Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2512

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/05/450547 / HZ ZA 25-110
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschap na beëindiging samenlevingsovereenkomst met verkoop woning en verdeling spaargelden

Partijen hadden een langdurige affectieve relatie en sloten in 1998 een notariële samenlevingsovereenkomst met afspraken over eigendom en verdeling van gemeenschappelijk vermogen.

De relatie eindigde in 2023, waarna eiseres de woning verliet en de overeenkomst opzegde met inachtneming van de opzegtermijn. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst eindigde op 22 juli 2023 en dat de gemeenschap verdeeld moet worden.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres grotendeels toe: de woning moet worden verkocht, de hypotheekschulden worden afgelost, en de resterende waarde wordt verdeeld volgens de eigendomsverhouding van 80% voor gedaagde en 20% voor eiseres. Ook worden spaargelden en inboedel verdeeld, en wordt medewerking aan fiscale afstemming gelast.

De vorderingen van gedaagde worden grotendeels afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en omdat de samenlevingsovereenkomst leidend is. Proceskosten worden gecompenseerd en dwangsommen opgelegd voor nakoming.

Uitkomst: De rechtbank gelast verkoop van de woning en stelt de verdeling van de gemeenschap vast conform de samenlevingsovereenkomst met toewijzing van spaargelden, inboedel en fiscale medewerking.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/450547 / HZ ZA 25-110
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eisende in conventie / verweerder in reconventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
advocaat: mr. G.W. Wullink,
tegen
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. M.J. Meijer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben langdurig een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 12 januari 1998 hebben partijen een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin staat – voor zover voor deze procedure relevant – het volgende:

