Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2506

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/6511
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8, eerste lid, Wet Vpb 1969Art. 3.54, eerste lid, Wet IB 2001Art. 2, eerste lid, Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrente verminderd wegens te hoge aanslag vennootschapsbelasting na afwijzing herinvesteringsreserve

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2019 en de daarbij berekende belastingrente. De inspecteur had de aanslag vastgesteld zonder de door belanghebbende gevormde herinvesteringsreserve (HIR) te accepteren en de belastingrente vastgesteld op €19.066.

De rechtbank beoordeelde of het herinvesteringsvoornemen op de balansdatum aannemelijk was gemaakt. Hoewel belanghebbende verwees naar notulen en verklaringen over het voornemen om de boekwinst te herinvesteren in onroerend goed, vond de rechtbank dat dit niet voldoende werd ondersteund door objectieve gedragingen en handelingen. De verklaringen waren deels onduidelijk, tegenstrijdig en onvoldoende concreet, waardoor het herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk was.

De rechtbank oordeelde daarom dat de inspecteur de HIR terecht niet had geaccepteerd en de aanslag niet te hoog was vastgesteld. Wel werd de belastingrente verminderd van €19.066 tot €12.386, conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot een proceskostenvergoeding van €800 en vergoedde het griffierecht aan belanghebbende.

De uitspraak bevestigt het belang van objectieve bewijsvoering voor het aannemelijk maken van een herinvesteringsvoornemen en past de recente jurisprudentie toe op de belastingrente. Het beroep is daarmee deels gegrond verklaard.

Uitkomst: De herinvesteringsreserve is terecht afgewezen, maar de belastingrente wordt verminderd tot €12.386.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6511

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 april 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 504.307. Tevens is bij beschikking € 19.066 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vervolgens zijn door beide partijen nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

