ECLI:NL:RBGEL:2026:2503

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
05/391134-24; 05/056027-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 287 SrArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met vuurwapen na conflict in Arnhem

Op 8 december 2024 schoot verdachte op zeer korte afstand tweemaal op het slachtoffer in Arnhem, waarbij het slachtoffer ernstig werd geraakt in de buik en linkerwijsvinger. Verdachte voerde verweren aan van noodweer, noodweerexces en putatief noodweer, maar de rechtbank verwierp deze omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of verontschuldigbare dwaling.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van getuigen, forensisch onderzoek en de inconsistenties in de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten. Het bezit van het vuurwapen werd eveneens bewezen. Verdachte had eerder ernstige geweldsdelicten gepleegd en vertoonde een hoog recidiverisico.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zeven jaren op, lager dan de eis van elf jaren, mede vanwege de omstandigheden van het geval en eerdere veroordelingen. Daarnaast wees de rechtbank een schadevergoeding toe aan het slachtoffer van €3.034,91 aan materiële schade en €20.000 aan smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente. Een contactverbod werd niet opgelegd.

De straf en schadevergoeding zijn bedoeld om de maatschappij te beschermen en het slachtoffer te compenseren voor de ernstige gevolgen van het geweld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en betaling van materiële schade en smartengeld aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05-391134-24; 05-056027-26
Datum uitspraak : 31 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1984 op Curaçao,
wonende aan [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadslieden: mr. J. Leyten en mr. D.M. Moes, advocaten in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlasteleggingen

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging,
onder parketnummer 05-391134-24ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft geschoten op/naar, althans in de richting van, die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] in zijn buik, althans het lichaam, werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Aan verdachte is
onder parketnummer 05-056027-26ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Arnhem, althans in Nederland,
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(semi-)automatisch vuurwapen, kaliber 7,65 mm Browning zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(semi-)automatisch pistool, kaliber 7,65 mm Browning zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05-391134-24 [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 103-116;
- forensisch medische letselrapportage, p. 123-148;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 maart 2026.
Eén schot of meerdere schoten?
Verdachte heeft verklaard één keer te hebben geschoten.
Op de plaats delict zijn twee hulzen aangetroffen (AAOC1168NL en AAOC1169NL) van het kaliber 7.65. [2] Er is vergelijkend onderzoek verricht aan deze hulzen en de resultaten van dit onderzoek zijn minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer beide hulzen zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen, dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber met dezelfde systeemkenmerken. [3]
Aan de voorkant van de jas van het slachtoffer zaten aan de rechteronderzijde drie gaten, waarvan twee daaromheen een zwarte verkleuring hadden. [4]
Verder zijn er verschillende getuigen die meer dan één knal hebben gehoord.
Getuige [getuige 1] was in de steeg op het moment van de schietpartij en zij heeft verklaard dat zij kort na elkaar twee harde knallen hoorde. [5] Getuige [getuige 2] was eveneens in de steeg op het moment van de schietpartij. Ook hij heeft verklaard dat hij twee knallen hoorde. [6]
Dat verdachte één keer de trekker zou hebben overgehaald waarbij twee kogels zouden zijn verschoten, is slechts een theoretische mogelijkheid die geen steun vindt in het dossier.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee keer op slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten.
Parketnummer 05-056027-26 [7]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 37, 39;
- het rapport munitieonderzoek, p. 62-63;
- het rapport forensisch DNA-onderzoek, p. 64-67;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 maart 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummers 05-391134-24 en 05-056027-26 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05-391134-24
hij op
of omstreeks8 december 2024 te Arnhem,
althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen
, althans eenmaal,met een vuurwapen,
althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,heeft geschoten op
/naar, althans in de richting van,die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] in zijn buik
, althans het lichaam,werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 05-056027-26
hij op
of omstreeks8 december 2024 te Arnhem,
althans in Nederland,- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(semi-)automatisch vuurwapen, kaliber 7,65 mm Browning zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(semi-
)automatisch pistool, kaliber 7,65 mm Browning zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool
voorhanden heeft gehad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05-391134-24:
poging tot doodslag.