[…]
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Artikel 3
Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten uit arbeid bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Het hiervoor met inachtneming van de norm van lid 1 vast te stellen bedrag van de netto inkomsten of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of giro-rekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas behoort/behoren toe aan partijen gezamenlijk en wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.
[…]
5.
Geen van partijen kan over de periode van samenwonen verrekening of teruggave verlangen van wat één van hen meer dan de ander mocht hebben bijgedragen aan de gewone gang van de huishouding, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.
[…]
GEMEENSCHAPPELIJK EIGENDOM WOONHUIS
Artikel 4
Indien partijen te eniger tijd gezamenlijk een woning aankopen zal de eigendomsverhouding als volgt zijn: twintig procent (20%) voor haar en tachtig procent (80%) voor hem. Gemelde verhouding geldt ook voor de financiering.
Alle kosten en lasten van die woning komen voor rekening van partijen, naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding, terwijl zij ook naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding delen in de voor- of nadelige gevolgen van de waardeverandering.
De verplichtingen, voortvloeiende uit de leningen, aangegaan ter financiering van de woning welke strekt tot gemeenschappelijk gebruik, komen in beginsel ten laste van ieder naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding. Indien zij in onderling overleg, mede gelet op hun inkomenspositie en mede in verband met de eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid de rente niet naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding betalen, zal degene, die meer dan naar evenredigheid van zijn/haar eigendomsverhouding betaalt, geen verhaal kunnen nemen op de ander, tenzij onmiddellijk bij de betaling schriftelijk iets anders zou zijn overeengekomen. […]
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
Artikel 5
[…]
4.
Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom, de kosten en al wat is verschuldigd op grond van een ter financiering van de woning gesloten hypothecaire geldlening (waaronder mede zijn begrepen de premies voor het zogeheten spaardeel van een gemengde overlijdensrisicoverzekering, maar waaronder uitdrukkelijk niet is begrepen de verschuldigde rente) heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van deze overeenkomst. De vordering zal tot dat tijdstip geen rente dragen, maar vanaf dat tijdstip de wettelijke rente.
[…]
EINDE
Artikel 6
Deze overeenkomst eindigt:
a.
door opzegging door een van de partijen op het tijdstip waartegen de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van tenminste een maand in acht genomen moet worden. […]
[…]
VERDELING BIJ EINDE VAN DE OVEREENKOMST DOOR OPZEGGING, HUWELIJK OF GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Artikel 7
Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging, huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn partijen verplicht er aan mee te werken, dat aan iedere partij wordt toebedeeld de goederen die hij/zij heeft aangebracht, zoals hierna vermeld.
Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.
[…]
4.
Voor de bepaling van het zuiver saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen, bedoeld in lid 2, zal per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en schulden worden opgesteld.
Op deze staat worden de goederen opgenomen voor de waarde, daaraan toegekend door partijen in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een bemiddelaar die door beide partijen is aangewezen en indien hierover evenmin overeenstemming wordt bereikt, door een deskundige die daartoe is benoemd door de Kantonrechter binnen wiens ressort de (laatste) gemeenschappelijke woonplaats is gelegen op verzoek van de meest gerede partij. […]
[…]
2.2.
In 2000 hebben partijen samen een perceel grond gekocht gelegen aan de [adres] . Op dit perceel hebben zij vervolgens een woning laten bouwen (hierna: de woning).
2.3.
De relatie van partijen is in 2023 geëindigd. [eiser in conventie] heeft de gezamenlijke woning op 7 mei 2023 verlaten. Bij brief van 21 juni 2023 heeft zij de samenlevingsovereenkomst opgezegd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conventie] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
5. de navolgende verdeling vast te stellen dan wel de wijze van verdeling te gelasten:
a. woning en de daarop rustende hypotheekschulden
1. te bepalen dat de woning aan de [adres] dient te worden verkocht en partijen te verplichten hun medewerking te verlenen aan de verkoop, zulks door uiterlijk binnen twee weken na het vonnis de opdracht tot verkoop aan Alpina Makelaardij te Doetinchem te verstrekken en alle uitvoeringshandelingen te verrichten die de makelaar voor de verkoop adviseert,
2. te bepalen dat uit de verkoopsom van de woning de op de woning rustende verhypothekeerde schulden, afgesloten bij Rabobank ad € 319.587,00 worden ingelost en de verkoopkosten (makelaar) worden voldaan,
3. te bepalen dat de resterende waarde van de verkoopsom voor 80% aan [gedaagde in conventie] en voor 20% aan [eiser in conventie] toekomt en dat partijen aan de notaris opdracht dienen te verstrekken om deze gelden aan partijen uit te keren,
4. te bepalen dat [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] een bedrag dient te voldoen van € 9.600,00, zijnde haar 20% aandeel van het overbruggingskrediet,
b. spaargelden gekoppeld aan de hypotheekschulden
