ECLI:NL:RBGEL:2026:2470

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
204193-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag door schieten op woning met kinderen aanwezig

Op 3 juli 2025 schoot de verdachte vanuit zijn auto met een vuurwapen op het woonkamerraam van een woning in West Maas en Waal. Op dat moment bevonden zich in de woonkamer meerdere personen, waaronder drie minderjarige kinderen en hun moeder. Verdachte handelde uit een financieel conflict, maar nam bewust een geladen vuurwapen mee en loste twee schoten, waarvan één door het raam ging.

De rechtbank concludeerde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat door het schieten dodelijk letsel zou kunnen worden toegebracht, ook al was er geen vol opzet op de dood. De verdediging stelde dat verdachte niet wist dat er mensen aanwezig waren en dat hij bewust omhoog had geschoten, maar deze stellingen werden verworpen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en diverse bijzondere voorwaarden waaronder meldplicht bij de reclassering, elektronisch toezicht en een locatieverbod. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoedingen aan de slachtoffers, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor poging tot doodslag door te schieten op een woning met kinderen aanwezig.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-204193-25
Datum uitspraak : 30 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,
laatst opgegeven woon- of verblijfsadres aan de [adres 1] in [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. A.S. van der Biezen, advocaat in ’s-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na toewijzing van een vordering 314a, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te [plaats] , gemeente West Maas en Waal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer in een woning aan de [adres 2] aanwezige perso(o)n(en) van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) door de ruit(en) van die woning heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 primair niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te [plaats] , gemeente West Maas en Waal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer in een woning aan de [adres 2] aanwezige perso(o)n(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) door de ruit(en) van die woning heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 subsidiair niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te [plaats] , gemeente West Maas en Waal een of meer in een woning aan de [adres 2] aanwezige perso(o)n(en)heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) door de ruit(en) van die woning te schieten.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van het primaire en subsidiaire feit geen sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de dood of zware mishandeling door verdachte. Verdachte wist niet en had ook niet redelijkerwijs kunnen weten dat er iemand in de woning aanwezig was. Immers heeft verdachte voor het schieten gecheckt of er mensen in de woning waren, want hij zag dat er geen licht brandde en dat er geen auto voor de deur stond. Verder heeft verdachte richting het plafond geschoten, wat wordt ondersteund door het feit dat de inslag buiten op 1.94m was en in de woonkamer op 2.35m. De plek van het inschot was daarmee dusdanig hoog dat een gemiddeld persoon in deze schootbaan niet getroffen zou worden.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte verklaarde dat hij op 3 juli 2025 naar de woning van aangevers aan de [adres 2] in [plaats] is gereden. Verdachte had een geladen vuurwapen bij zich, dat hij in het deurvak aan de bestuurderskant van zijn voertuig had gelegd. Aangekomen aan de voorkant van de woning, omstreeks 21:15 uur, heeft hij het vuurwapen gepakt en 2 keer geschoten door het open bestuurdersraam van het voertuig. Het eerste schot was onbedoeld, de tweede kogel ging door de ruit van de woonkamer, waarbij hij richtte op het plafond. Verdachte was geen geoefend schutter. [2]
Omstreeks 21:15 uur diezelfde dag was [getuige] , moeder van aangeefster, aanwezig in de woning met de 3 minderjarige kinderen van aangeefster, te weten [naam 1] (11 jaar), [naam 2] (12 jaar) en [naam 3] (2 jaar). [getuige] hoorde [naam 1] zeggen dat er een auto stopte voor het huis en dat [naam 4] en [verdachte] in die auto zaten. [naam 1] stond op dat moment bij het woonkamerraam en keek naar buiten. [naam 3] lag op het zitkussen van de bank het dichtst bij het raam en [naam 2] zat aan de eetkamertafel met [getuige] . Vrijwel direct daarna hoorde [getuige] een knal, alsof er een steen door de ruit werd gegooid. De kinderen renden in paniek naar buiten. Daarna zag [getuige] op het zitkussen van de bank, waar [naam 3] had gelegen, een kogel liggen. Ook zat er een gat in het midden van het woonkamerraam. [3]
