaf de leeftijd dat hij daar financieel toe in staat was, in de kosten van de huishouding heeft bijgedragen. Toen hij student was, was de bijdrage relatief laag, maar naarmate hij meer is gaan werken, is hij ook meer gaan bijdragen aan de kosten van de huishouding.
4.4.2.
Hoewel in het algemeen geldt dat een gemeenschappelijke huishouding van ouders en hun inwonende kinderen in beginsel geen duurzaam karakter heeft omdat gebruikelijk is dat kinderen, als zij volwassen zijn geworden, het ouderlijk huis verlaten en op zichzelf gaan wonen, gaat het in deze zaak om een andere situatie. Van belang daarbij is dat door [eiser in conventie] is gesteld en onderbouwd dat hij altijd bij zijn moeder heeft gewoond, de woning nooit heeft verlaten en nooit als woningzoekende ingeschreven heeft gestaan. [eiser in conventie] heeft ter zitting verklaard dat hij ook nooit de intentie heeft gehad om de samenwoning met zijn moeder te beëindigen. Ook wanneer [eiser in conventie] een affectieve relatie zou krijgen of een gezin zou stichten, was het zijn wens en zijn plan om te blijven samenwonen met zijn moeder. Zijn stellingen op dit punt worden ondersteund door (een deel van) de overgelegde verklaringen. Ons Huis heeft de stellingen van [eiser in conventie] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit maakt dat in deze zaak voldoende aannemelijk is geworden dat geen sprake is van een inwonend kind waarvan te verwachten was dat deze op termijn zou ‘uitvliegen’ om op zichzelf te gaan wonen. Dit maakt dat de gemeenschappelijke huishouding als duurzaam wordt aangemerkt.
4.5.
Er is geen sprake van een situatie waarin [eiser in conventie] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur als bedoeld in artikel 7:268 lid 3 sub b BW Pro.
4.6.
De conclusie is dat de primaire vordering van [eiser in conventie] toewijsbaar is als hierna vermeld, zodat [eiser in conventie] sinds 1 april 2025 de huur voortzet. Dit maakt dat de vorderingen in reconventie niet toewijsbaar zijn.
4.7.
Ons Huis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser in conventie] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Ons Huis niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.
In conventie worden de proceskosten van [eiser in conventie] begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
Totaal
810,00
In reconventie worden geen nakosten toegewezen, omdat deze in conventie al zijn toegewezen en de te verrichten werkzaamheden kunnen worden gecombineerd. In reconventie worden de proceskosten van [eiser in conventie] begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(2 punten × factor 0,5 × € 217,00)
Totaal
217,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat de huurovereenkomst tussen de moeder van [eiser in conventie] en Ons Huis met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] door [eiser in conventie] wordt voortgezet met ingang van 1 april 2025,
5.2.
veroordeelt Ons Huis in de proceskosten van € 810,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt Ons Huis tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af;
5.6.
veroordeelt Ons Huis in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7.
veroordeelt Ons Huis tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
(mk)