Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2492

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
11984201 CV EXPL 25-9437
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 87 RvArt. 133 lid 4 RvEEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herveroordeling bindende eindbeslissing wegens te laat uitstelverzoek in civiele procedure

In deze civiele bodemzaak tussen [gedaagde] en Holland Wood B.V. heeft de kantonrechter op 1 april 2026 een tussenvonnis gewezen waarin hij terugkomt op een eerdere bindende eindbeslissing van 12 januari 2026. Deze eerdere beslissing wees een verzoek om uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord af, omdat het verzoek te laat was ingediend.

De procedure startte met een dagvaarding van [gedaagde] op 17 november 2025. Holland Wood werd uitstel verleend tot 7 januari 2026 om een conclusie van antwoord in te dienen, maar verzuimde tijdig een verzoek tot nader uitstel in te dienen. Na mededeling van de kantonrechter dat vonnis zou worden gewezen, meldde de gemachtigde van Holland Wood dat zij zich wilde verweren en een mondelinge behandeling wenste, verwijzend naar artikel 6 EVRM Pro en artikel 87 Rv Pro.

De kantonrechter oordeelt dat het recht van Holland Wood om verweer te voeren niet mag vervallen door een omissie die slechts twee dagen te laat was. Gezien de belangen en omstandigheden acht hij het onaanvaardbaar dat het uitstelverzoek definitief wordt afgewezen. Daarom wordt Holland Wood alsnog in de gelegenheid gesteld om een conclusie van antwoord in te dienen en zal [gedaagde] op de rolzitting kunnen reageren op dit voornemen. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter herroept de eerdere bindende eindbeslissing en verleent Holland Wood alsnog uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11984201 \ CV EXPL 25-9437
Tussenvonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[naam gedaagde],
te [woonplaats] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Prawnik.nl,
tegen
HOLLAND WOOD B.V.,
te Pannerden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Holland Wood,
gemachtigde: mr. A. Wiltink.

1.De procedure

1.1.
Op 17 november 2025 heeft [gedaagde] een dagvaarding uitgebracht tegen de rolzitting van 3 december 2025.
1.2.
Op 2 december 2025 heeft mr. Wiltink zich namens Holland Wood gesteld, waarna de kantonrechter aan Holland Wood uitstel heeft verleend tot 7 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord.
1.3.
Op 7 januari 2026 is door de rechtbank geen verzoek ontvangen voor een nader uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord en is per brief van 9 januari 2026 conform artikel 133 lid 4 Rv Pro aan partijen medegedeeld dat de rechter een vonnis zou gaan wijzen.
1.4.
Op 9 januari 2026 heeft mr. Wiltink per brief de kantonrechter laten weten dat zij uitstel had willen verzoeken, maar dat door een omissie niet is gelukt. Ook schrijft zij daarin dat Holland Wood zich wil verweren en gelet op artikel 6 EVRM Pro en artikel 87 Rv Pro recht heeft op hoor en wederhoor en/of op een mondelinge behandeling.
1.5.
Op 12 januari 2026 heeft de kantonrechter een bindende eindbeslissing genomen die erop neerkomt dat het uitstelverzoek werd afgewezen en dat vonnis zou worden gewezen, omdat geen sprake was van strijdigheid met artikel 6 EVRM Pro. Deze bindende eindbeslissing is per e-mail van diezelfde dag medegedeeld aan mr. Wiltink.
2. Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlands recht
2.1.
Omdat [gedaagde] haar woonplaats in [land] heeft, zal ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.
2.2.
Holland Wood heeft haar zetel in Nederland. Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin zij woont. Een grondslag voor afwijking van deze hoofdregel is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval wel rechtsmacht heeft.
2.3.
Gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan in artikel 11.5 van de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst. Aldus is Nederlands recht van toepassing.

3.Voornemen tot terugkomen op een bindende eindbeslissing

3.1.
De kantonrechter is voornemens om terug te komen op de bindende eindbeslissing om aan Holland Wood geen uitstel te verlenen voor het alsnog nemen van een conclusie van antwoord.
3.2.
Uit de brief van mr. Wiltink van 9 januari 2026 blijkt dat Holland Wood verweer wil voeren tegen de dagvaarding en dat zij een mondelinge behandeling wil. Dat Holland Wood verweer wilde voeren bleek ook al uit de stelbrief van mr. Wiltink van 2 december 2025. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat [gedaagde] er reeds rekening mee hield dat inhoudelijk verweer zou worden gevoerd op de dagvaarding. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het gelet op de aard van de fout (twee dagen te laat verzoeken om uitstel) en gelet op alle betrokken en belangen en omstandigheden (dat verweer zou worden gevoerd is een omstandigheid waarmee [gedaagde] rekening moest houden) onaanvaardbaar dat het recht van Holland Wood om een conclusie van antwoord in te dienen komt te vervallen.
3.3.
De eisen van een goede procesorde brengen naar het oordeel van de kantonrechter mee dat hij bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van de eerdere eindbeslissing om niet alsnog een laatste uitstel te verlenen voor het nemen van een conclusie van antwoord.
3.4.
Alvorens een definitief besluit te nemen over het voorgaande, zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op het voornemen van de kantonrechter om terug te komen op de eindbeslissing van 12 januari 2026 en Holland Wood alsnog in de gelegenheid te stellen een conclusie van antwoord te nemen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
geeft [gedaagde] de gelegenheid om op de rolzitting van
[datum] 2026 te [tijd]te reageren op het voornemen zoals verwoord in randnummer 3.4 van dit tussenvonnis.
4.2.
houdt alle verdere beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
31608/53854