Parketnummer 05-056027-26:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

5.De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is primair aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, omdat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake was van noodweerexces, omdat de gedraging van verdachte het gevolg was van een door de dreigende aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Meer subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweer(exces), omdat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt.
De beoordeling door de rechtbank
Door de verdediging is een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Daaraan is de volgende feitelijke toedracht ten grondslag gelegd.
Verdachte heeft verklaard dat hij eerder die nacht in conflict is geraakt met het latere slachtoffer [slachtoffer] en diens vrienden buiten bij Luxor. Hij was toen samen met [naam 1] . Verdachte en [slachtoffer] hebben over en weer gescholden en er ontstond een opstootje waarbij [slachtoffer] de bril van verdachte afpakte. Toen verdachte zijn bril terug probeerde te krijgen, kreeg hij een vuistslag van [slachtoffer] . Ook probeerde iemand zijn ketting af te pakken. [slachtoffer] deed zijn shirt omhoog en liet zien dat hij een wapen bij zich had. Verdachte zag een zwart handvat dat hij herkende als het handvat van een vuurwapen. Toen hij dit zag, is hij samen met [naam 1] weggelopen. Verdachte was boos en bang en is samen met [naam 1] naar de auto gelopen. Vervolgens hebben ze een stukje gereden, de auto weer geparkeerd en zijn ze teruggekeerd om hun neef, [naam 2] , op te halen. Toen zij terugliepen naar de stad, merkte [naam 1] op dat ze achtervolgd werden door drie van de jongens waarmee zij eerder in conflict waren geraakt. [naam 1] vertelde dat zij rennend achter hen aan kwamen. [naam 1] was in paniek en verdachte ook, omdat hij dacht dat er iets zou gaan gebeuren. In de steeg zagen zij [naam 2] en een vrouw (getuige [getuige 1] ). Verdachte werd omsingeld door [slachtoffer] en diens twee vrienden. [naam 2] liep naar hen toe, ging in het midden staan en probeerde de boel te sussen. Hij was in gesprek met [slachtoffer] . De anderen waren stil, verdachte ook. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar en [slachtoffer] bleef schreeuwen en stoer doen. [slachtoffer] maakte daarbij bewegingen met zijn handen naar zijn broeksband. De andere twee personen hadden hun handen in hun zakken alsof zij een wapen bij zich hadden. Verdachte zag steeds een soort punt en dacht dat zij wapens hadden. [slachtoffer] greep weer met zijn hand naar de voorzijde van zijn broek, waar verdachte eerder het wapen had zien zitten, en deed alsof hij het wapen uit zijn broek wilde trekken. Verdachte zag weer het handvat van het vuurwapen. Toen [slachtoffer] met zijn hand bij zijn broek zat, heeft verdachte zijn wapen gepakt en heeft hij op [slachtoffer] geschoten.
Noodweer(exces)
De rechtbank dient te beoordelen of de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd aannemelijk zijn geworden. Daarbij stelt zij voorop dat het ten aanzien van de gebeurtenissen buiten bij Luxor en de gebeurtenissen in de steeg (Luthersestraat) aankomt op de verklaringen van verschillende getuigen, zowel van de zijde van aangever, als van de zijde van verdachte. Dit zijn dus geen onafhankelijke getuigen en hun verklaringen lopen uiteen. De meeste getuigen hebben bovendien meerdere verklaringen afgelegd, waarbij sprake is van verschuivingen in de verklaringen gedurende de tijd. Dit geldt ook voor de verklaringen die verdachte heeft afgelegd. Hij heeft tijdens zijn eerste twee politieverhoren gezwegen en bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. In mei 2025 heeft hij aan zijn RC-verklaring toegevoegd dat hij tijdens de eerste confrontatie voor Luxor al een wapen had gezien bij de jongens. Ter terechtzitting op 8 juli 2025, verklaarde verdachte pas specifiek dat [slachtoffer] buiten bij Luxor liet zien dat hij gewapend was door zijn shirt omhoog te doen. In de loop van de tijd is verdachte steeds specifieker gaan verklaren over de gestelde noodweersituatie, maar hij is daarbij op punten ook wisselend gebleven in zijn verklaring.