Feiten

Algemeen
1. [persoon D] is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende.
2. Belanghebbende is enig aandeelhouder van de op 16 september 2014 opgerichte vennootschap [naam vennootschap 1] B.V. ([naam vennootschap 1]). [naam vennootschap 1] is met ingang van haar oprichting gevoegd in een fiscale eenheid vennootschapsbelasting met belanghebbende.
3. Op 30 juni 2004 heeft belanghebbende een onroerende zaak gelegen aan de [locatie 1] te [plaats 2] verkregen. De onroerende zaak bestaat uit een perceel grond met bedrijfspand en overige opstallen (het pand [plaats 2]). Het pand [plaats 2] betreft een autoshowroom met bijbehorende werkplaats en wordt verhuurd aan de vennootschap die (middelijk) volledig in eigendom is van een zoon van [persoon D].
4. Het pand [plaats 2] is op 26 maart 2019 geleverd aan een derde voor een koopsom van € 1.050.000. De fiscale boekwaarde van het pand bedroeg bij levering € 488.971.
5. Belanghebbende had op 6 februari 2015 een vordering van minimaal € 1.325.927 op de gefailleerde vennootschap [naam vennootschap 2] B.V. Ter meerdere zekerheid van de terugbetaling van deze vordering had belanghebbende een eerste recht van hypotheek verkregen op 12 percelen bouwterrein gelegen aan de [locatie 2] en het [locatie 3] (de bouwterreinen). De bouwterreinen zijn bestemd voor de bouw van 12 twee-onder-een-kapwoningen.
6. Op 6 februari 2015 heeft belanghebbende de bouwterreinen voor een koopsom van € 659.000 verkregen. Op diezelfde dag heeft belanghebbende de bouwterreinen overgedragen aan [naam vennootschap 1] voor eveneens € 659.000.
7. [naam vennootschap 1] heeft de bouwterreinen op 11 december 2018 aan een derde geleverd voor een koopsom van € 826.444,28.
8. In de notulen van de directievergadering van 6 juni 2019 van belanghebbende is vastgelegd dat de boekwinst op het pand [plaats 2] zal worden aangewend voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed in de komende jaren.
9. Op 2 januari 2023 informeert de gemachtigde [gemachtigde 1] de inspecteur als volgt:
“[persoon D] heeft geregeld contact met een makelaar in [plaats 3] die in die regio uitkijkt naar voor [persoon D] geschikte panden en zoekt naar advertenties waarin bedrijfspanden ten verkoop worden aangeboden. Wanneer er panden zijn die mogelijk voor aankoop in aanmerking komen worden deze bezocht. Dat is volgens [persoon D] 8 à 9 keer gebeurd.
De heer [persoon D] is veel onderweg en komt daarbij vaak op plaatsen waar zich bedrijfspanden bevinden en bekijkt deze, ook wanneer ze (nog) niet te koop staan en houdt daarbij voor overname interessante panden in de gaten.”
10. Op 7 februari 2023 heeft [persoon E] per e-mail aan de gemachtigde van de belanghebbende het volgende verklaard:
“(…)
Vooropgesteld mijn positie: ik ben – als oud-vennoot van [naam vennootschap 3] – meer dan 20 jaren de vaste belastingadviseur van de heer [persoon D] en zijn bedrijven geweest,
Ik ben inderdaad dus geen makelaar. Ik snap de relevantie daarvan echter niet, want ik ken weinig particuliere beleggers die bij de aanschaf van een object een makelaar inschakelen. Zeker gelet op de ervaring van de heer [persoon D] met onroerend goed. Hij is zeer wel in staat zelfstandig transacties te volbrengen. Ik ben als zijn adviseur o.a. betrokken geweest bij de aan- en verkoop van onroerende zaken behorend tot zijn garagebedrijven in [plaats 4] en [plaats 2], ontwikkelingsplannen in [plaats 3], en dergelijke. Al deze transacties zijn voltooid zonder dat een makelaar de heer [persoon D] heeft bijgestaan.
Ik weet ook van de plannen van de heer [persoon D], aangezien onze zakelijke relatie inmiddels een privé relatie is geworden. Ook wist ik in 2019 van de huisvestingsplannen van de firma [naam firma], destijds de werkgever van mijn zoon. Hij zocht naar een uitbreidingsmogelijkheid voor zijn bedrijf. De heer [persoon D] wist van de stille verkoop van het pand van [naam bedrijf 1] aan het [locatie 4] in [plaats 4]. Eén en één zou zo maar eens twee kunnen worden. (Of zelfs drie indien ik mede zou investeren).
Daarop hebben de heer [persoon D] en ik, medio 2019, samen het pand bezocht en met de eigenaar gesproken. Door de (te) hoge vraagprijs is het niet tot een koop gekomen. (…)”
11. Op 11 april 2023 heeft de gemachtigde [gemachtigde 1] een e-mail verzonden aan [persoon D], hierin is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Tegen een vrijval in 2020 kunnen we bezwaar aantekenen. Ik heb corona nog bij hem in herinnering gebracht en het standpunt dat de staatsecretaris daarover heeft ingenomen, maar daar gaat hij geen rekening mee houden. Het zou mooi zijn wanneer we bij een in te dienen bezwaar een notitie van de makelaar in [plaats 3] zouden kunnen bijvoegen waarin hij verklaart dat jij hem opdracht hebt gegeven om uit te zien naar een geschikt onroerend goed en dat dat een doorlopende opdracht is. Misschien heeft hij jou ook al eens een of enkele adressen doorgegeven. Dan kan hij dat ook melden.”
12. Op 5 juli 2023 heeft [persoon F], register makelaar taxateur, van [naam bedrijf 2] een e-mail aan [persoon D] verzonden waarin onder meer het volgende is vermeld:
“(…)
Op uw verzoek bevestig ik hierbij de mondelinge opdracht van [belanghebbende] B.V. die ik van u heb gekregen om uit te zien naar een vervangend pand voor het verkochte pand
[locatie 1]te [plaats 2]. De opdracht is medio 2019 verstrekt en duurt tot nader opzegging. De opdracht geldt voor het gebied dat ik met mijn kantoor bestrijk. U heeft aangegeven in de overige gebieden zelf uit te kijken naar een vervangend pand. Uiteraard ben ik bereid u ook daarbij te ondersteunen. Tot nog toe is helaas geen vervangend pand gevonden. De coronajaren zijn daar voor een belangrijk deel debet aan geweest. (…)”
13. De gemachtigde [gemachtigde 2] heeft per e-mail van 11 april 2024 de volgende verklaring van de [persoon D] aan de inspecteur verzonden:
“(…)
Rond 2017 heb ik mij nogal veel bemoeid met bedrijfsverplaatsingen. Ik had toen veel contact met een makelaar van de gemeente Deventer die daar destijds werkte.
Mijn bedoeling was om voor ondernemers die moesten verplaatsen een vervangend bedrijfspand aan te kopen en aan hen te verhuren.
Ik heb zo goed mogelijk geprobeerd om de panden, die ik toen heb bekeken, op te sommen. Het ging om in ieder geval de volgende panden:

