In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van de woning en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door de huurder, die sinds april 2024 geen huur meer heeft betaald. De huurder woont met twee minderjarige kinderen in de woning. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand ruim 22 maanden bedraagt, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst.
De huurder voert verweer met een opschortingsverweer wegens gebreken aan het gehuurde, maar dit is onvoldoende onderbouwd. De belangenafweging vindt plaats waarbij de belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen, maar de kantonrechter oordeelt dat geen acute noodtoestand of risico op dakloosheid is gesteld of gebleken.
De verhuurder heeft meerdere pogingen gedaan om de achterstand te incasseren en hulpverlening te starten, maar zonder resultaat. Daarom wordt de ontruiming toegewezen met een termijn van vier weken na betekening van het vonnis, wat als redelijk wordt beschouwd. De huurder wordt tevens veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en gebruiksvergoeding zolang de woning niet is ontruimd. Vergoeding van ontruimingskosten en incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De proceskosten worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.