Door verbalisanten werd het gat in het woonkamerraam herkend als een inslaggat van een projectiel. Ook zat er een gat in het rolgordijn ter hoogte van het gat in de ruit. Op de muur in de woonkamer achter de bank zat een beschadiging. De hoogte van de inschotlocatie aan de rechterzijde van de muur in de woonkamer werd vastgesteld op 2.35 meter. Buiten de woning tot aan de doorschotlocatie betrof de hoogte 1.94 meter en aan de binnenzijde van de woning was dit 1.88 meter. Linksboven de voordeur zat ook een mogelijke inschotlocatie. Hier is echter geen lood in aangetroffen. [4]
De rechtbank concludeert dat verdachte de persoon is geweest die op het woonkamerraam heeft geschoten met een vuurwapen. Op dat moment bevonden zich in die woonkamer meerdere personen, te weten [getuige] en de 3 kinderen van aangevers.
De stelling van de verdediging dat dat er niemand in de woning aanwezig was omdat de auto van het gezin niet voor de deur stond en het binnen (volgens hem) donker was, kan de rechtbank niet volgen. Deze twee omstandigheden zijn geenszins voldoende om deze conclusie te kunnen trekken. De rechtbank overweegt in dit verband in het bijzonder dat het feit gepleegd is omstreeks 21.15 uur op een zomeravond in juli. Het was buiten nog licht. Daar komt bij dat verdachte wist dat het gezin 3 minderjarige kinderen had, waarbij het gelet op het tijdstip voor de hand lag dat – één van – deze kinderen thuis zouden zijn.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het schieten op een woonkamerraam, terwijl er zich op dat moment vier mensen in de woonkamer bevonden, gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Daarbij is van belang of er sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het intreden van de dood.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte bewust als doel had [getuige] en de kinderen te doden. Er is dus geen sprake van vol opzet. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft vanuit zijn auto als ongeoefend schutter twee keer geschoten op de woning van aangevers. Het eerste schot ging onbedoeld af en het tweede schot heeft verdachte afgevuurd op het woonkamerraam. [naam 1] bevond zich op het moment van schieten direct bij het raam, haar broertje [naam 3] lag te slapen op de bank die bij het raam stond. Ook [getuige] en [naam 1] bevonden zich op een dusdanige positie in de woonkamer dat zij door een kogel geraakt hadden kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat door het schieten op het woonkamerraam, de kinderen en [getuige] in vitale lichaamsdelen getroffen hadden kunnen worden. Dat achteraf is gebleken dat zij zich niet daadwerkelijk in de directe schotbaan bevonden en dat de kogel uiteindelijk met een doorschothoogte van circa 1.88 meter in het glas, en 2.35 meter hoogte in de muur van de woonkamer terecht is gekomen, doet daaraan niet af. Dit is immers een toevallige en gelukkige omstandigheid, te meer omdat verdachte een ongeoefend schutter was. Dit blijkt ook uit het feit dat het eerste schot dat verdachte loste onbedoeld was. De stelling van verdachte dat hij bewust omhoog heeft geschoten en daardoor nooit iemand had kunnen raken, volgt de rechtbank dan ook niet. Daar komt bij dat [getuige] en de kinderen geen statische objecten waren. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er dan ook een aanmerkelijke kans dat zij – al dan niet na ricocheren - wel geraakt hadden kunnen worden door een kogel en dodelijk letsel hadden kunnen oplopen.
De gedraging van verdachte, te weten het schieten op een woonkamerraam kan, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze is verricht, naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [getuige] en de drie kinderen in de woning, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. De rechtbank komt om die reden tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks3 juli 2025 te [plaats] , gemeente West Maas en Waal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een of meerin een woning aan de [adres 2] aanwezige perso
(o)n(en) van het leven te beroven, met een vuurwapen een
of meerderekogel
(s)door de ruit
(en)van die woning heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging tot doodslag