[locatie 5]te [plaats 4]
 [locatie 6] te [plaats 4] (lelijk pand)
 [locatie 7] te [plaats 4]
 [locatie 8] te [plaats 4]
 [locatie 9] te [plaats 4]
De koop van geen van deze panden is doorgegaan. Ik heb nog wel een bod willen uitbrengen op het pand aan de [locatie 9], maar iemand was mij al voor geweest.
In 2019 heb ik ook een pand bekeken, samen met [persoon E]. Dat is bij de belastinginspecteur bekend.
Begin 2022 heb ik het pand
[locatie 10]te [plaats 4] bekeken. Dat pand vond ik te duur. Bovendien is er te weinig parkeerruimte.
Ik verhuur een pand in [plaats 3] aan [persoon D] (automobielbedrijf). [persoon D] huurt ook een pand in [plaats 4]. Dat pand is niet van mij. Wanneer het huurcontract in [plaats 4] afloopt zal het niet worden verlengd. Ik denk erover na om voor hen een pand te kopen dan wel te bouwen en aan ze te verhuren. (…)”
14. Belanghebbende en [naam vennootschap 1] hebben na de verkoop van pand [plaats 2] in 2019 tot op heden geen onroerende zaak meer verkregen.
Aangiften Vpb
15. Belanghebbende heeft in de aangifte Vpb voor het boekjaar 2017/2018 voor een bedrag van € 167.446 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd vanwege de behaalde boekwinst op de bouwterreinen.
16. In de aangifte Vpb 2019 heeft belanghebbende een bedrag van € 546.029 toegevoegd aan de HIR vanwege de behaalde boekwinst op het pand [plaats 2].
17. In de aangifte Vpb 2021 en 2022 heeft belanghebbende een bedrag van respectievelijk € 167.446 en € 546.029 van de HIR laten vrijvallen in de winst, omdat een kwalificerende herinvesteringen binnen de herinvesteringstermijn zijn uitgebleven.
18. De inspecteur heeft met dagtekening 6 mei 2023 de aanslag Vpb 2019 opgelegd. Hij heeft bij het opleggen van de aanslag de toevoeging aan de HIR van € 546.029 niet geaccepteerd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 12 mei 2023 is ontvangen door de inspecteur.

