ECLI:NL:RBGEL:2026:2435

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
12093876 VV EXPL 26-8
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Internationaal verdrag voor de rechten van het kindArt. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArt. 237 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand ondanks minderjarige kinderen

In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van de woning en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door de huurder, die sinds april 2024 geen huur meer heeft betaald. De huurder woont met twee minderjarige kinderen in de woning. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand ruim 22 maanden bedraagt, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst.

De huurder voert verweer met een opschortingsverweer wegens gebreken aan het gehuurde, maar dit is onvoldoende onderbouwd. De belangenafweging vindt plaats waarbij de belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen, maar de kantonrechter oordeelt dat geen acute noodtoestand of risico op dakloosheid is gesteld of gebleken.

De verhuurder heeft meerdere pogingen gedaan om de achterstand te incasseren en hulpverlening te starten, maar zonder resultaat. Daarom wordt de ontruiming toegewezen met een termijn van vier weken na betekening van het vonnis, wat als redelijk wordt beschouwd. De huurder wordt tevens veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en gebruiksvergoeding zolang de woning niet is ontruimd. Vergoeding van ontruimingskosten en incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen vier weken en betaling van de huurachterstand met wettelijke rente en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12093876 \ VV EXPL 26-8
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.K. Tuithof,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,2. [naam gedaagde 2] ,

beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] .,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde] . huurt een woning van [eiser] . [gedaagde] . heeft een achterstand laten ontstaan bij het betalen van de huur. [eiser] wil dat [gedaagde] . de woning verlaat en dat hij het bedrag aan achterstallige huur betaalt. De vorderingen tot ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur worden toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de e-mails van 11 maart 2026 waarin partijen de kantonrechter vragen om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Op 15 februari 2020 is tussen [verhuurders] als verhuurders en [gedaagde] . als huurder een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
2.2.
[gedaagde] . woont in het gehuurde met twee minderjarige kinderen.
2.3.
Op 20 juli 2022 is [eiser] eigenaar van de woning geworden.
2.4.
De huurprijs bedraagt momenteel € 1.269,90 per maand.
2.5.
[gedaagde] . heeft sinds april 2024 geen huur meer betaald.
2.6.
[eiser] heeft [gedaagde] . herhaaldelijk verzocht om aflossing van de huurachterstand.
2.7.
Op 22 juli 2025 heeft [eiser] een bodemprocedure tegen gedaagde sub 1 aanhangig gemaakt, waarin zij onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde vordert.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] . zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
II. [gedaagde] . hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 30.254,49 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 28.386,00 vanaf 10 februari 2026 tot en met de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] . hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.269,90 per maand of gedeelte van een maand dat het gehuurde niet is ontruimd na 1 maart 2026;
IV. [gedaagde] . hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiser] te betalen alle kosten die [eiser] redelijkerwijs zal moeten maken vanwege de gedwongen ontruiming;
V. [gedaagde] . hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.
[gedaagde] . is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten. Hij betaalt sinds april 2024 de maandelijkse huur niet meer. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens [eiser] de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] . voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het vereiste spoedeisend belang is, gelet op de aard van de vorderingen en het daarover door [eiser] gestelde, aanwezig.
4.2.
De huurovereenkomst is gesloten met [gedaagde] . als consument. Een consument is een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vorderingen relevante bedingen zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.
4.3.
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding is, vanwege het ingrijpende karakter ervan, in beginsel slechts plaats indien met voldoende mate van zekerheid mag worden verwacht dat ook in een bodemprocedure die vordering op grond van het nu voorliggende feitencomplex zal worden toegewezen.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de dagvaarding een huurachterstand van ruim 22 maanden bestond. Volgens vaste rechtspraak leidt een betalingsachterstand van drie maanden in het algemeen al tot ontbinding van de huurovereenkomst. De ontruimingsvordering is dus in beginsel toewijsbaar, tenzij het opschortingsverweer van [gedaagde] . slaagt of de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt.
4.5.
[gedaagde] . heeft weliswaar gesteld dat sprake is van gebreken aan het gehuurde, maar gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] heeft [gedaagde] . het bestaan van de door hem gestelde gebreken niet, althans onvoldoende onderbouwd, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat die gestelde gebreken volledige opschorting van de huur rechtvaardigen. Dat zou immers betekenen dat [gedaagde] . sinds april 2024 geen enkel woongenot meer heeft gehad, maar dat is gesteld, noch gebleken. De conclusie is dat niet alleen het bestaan, maar ook de omvang van de huurachterstand in hoge mate aannemelijk is, zodat de vordering tot betaling van een bedrag van € 28.386,00 toewijsbaar is.
4.6.
Vervolgens moet in het kader van dit kort geding een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds het belang van [eiser] bij ontruiming en anderzijds het belang van [gedaagde] . bij het voortzetten van de huur.
4.6.1.
Vooropgesteld wordt dat de belangen van minderjarige kinderen een eerste overweging moeten vormen op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting. Toch betekent dat niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit zou mogen worden
ontruimd. Hun belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
4.6.2.
Het behoeft geen toelichting dat de ontruiming niet alleen voor [gedaagde] ., maar ook voor zijn twee minderjarige kinderen nadelige gevolgen zal hebben. Maar [gedaagde] . is als ouder van minderjarige kinderen wel zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van [gedaagde] . zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor de kinderen zoveel mogelijk te beperken. Een vordering tot ontruiming is echter niet toewijsbaar als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor de kinderen zou leiden. Dat die situatie zich voordoet, in die zin dat de minderjarige kinderen van [gedaagde] . bij een ontruiming letterlijk op straat komen te staan, is gesteld noch gebleken. Evenmin is aangevoerd dat (een reële kans bestaat dat) de kinderen van hun ouders gescheiden zullen raken bij een eventuele ontruiming.
4.6.3.
Tegenover het belang van [gedaagde] . bij het behoud van zijn woning, staat het belang van [eiser] om als particuliere verhuurder de woning te kunnen verhuren aan een (andere) huurder die wel aan de huurbetalingsverplichtingen voldoet. [eiser] heeft [gedaagde] . de kans gegeven de achterstand in te lossen. [eiser] heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Er is geprobeerd hulpverlening op te starten en na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd om een minnelijke regeling te treffen. Er zijn tot op heden echter geen aanwijzingen dat de financiële situatie van [gedaagde] . op korte termijn zal verbeteren. Het gevolg hiervan is dat [eiser] niet het vooruitzicht heeft dat de verschuldigde huur zal worden betaald en ook niet dat zal (kunnen) worden ingelopen op de huurachterstand die aanzienlijk is en verder oploopt.
4.6.4.
Op grond van al het voorgaande is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom zal [gedaagde] . daarop vooruitlopend worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. Vanwege de belangen van de minderjarige kinderen zal de ontruimingstermijn worden gesteld op vier weken na betekening van het vonnis. Gelet op de omstandigheid dat [gedaagde] . had kunnen anticiperen op de meermaals aangekondigde ontruimingsvordering, wordt dit een redelijke termijn geacht om aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen.
4.6.5.
Zolang [gedaagde] . het gehuurde niet ontruimd heeft, is hij voor de woning een gebruiksvergoeding ad € 1.269,90 per maand aan [eiser] verschuldigd.
4.7.
[eiser] heeft ook een vergoeding gevorderd voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming van het gehuurde. Deze vordering is niet toewijsbaar. Op grond van de wet (artikel 237 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt maar zich al wel laten begroten. Dat is niet het geval bij ontruimingskosten; deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en laten zich niet op voorhand begroten. Op de datum van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten mogelijk zullen zijn.
4.8.
[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat onvoldoende concreet is gesteld en onderbouwd is dat aanmaning overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro heeft plaatsgevonden.
4.9.
[eiser] vordert ten slotte de wettelijke rente over de huurachterstand. Die rente is als niet afzonderlijk weersproken en op de wet gegrond toewijsbaar tot een bedrag van € 1.868,49, omdat onder onderdeel II. van het petitum van de dagvaarding een totaal bedrag van € 30.254,49 is gevorderd en de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan gevorderd.
4.10.
[gedaagde] . is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
127,45
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.352,45
4.11.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] . om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] . hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.254,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 28.386,00 vanaf 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] . hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.269,90 per maand of gedeelte van een maand vanaf 1 maart 2026 tot de dag van ontruiming,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] . hoofdelijk in de proceskosten van € 2.352,45, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
(mk)