Het voorgaande in aanmerking genomen gaat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces) uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Vast staat dat er een gespannen sfeer heerste tussen verdachte en [naam 1] enerzijds en [slachtoffer] en zijn vrienden anderzijds na een eerder conflict bij Luxor. Na het conflict bij Luxor zijn partijen uit elkaar gegaan. Verdachte is met [naam 1] naar zijn auto gegaan, heeft een stukje gereden en heeft de auto uiteindelijk weer op dezelfde plek geparkeerd. Ze zijn samen de stad weer ingelopen. Vervolgens zijn [slachtoffer] en zijn vrienden [getuige 2] en [naam 3] achter verdachte en [naam 1] aangegaan, het eerste stuk rennend en vervolgens lopend. In de steeg hebben zij elkaar getroffen. Daar is [naam 2] erbij gekomen. Hij is in het midden gaan staan, heeft verdachte wat naar achteren geduwd en is met [slachtoffer] in gesprek gegaan.
[naam 2] heeft verklaard dat hij het gevoel had dat hij de situatie onder controle had toen hij met [slachtoffer] sprak. Er was op dat moment nog niets aan de hand. Hij heeft wel een beweging gezien bij [slachtoffer] . Hij beschrijft dit als een naar achter gaande beweging ter hoogte van de heup alsof hij iets wilde pakken. De hand kwam vervolgens weer naar voren en hij zag dat de hand leeg was. [slachtoffer] maakte die beweging een paar keer. [naam 2] bleef daarnaar kijken en zag dat [slachtoffer] niets had gepakt en daarom bleef hij met hem in gesprek. [naam 2] zag [slachtoffer] kijken naar de handen van verdachte en de twee andere personen. Ineens hoorde hij een harde klap, een knal. Hij keek naar [slachtoffer] en die keek hem ook verbaasd aan. [naam 2] had geen idee wat er gebeurd was en zag vervolgens iedereen wegrennen.
Naast deze verklaring acht de rechtbank van belang dat geen enkele getuige een vuurwapen heeft gezien bij [slachtoffer] en zijn vrienden tijdens het voorval bij Luxor. Alleen verdachte heeft dit verklaard. De verklaringen van [naam 1] bieden op dit punt onvoldoende steun. [naam 1] heeft eerst verklaard dat hij bij Luxor het idee had dat een jongen misschien een wapen of mes in zijn broekzak had. Later heeft hij verklaard over stotende bewegingen en heeft hij een beweging voorgedaan met zijn handen is zijn jaszak. Weer later heeft hij – zo begrijpt de rechtbank – nog een andere beweging voorgedaan. De verklaringen zijn wisselend en weinig concreet. In ieder geval heeft hij verklaard niet daadwerkelijk een wapen te hebben gezien.
Ook heeft geen van de getuigen gezien dat [slachtoffer] in de steeg een vuurwapen had. Integendeel, uit de verklaring van [naam 2] , die vlak voor [slachtoffer] stond en hem in de gaten hield, volgt dat hij meende dat hij de situatie onder controle had en dat het schot er ineens was. Ook uit de verklaringen van [naam 1] , [getuige 2] en [naam 3] volgt dat het schot voor hen uit het niets kwam. Daar komt bij dat [naam 2] bovendien een andere beweging heeft waargenomen bij [slachtoffer] dan de beweging die verdachte, naar eigen zeggen, ertoe bewoog zijn wapen te pakken en de trekker over te halen.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de door de verdediging gegeven lezing geen steun in voornoemde, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. De rechtbank acht de feitelijke toedracht die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd dan ook niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daarvoor niet voldoende. Het verweer wordt verworpen.
Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake was van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slagen. Ook dit verweer wordt verworpen.
Putatief noodweer(exces)
Met betrekking tot het beroep op putatief noodweer(exces) overweegt de rechtbank als volgt.
Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat een verdachte bij vergissing in de veronderstelling verkeerde dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Daartoe dient vastgesteld te worden dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor verdachte, maar ook voor derden (voor de gemiddelde mens) aannemelijk moet zijn geweest op grond van wat er op dat moment gebeurde.