Beoordeling door de rechtbank

19. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag Vpb 2019 naar een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tussen partijen is daarbij in geschil of belanghebbende een herinvesteringsreserve (HIR) mocht vormen voor het pand [plaats 2]. Daarnaast is in geschil de hoogte van de belastingrente.
20. Belanghebbende is van mening dat de aanslag Vpb 2019 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende stelt dat zij het herinvesteringsvoornemen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende stelt dat de belastingrente moet worden verminderd, zij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. [1]
21. De inspecteur is van mening dat de aanslag naar een juist bedrag is opgelegd. Hij stelt dat belanghebbende het herinvesteringsvoornemen voor het pand [plaats 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. Subsidiair stelt de inspecteur met een beroep op interne compensatie dat de belastbare winst op € 125.724 moet worden vastgesteld. De herinvesteringsreserve die in 2017/2018 is gevormd vanwege de boekwinst op de bouwterreinen moet volgens de inspecteur in 2019 vrijvallen op grond van de foutenleer. De bouwterreinen zijn volgens hem namelijk geen bedrijfsmiddelen maar voorraad, zodat geen HIR gevormd had kunnen worden.
22. De inspecteur is van mening dat de belastingrente moet worden verminderd conform het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad.
23. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de belastingrente te hoog is vastgesteld. De inspecteur heeft wel terecht de HIR voor het pand [plaats 2] gecorrigeerd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
24. Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan – kort gezegd – bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden, indien op de balansdatum het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat. [2]
25. Volgens vaste jurisprudentie komt het voor de beoordeling of sprake is van een herinvesteringsvoornemen niet slechts aan op de interne wil of bedoeling van de belastingplichtige op zich, maar op de wil of bedoeling zoals deze in gedragingen en handelingen tot uiting komt. Van een voornemen als hier bedoeld, blijkt niet indien een belastingplichtige slechts verklaart dat hij voornemens is de opbrengst te herinvesteren in één of meer voor de HIR kwalificerende bedrijfsmiddelen. Het voornemen dient te kunnen worden afgeleid uit zekere naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid. [3]
26. Stukken en andere bewijsmiddelen die zien op de periode na de balansdatum kunnen aanwijzingen geven over de aanwezigheid of afwezigheid van een herinvesteringsvoornemen op de balansdatum. [4]
Beoordeling herinvesteringsvoornemen
27. Aangezien belanghebbende een HIR wenst te vormen brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op haar de last rust om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat zij ultimo 2019 een herinvesteringsvoornemen had.
28. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar herinvesteringsvoornemen de volgende stukken overgelegd:
  • de notulen van de directievergadering van 6 juni 2019, waarin is opgenomen dat de behaalde boekwinst van de verkoop zal worden aangewend voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed;
  • de e-mail van 2 januari 2023 van belanghebbende aan de inspecteur, waarin is verklaard dat [persoon D] 8 à 9 panden heeft bezocht;
  • de verklaring van [persoon E] van 7 februari 2023;
  • de verklaring met opdrachtbevestiging van [persoon F], makelaar bij [naam bedrijf 2], van 5 juli 2023;
  • de verklaring van [persoon D] van 11 april 2024.
29. De inspecteur betwist dat belanghebbende een herinvesteringsvoornemen had. Hij voert daartoe het volgende aan.
30. De wil van belanghebbende is weliswaar vastgelegd in de notulen van de directievergadering, maar ze zijn niet tot uiting gekomen in gedragingen en handelingen naar buiten toe. De inspecteur stelt dat de verklaring van 2 januari 2023 onvoldoende concreet is. Zo is volgens hem nog steeds onduidelijk welke 8 à 9 panden zijn bezocht en met welk doel. De verklaring van [persoon E] is (deels) onjuist. Hij verklaart namelijk dat [persoon D] medio 2019 wist van een stille verkoop van het pand, terwijl dat pand al sinds mei 2018 in de openbare verkoop stond. De verkoop werd met grote letters op de ramen geadverteerd van (in ieder geval) mei 2018 tot en met (in ieder geval) april 2021. Dus ofwel het pand is voor mei 2018 bezocht, dan wel de verklaring is (deels) onjuist. Met betrekking tot de verklaring van de makelaar merkt de inspecteur op dat het onaannemelijk is dat een NVM-makelaar een mondelinge opdracht accepteert, omdat op basis van de algemene voorwaarden voor NVM-Makelaars de makelaar in beginsel geen recht heeft op courtage als er geen schriftelijke opdrachtbevestiging is van de opdrachtgever. Hij kan zich voorstellen dat een makelaar een uitzondering maakt indien er een jarenlange zakelijke relatie bestaat. Maar daarvan is volgens de inspecteur geen sprake, gelet ook op de verklaring van [persoon E], waaruit volgt dat [persoon D] zonder bijstand van een makelaar werkte.
31. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de balansdatum een herinvesteringsvoornemen had. Belanghebbende heeft weliswaar notulen van de directievergadering overgelegd waarin is vermeld dat zij voornemens is de boekwinst op het pand [plaats 2] aan te wenden voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed (punt 11), maar dit stuk wordt niet ondersteund door objectieve gegevens die getuigen van naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid. Ook in samenhang met de overgelegde verklaringen is het bewijs onvoldoende, zowel omdat op basis van verklaringen geen naar buiten toe blijkende gedragingen kunnen worden vastgesteld, als omdat de verklaringen niet overtuigend genoeg zijn. Zo is onduidelijk welke 8 à 9 panden [persoon D] namens belanghebbende heeft bezocht en voor welk doel. [persoon D] bezocht namelijk ook voor anderen dan belanghebbende panden. In de verklaring van 11 april 2024 (zie de feiten punt 16.) worden adressen van panden genoemd die zijn bezocht. Deze bezichtigingen vonden echter plaats in 2017, dus vóór de verkoop van het pand [plaats 2] in 2019 en vóór het vormen van de HIR. Uit die verklaring blijkt dus niet het herinvesteringsvoornemen op de balansdatum. De overgelegde verklaring van de makelaar van 5 juli 2023 (zie de feiten punt 15.) acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede omdat belanghebbende wisselende verklaringen heeft afgelegd omtrent de werkzaamheden van de makelaar. In eerste instantie heeft belanghebbende meermalen verklaard dat [persoon D] weliswaar contact heeft met een makelaar, maar dat hij zelf zonder makelaar de panden bezocht. Ook [persoon E] heeft verklaard dat [persoon D] zonder makelaar meerdere transacties in het onroerend goed heeft verricht. Pas nadat de adviseur belanghebbende er op had gewezen dat een opdrachtbevestiging van een makelaar mooi zou zijn, heeft belanghebbende verklaard dat er een opdracht is gegeven aan een makelaar om een vervangend pand te zoeken. Toen pas, in de bezwaarfase, is de verklaring van de makelaar overgelegd met een daarin een (achteraf opgestelde) bevestiging van een mondelinge opdrachtbevestiging. Dit overtuigt de rechtbank niet, mede gelet op hetgeen de inspecteur omtrent deze opdracht heeft aangevoerd.
32. De conclusie is dat de inspecteur de dotatie aan de HIR terecht niet heeft geaccepteerd bij het opleggen van de aanslag Vpb 2019. De aanslag is dus niet te hoog vastgesteld. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan het subsidiaire standpunt van de inspecteur over de HIR uit 2017/2018 voor de bouwterreinen.
Belastingrente
33. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de belastingrente te hoog is vastgesteld en dat de belastingrente moet worden verminderd conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. In zijn pleitnota heeft de inspecteur de belastingrente berekend op € 12.386. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat deze berekening klopt. De rechtbank sluit hierbij aan en vermindert de belastingrente tot € 12.386. Gelet hierop is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

34. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de belastingrente. De rechtbank vermindert de belastingrente van € 19.066 tot € 12.386. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. De hoogte van de aanslag blijft ongewijzigd.
35. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
36. De hoogte van de kostenvergoeding wordt in beginsel bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, tweede lid, van het Besluit is echter bepaald dat de bestuursrechter de vergoeding kan verminderen ten opzichte van de op grond van in artikel 2, eerste lid, van het Besluit op forfaitaire wijze berekende bedragen, indien een partij gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. [5]
37. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om af te wijken van het forfait. Zij overweegt daartoe als volgt. Bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zou belanghebbende recht hebben op een proceskostenvergoeding van € 3.200 [6] , terwijl zij uitsluitend in het gelijk is gesteld op het punt van de belastingrente. Onverkorte toepassing van het forfait zou in dit geval onredelijk uitpakken. De werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht op het punt van de belastingrente zijn namelijk zeer beperkt geweest. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase geen gronden aangevoerd tegen de belastingrente. In de beroepsfase zijn pas gronden aangevoerd nadat de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad een conclusie had genomen waarin is beargumenteerd dat het belastingrentepercentage voor de Vpb van 8% onverbindend is. De gronden van belanghebbende bestonden enkel uit een verwijzing naar deze conclusie. In de pleitnota heeft zij de gronden aangevuld met een verzoek om het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 toe te passen. Daarnaast is met dit arrest de beslissing van dit geschilpunt evident geworden. Alles overwegende vermindert de rechtbank de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Besluit tot € 800, omdat naar haar oordeel sprake is van een zeer licht gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de belastingrente;
  • vermindert de belastingrente tot € 12.386;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de voor dit deel vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 800;
  • gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 1 april 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), in verbinding met artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001.
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7079.
4.Hoge Raad 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1507.
5.Zie hierover recent: Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283.
6.Tweemaal € 666 voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en hoorgesprek) en tweemaal € 934 voor de beroepsfase (beroepschrift en zitting).