4.22.Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd, nu de uitspraak op bezwaar van 16 maart 2015 door de Rechtbank is vernietigd en de Inspecteur dientengevolge pas op 15 februari 2016 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat met de uitspraak op bezwaar van 21 maart 2015 de Inspecteur binnen de hem in de ingebrekestelling daartoe gestelde termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat deze uitspraak op bezwaar later is vernietigd door de Rechtbank doet hier niet aan af. Het Hof acht het voorts niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende stelt, het eventueel verbeuren van een dwangsom de doorslaggevende reden voor de Inspecteur is geweest om het horen achterwege te laten. Onder deze omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding om die reden een dwangsom toe te kennen.
32. De rechtbank is, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van oordeel dat de termijn van de dwangsom niet doorloopt indien de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigt. Alleen indien de rechtbank bij de vernietiging van de uitspraak op bezwaar een uitdrukkelijke termijn stelt voor het nemen van een nieuw besluit, hoeft belanghebbende de inspecteur niet opnieuw in gebreke te stellen. Daarvan is in deze casus echter geen sprake, omdat de rechtbank in de uitspraak van 17 oktober 2024 geen uitdrukkelijke termijn heeft gesteld.
33. De dwangsombeschikking van 24 maart 2023 is dan ook naar het juiste bedrag vastgesteld. Dat de inspecteur, zoals belanghebbende stelt, het verbeuren van een dwangsom wilde voorkomen en om die reden geen hoorgesprek wenste, is de rechtbank niet gebleken.
34. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift van 10 december 2024 verzocht om een extra dwangsom voor elke dag dat de Belastingdienst na 1 januari 2025 geen uitspraak op bezwaar heeft genomen, omdat de redelijke termijn is overschreden.
35. De rechtbank is van oordeel dat voor de door belanghebbende gestelde dwangsom geen wettelijke grond bestaat. Wel zal zij het opvatten als een verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.Tevens is voor de beoordeling van het verzoek van belanghebbende van belang een arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019.
36. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheidis het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
37. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 10 maart 2022 ontvangen. Op 14 maart 2023 heeft de inspecteur de eerste uitspraak op bezwaar gedaan. Op 17 oktober 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan, waarmee de zaak is teruggewezen naar de inspecteur. Op 10 december 2024 heeft de belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en op 28 maart 2025 heeft de inspecteur opnieuw uitspraak gedaan.
38. De termijn voor de immateriële schadevergoeding eindigt met de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2025, omdat belanghebbende heeft aangegeven geen beroep te willen instellen tegen die uitspraak op bezwaar.De periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2025 is afgerond drie jaar en één maand. De redelijke termijn is dus met één jaar en één maand overschreden, totaal 13 maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500. De eerste uitspraak op bezwaar is op 14 maart 2023 gedaan. Op dat moment waren er 12 maanden verstreken. Na terugwijzing heeft de inspecteur na (afgerond) zes maanden opnieuw uitspraak gedaan. In totaal heeft de inspecteur 18 maanden over de uitspraak op bezwaar gedaan. Dit is 12 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 12 maanden gedeeld door 13 maanden keer € 1.500 is € 1.385. De Staat moet de rest betalen, dus € 115. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.