In dit verband overweegt de rechtbank dat er voor verdachte – gelet op hetgeen zij hierover heeft overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer – objectief gezien geen aanleiding bestond te vrezen dat [slachtoffer] bezig was een vuurwapen te trekken.
Dat [naam 1] de sfeer in de steeg als dreigend ervaarde en dat de intuïtie van getuige [getuige 1] haar ingaf dat ze weg moest lopen, leiden niet tot een ander oordeel. Het ervaren van een dreigende sfeer is onvoldoende om verontschuldigbaar te mogen dwalen omtrent het bestaan van een noodweersituatie. Daar zullen concretere omstandigheden voor nodig zijn. [naam 1] verklaart nu juist geen bewegingen te hebben gezien bij [slachtoffer] voorafgaand aan de knal. [getuige 1] was op dat moment al weggelopen.
De omstandigheid dat verdachte, door gebeurtenissen in zijn verleden, mogelijk eerder dan een gemiddeld persoon denkt dat iemand een wapen zal gebruiken, maakt niet dat hij in dit geval verschoonbaar heeft mogen dwalen ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.
Ook de door de verdediging aangehaalde verklaring van getuige [getuige 3] , die heeft verklaard eerder die avond te zijn bedreigd door een jongen die iets scherps/puntigs uit zijn broekzak trok, maakt bovenstaande niet anders. Als er al vanuit gegaan wordt dat [getuige 3] over [slachtoffer] verklaart, dan heeft niet alleen te gelden dat [getuige 3] lijkt te verklaren over een mes, zodat dit de vrees voor het trekken van een vuurwapen door [slachtoffer] niet ondersteunt. Maar belangrijker: verdachte was van dit alles niet op de hoogte toen hij op [slachtoffer] schoot. Het kan dus niet hebben bijgedragen aan de door hem gestelde vrees.
De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer(exces).
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de feiten strafbaar zijn en verdachte ook strafbaar is, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren met aftrek van het voorarrest.
Verder vordert de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De maatregel dient te worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, waarbij wordt bepaald dat per overtreding twee weken vervangende hechtenis kan worden toegepast tot een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en heeft bepleit dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Ten aanzien van het contactverbod heeft de verdediging bepleit dat dit, indien hiertoe al noodzaak bestaat, als bijzondere voorwaarde dient te worden opgenomen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en bezit van een vuurwapen. In de vroege ochtend van 8 december 2024 hadden verdachte en [naam 1] een conflict met het latere slachtoffer en diens vrienden buiten bij Luxor. Verdachte is met [naam 1] weggegaan en is later weer teruggekomen naar de stad. Vervolgens is het slachtoffer met twee vrienden achter verdachte en [naam 1] aangegaan. In een steeg in het centrum van Arnhem is het tot een confrontatie gekomen. Een neef van verdachte mengde zich daarbij en ging in gesprek met het slachtoffer. Uit het niets trok verdachte zijn vuurwapen en op zeer korte afstand schoot hij twee keer op het slachtoffer. Het slachtoffer werd in zijn linker wijsvinger en buik geraakt en liep hierbij zeer ernstig letsel op, zoals zal blijken uit de hierna opgenomen overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vordering benadeelde partij. Hij mag van geluk spreken dat hij niet aan zijn verwondingen is overleden, maar zal hiervan wel blijvend de gevolgen ondervinden.
Poging tot doodslag is een zeer ernstig feit waarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van die duur moeten de concrete gedragingen en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. In dit geval weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer zich ook niet onbetuigd heeft gelaten. Na een eerder conflict is hij met twee vrienden achter verdachte aangegaan, eerst rennend en daarna lopend. Vervolgens hebben zij in een donkere steeg verdachte en [naam 1] benaderd. De rechtbank acht aannemelijk dat daar sprake was van een gespannen sfeer.