5.De strafbaarheid van de feiten

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft ook gevraagd een locatieverbod op te leggen voor de plaats [plaats] gedurende 3 jaren met 14 dagen vervangende hechtenis en een maximum van 6 maanden. Indien de rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist, vraagt de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat vanwege de bepleite vrijspraak moet worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest. De raadsman heeft verder gevraagd rekening te houden met de gezondheidsproblemen die verdachte heeft, zijn blanco strafblad en dat verdachte weer zou kunnen terugkeren bij zijn oud-werkgever.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een vuurwapen op de woning van aangevers te schieten, terwijl zich op dat moment meerdere mensen, waaronder 3 kinderen, in de woonkamer bevonden. Verdachte deed dit vanwege een financieel conflict dat hij naar eigen zeggen wilde uitpraten met aangevers, maar heeft er desondanks voor gekozen een geladen vuurwapen mee te nemen en dit ook daadwerkelijk te gebruiken. Door op de ruit van de woonkamer te schieten heeft verdachte een zeer groot risico genomen. Dat de aanwezigen fysiek ongedeerd zijn gebleven, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Dit blijkt wel uit het feit dat een kogel is teruggevonden op het zitkussen van de bank waar op dat moment [naam 3] , het jongste kind van aangevers, lag. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat het gebeuren een grote en blijvende impact heeft op het leven van de slachtoffers en aangevers. Dergelijk vuurwapengeweld in een woonwijk is niet alleen bedreigend voor de direct betrokkenen, maar werkt ook door naar de omgeving en versterkt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt verdachte het feit erg kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 9 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Uit het reclasseringsrapport van 10 maart 2026 is gebleken dat het psychosociaal functioneren en de oplopende stress rondom de nijpende financiële situatie van verdachte als voornaamste criminogene factoren worden beschouwd. In het bedrijf van verdachte was sprake van een grote schuldenlast en hijzelf en zijn kleindochter hadden allebei gezondheidsproblemen waarvoor ze zijn opgenomen in het ziekenhuis. Verdachte is uiteindelijk de controle over zijn gedrag kwijtgeraakt. Uit de verdiepingsdiagnostiek is naar voren gekomen dat er geen sprake is van psychische stoornissen of overmatige impulsiviteit, maar de reclassering maakt zich wel zorgen dat in de toekomst er zich wederom een situatie kan voordoen waarbij de stress te hoog oploopt. Daarbij is sprake van een disfunctionele copingstijl en onvoldoende probleemoplossende vaardigheden. Uitgebreid diagnostisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende behandeling met een forensisch kader zijn daarvoor noodzakelijk. Op die wijze kan de reclassering aan risicobeperking doen gezien de ernst van het feit. Andere bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd zijn meldplicht, contact- en locatieverbod met elektronische monitoring en meewerken aan het aflossen van schulden.
De straf
Gelet op de ernst van het feit is in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank houdt daarbij rekening met het blanco strafblad van verdachte en zijn gezondheidsproblemen. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren passend gelet op wat in soortgelijke gevallen aan straffen worden opgelegd. Hiermee wordt recht gedaan aan de ernst van de feiten, onder andere door een groot deel van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk op te leggen.
In het geval van verdachte is het echter ook van belang dat het risico op recidive wordt verminderd, hetgeen niet alleen in het belang van verdachte is, maar ook in dat van de maatschappij. Daarom is het noodzakelijk dat verdachte zich in het kader van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en diagnostiek en meewerkt aan de aflossing van zijn schulden. Ook krijgt verdachte een contactverbod opgelegd met aangevers en hun kinderen en een locatieverbod voor [plaats] , de plaats waar aangevers wonen en tevens het feit heeft plaatsgevonden. Daarbij werkt verdachte mee aan elektronisch toezicht van dit locatieverbod.
De rechtbank acht het van belang dat verdachte meewerkt aan elektronisch toezicht zolang als de reclassering nodig acht, maar voor een maximale periode van 6 maanden. Immers, niet is gebleken dat langdurig elektronisch toezicht noodzakelijk is om het recidiverisico te beperken. Minder ingrijpende middelen, zoals meldplicht en behandeling, bieden na deze periode voldoende waarborgen. De rechtbank ziet verder geen reden voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, omdat van een hoog recidive risico uit het rapport van de reclassering niet is gebleken.
Gelet op het voorgaande bestaat met de oplegging van deze bijzondere voorwaarden reeds een toereikend kader om zowel het recidiverisico te beperken als de belangen van aangevers te beschermen. Voor het daarnaast opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, zoals door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank daarom geen noodzaak.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [getuige] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich indien de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Ten aanzien van [getuige] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2]Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vorderingen is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde schade hebben geleden die binnen een categorie van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit zijn de benadeelden op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De hoogte van de schade is niet betwist. De vorderingen van [getuige] (€ 3.000,-), [benadeelde 1] (€ 5.000,-) en [benadeelde 2] (€ 5.000,-) zullen dan ook worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 3 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Bepaalt dat de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wordt gestort op een op haar en zijn naam te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich binnen 3 werkdagen na zijn invrijheidsstelling meldt bij Reclassering Nederland op het adres Eekbrouwersweg 6 te ’s-Hertogenbosch, telefoonnummer 088 804 1504. Verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- verdachte wordt verplicht mee te werken aan uitgebreid diagnostisch onderzoek door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Hij verleent hieraan zijn volledige medewerking. Indien hieruit delictgerelateerde criminogene factoren voortvloeien op het vlak van psychosociaal functioneren die behandeling behoeven, zal hij aan een ambulante behandeling zijn volledige medewerking verlenen. Hij zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht;
- verdachte zal gedurende de proeftijd geen contact opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met [naam 5] , [naam 6] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [naam 7] , tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Sociale media zijn hierbij inbegrepen (geen contact via Facebook, Snapchat, WhatsApp of andere online platforms). De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
- verdachte zal zich niet bevinden in de plaats [plaats] , gelegen in de provincie Gelderland, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van dit verbod, zolang als de reclassering dit nodig vindt, maar niet langer dan 6 maanden. Tevens verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van dit toezicht. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum;
- verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
 hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [getuige] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de volgende bedragen aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [getuige] € 3.000juli 2025
2. [benadeelde 1] € 5.000juli 2025
3. [benadeelde 2] € 5.000juli 2025
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan immateriële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
1. [getuige] € 3.000 30 dagen;
2. [benadeelde 1] € 5.000 50 dagen;

3. [benadeelde 2] € 5.000 50 dagen;

 bepaalt dat de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2014, wordt gestort op een op haar naam te openen spaarrekening met een BEM-clausule;
 bepaalt dat de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 2012, wordt gestort op een op zijn naam te openen spaarrekening met een BEM-clausule;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Vries (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. M.G.E. ter Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025314672, gesloten op 26 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte, p. 38-39.
4.Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 49-50.