Hoewel de situatie is ontstaan nadat het slachtoffer achter verdachte aan is gegaan, rechtvaardigt dit op geen enkele wijze dat verdachte vervolgens zijn vuurwapen heeft gebruikt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vuurwapen had meegenomen tijdens het uitgaan om zichzelf te kunnen beschermen, indien nodig. Deze zaak laat eens te meer zien dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een onaanvaardbare bedreiging voor de veiligheid van de samenleving vormt. Het bezit van vuurwapens leidt maar al te vaak tot het gebruik daarvan. Het is zorgelijk dat verdachte zich niet alleen gewapend in het uitgaansleven heeft begeven, maar ook het gebruik van het vuurwapen niet heeft geschuwd.
De rechtbank weegt verder mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsfeiten. Als minderjarige is hij op Curaçao veroordeeld wegens doodslag op een leeftijdsgenoot en in 2019 is hij veroordeeld voor poging tot doodslag. Verdachte is vanaf jonge leeftijd veroordeeld voor verboden wapenbezit en schietpartijen en deze eerdere veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen en daarbij een vuurwapen te gebruiken.
Verdachte heeft ervoor gekozen niet mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoek. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum volgt dat de deskundigen als gevolg hiervan geen diagnose kunnen stellen en dat niet kan worden vastgesteld of een psychische stoornis een rol heeft gespeeld bij het plegen van de feiten. Hierdoor is ook niet duidelijk waar een eventuele behandeling zich op zou moeten richten.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat een beeld is ontstaan van structureel antisociaal functioneren. Hoewel door de beperkte medewerking van verdachte geen diagnostisch beeld kon worden vastgesteld, zijn zorgelijke patronen evident. Er worden problemen gezien op meerdere levensgebieden en beschermende factoren ontbreken. Verdachte toont weinig tot geen probleeminzicht, verantwoordelijkheid of berouw ten aanzien van zijn gedrag. Eerdere interventies en hulpverleningstrajecten hebben niet geleid tot gedragsverandering of vermindering van het recidiverisico. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en er bestaan ernstige zorgen ten aanzien van de maatschappelijke veiligheid als verdachte zijn huidige functioneren voortzet.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de maatschappij voor langere tijd tegen verdachte moet worden beschermd. De rechtbank heeft acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Dit levert een ander beeld op dan de richtlijn van het openbaar ministerie, die de officier van justitie als uitgangspunt heeft genomen bij het formuleren van zijn strafeis. De rechtbank komt dan ook tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. Daarbij ziet zij geen aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, zoals door de verdediging bepleit.
Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Ten aanzien van het gevorderde contactverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat verdachte en het slachtoffer elkaar niet kenden en dat zij elkaar die avond bij toeval hebben getroffen. De rechtbank heeft geen reden te veronderstellen dat verdachte contact zoekt of zal zoeken met het slachtoffer. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van langere duur en de rechtbank ziet geen aanleiding daarnaast ter beveiliging van de maatschappij en/of ter voorkoming van strafbare feiten een contactverbod op te leggen.

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit onder parketnummer 05-391134-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 8.584,91 aan materiële schade en in totaal € 70.000,00 aan smartengeld. In het kader van laatstgenoemd onderdeel van de vordering heeft de benadeelde partij, vooruitlopend op een eventueel hoger beroep, ingespeeld op mogelijk nog opkomende immateriële schade. Op dit moment zou volgens de benadeelde partij een bedrag van € 20.000,00 aan smartengeld moeten worden toegewezen en voor het overige zou dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Verder is verzocht om vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de verweren tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht.
Ten aanzien van de kosten voor fysiotherapie, de reis- en parkeerkosten ten behoeve van de ziekenhuisbezoeken, de reis- en parkeerkosten ten behoeve van de handtherapie/operatie en de kleding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding is aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
Ook dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van het gevorderde eigen risico over 2024 en 2025, nu het rechtstreekse verband tussen deze kosten en het feit onvoldoende is komen vast te staan. Onduidelijk is in hoeverre het eigen risico reeds voor andere doeleinden was verbruikt.
Verder is verweer gevoerd ten aanzien van de opgevoerde kosten voor de sieraden. Niet is gebleken dat de benadeelde partij deze sieraden die dag droeg, noch dat deze sieraden als gevolg van het feit kapot zijn gegaan of beschadigd zijn geraakt. Het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het feit is niet vast komen te staan, waardoor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Tot slot is verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 17.592,00.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Het verzoek tot vergoeding van de geleden materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten:
Ziekenhuisdaggeldvergoeding € 1.089,00
Eigen risico 2024 en 2025 € 770,00
Kosten fysiotherapie € 288,66
Kleding € 41,36
Sieraden € 5.550,00
Reis- en parkeerkosten t.b.v. ziekenhuisbezoeken € 700,36
Reiskosten t.b.v. handtherapie/operatie € 145,53
De rechtbank acht de schadeposten 3, 4, 6 en 7, die door de verdediging niet zijn betwist, voldoende onderbouwd en zij is van oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schadeposten acht de rechtbank daarom toewijsbaar.
Met betrekking tot de schadepost ziekenhuisdaggeldvergoeding overweegt de rechtbank dat niet is betwist dat de benadeelde in totaal 30 dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat hij als gevolg hiervan kosten heeft gemaakt. Deze kosten kunnen worden begroot op het bedrag per opnamedag dat door de letselschaderaad is vastgesteld. Deze schade staat rechtstreeks in verband met het bewezen verklaarde feit en de rechtbank acht deze schadepost dan ook toewijsbaar.
Ook de gevorderde schadevergoeding voor het eigen risico van de zorgverzekering over 2024 en 2025 acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Uit de aangeleverde stukken volgt dat de benadeelde het eigen risico over 2024 moest betalen vanwege het ambulancevervoer naar het ziekenhuis als gevolg van de verwondingen die hij bij de schietpartij opliep. Verder is voldoende onderbouwd dat het eigen risico over 2025 is opgegaan aan medicatie die de benadeelde na zijn ziekenhuisopname moest gebruiken. Ook deze schadepost is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en is daarmee toewijsbaar.
Ten aanzien van de schadepost sieraden komt de rechtbank tot een ander oordeel. Hoewel kan worden aangenomen dat de benadeelde sieraden droeg in de nacht van de schietpartij, volgt uit het dossier en de onderbouwing bij de vordering niet wat er met die sieraden is gebeurd en dat deze in verband met het strafbare feit in ongerede zijn geraakt. Niet is gebleken dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde handelen van verdachte. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering kan nog aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
Concluderend wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade toe tot een bedrag van € 3.034,91.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
De benadeelde is door verdachte in zijn buik en linker wijsvinger geschoten, waardoor hij zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij had een schotwond in zijn buik met vier doorboringen in de dunne darm, een bloeding van een bloedvat in de darmophanging en letsel aan een groot bloedvat in zijn bekken. Daarnaast was het bot van zijn linker wijsvinger verbrijzeld. De benadeelde is meerdere keren geopereerd, waarbij onder meer een stuk van zijn dunne darm is verwijderd. Daarna traden meerdere complicaties op als gevolg van het primaire letsel en de noodzakelijke medische ingrepen. Bovendien is in zijn rug een kogel achtergebleven met alle risico’s van dien. De gezondheidssituatie van benadeelde is door het handelen van verdachte blijvend veranderd en de benadeelde ondervindt hierdoor serieuze beperkingen in het dagelijks leven.
Daarnaast heeft het feit ook geleid tot psychische schade. De benadeelde heeft last van angst- en spanningsklachten en de huisarts heeft het vermoeden uitgesproken dat sprake is van PTSS. Er is sprake van een zeer ernstige normschending waarvan de nadelige gevolgen voor benadeelde zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde hierdoor op andere wijze in de persoon is aangetast en schade is ontstaan.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij zal het gevorderde bedrag van € 20.000,00 toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is vanaf 8 december 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05-391134-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.034,91 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 23.034,91 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 135 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, onderzoek XABIA / ON4R024131, gesloten op 22 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 226, 228.
3.NFI-rapport aanvullend munitieonderzoek d.d. 23 september 2025 (dit rapport is nagekomen en maakt geen onderdeel uit van het doorgenummerde dossier).
4.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 226.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 180.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 202.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026089299, gesloten op 27 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.