te bepalen dat de aan de hypotheekschulden gekoppelde spaarelementen, te weten de polis bij Interpolis ( [polisnummer] ) en de spaarrekening bij Rabobank ( [bankrekeningnummer] ), door partijen dienen te worden opgezegd, met vaststelling dat de uitkering primair bij helfte aan partijen toekomt dan wel subsidiair voor 80% aan [gedaagde in conventie] en voor 20% aan [eiser in conventie] ,
c. (inboedel)goederen
[gedaagde in conventie] te bevelen binnen een maand na het vonnis aan [eiser in conventie] de in productie 11 genoemde (inboedel)goederen dient af te geven, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] nalaat zijn medewerking te verlenen,
d. (saldi) bankrekeningen/spaarpolissen
te bepalen dat aan [eiser in conventie] wordt toebedeeld de helft van het op 7 mei 2023 aanwezige saldo op de rekening -210 bij Rabobank en/of rekeningen en [gedaagde in conventie] te bevelen om binnen een maand na het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de rekeningen die op beider naam staan, in die zin dat de rekeningen alleen ten name van [gedaagde in conventie] worden gesteld en [eiser in conventie] , indien van toepassing, ontslagen wordt uit alle verplichtingen aangaande de rekeningen/polissen, zulks zonder nadere verrekening,
6. te bepalen dat [gedaagde in conventie] medewerking dient te verlenen aan alle voor de verkoop en levering van de woning aan de [adres] noodzakelijke handelingen, waaronder (maar niet uitsluitend) het verstrekken van de opdracht tot verkoop, het opruimen en schoonmaken van de woning en het toonbaar maken en onderhouden van de tuin voor het maken van foto’s en bezichtigingen, het toelaten van bezichtigingen (buiten aanwezigheid van [gedaagde in conventie] indien door de makelaar gewenst), het tekenen van de verkoopakte en alle door de notaris van belang geachte handelingen voor de leveringen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] nalaat zijn medewerking te verlenen,
7. te bepalen dat in geval [gedaagde in conventie] zijn medewerking ten aanzien van het gestelde in dit petitum onder 1 sub a -c, II en V niet (volledig) verleent, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde in conventie] die nodig is voor respectievelijk de verkoopopdracht, de verkoop en de levering en het notariële transport van de woning/appartement en de opdracht tot uitkering van de gelden aan de notaris mits die verkoopopdracht en/of koopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de betreffende makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt,
8. te gelasten dat [gedaagde in conventie] met [eiser in conventie] een formulier dan wel formulieren dient te ondertekenen, zulks uiterlijk twee weken na het in dezen te geven vonnis, waarmee wordt afgezien van de bijzonder partnerpensioenaanspraken die door de ander zijn opgebouwd, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] nalaat zijn medewerking te verlenen, dan wel subsidiair te gelasten dat iedere partij zijn/haar eigen opgebouwde aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen behoudt,
9. te gelasten dat [gedaagde in conventie] zijn medewerking dient te verlenen aan het op elkaar afstemmen van de hypotheekrenteaftrek en de opgave van het vermogen in de aangiftes 2022 tot en met 2025 en dat partijen -indien zij samen niet tot een vergelijk komen- een onpartijdige accountant te Doetinchem de opdracht dienen te verstrekken, binnen één maand na het in dezen te geven vonnis, om bindend te bepalen hoe een en ander dient te geschieden, zulks naar het oordeel van de accountant naar hetgeen gebruikelijk is gebaseerd op de wet, het samenlevingscontract en de feiten, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] nalaat zijn medewerking te verlenen.
3.2.
[gedaagde in conventie] voert verweer. [gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde in conventie] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
I. [eiser in conventie] te veroordelen binnen 4 weken na het te deze zake te wijzen vonnis, onder verbeuring van een dwangsom van € 250,00 per dag dat zij hiermede in gebreke is, [gedaagde in conventie] ter hand te stellen, alles met verifieerbare bewijsstukken, een overzicht van alle betalingen gedaan vanaf en/of rekening -210, een overzicht van de stortingen en onttrekkingen aan beleggings- en spaarrekeningen en een overzicht van haar fiscale voordelen, (waaronder renteaftrek) en een opgave van de eigen kosten welke ten laste zijn gekomen van de gemeenschappelijke huishouding,
II. conform artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst de peildatum van de ontbinding/beëindiging vast te stellen op 22 juli 2023,
III. de verdeling van de waarde van de woning aan de [adres] vast te stellen op de peildatum conform art. 4 en Pro 7.4 van het samenlevingscontract, waarbij [gedaagde in conventie] wordt gecompenseerd voor de overbruggingskredietaflossing (100%), conform de beleggingsleer de eigen investeringen in de woning gedaan door [gedaagde in conventie] uit eigen vermogen (betreft niet overgespaard inkomen) en [gedaagde in conventie] hier bovenop een rentevergoeding wordt toegekend over de door [gedaagde in conventie] gefinancierde investeringen vanaf de in acht te nemen peildatum 23 juli 2023,
IV. de in het geding zijnde inboedelgoederen [gedaagde in conventie] toe te delen, behoudens een nader gespecificeerd lijstje dat [eiser in conventie] mag behouden, onder voorwaarde dat de waarde van deze goederen wordt verrekend met het aandeel van [eiser in conventie] in het gemeenschappelijk vermogen en wordt verrekend die gemeenschappelijke zaken buiten de instemming van [gedaagde in conventie] uit de woning heeft meegenomen,
V. [eiser in conventie] te veroordelen [gedaagde in conventie] te betalen een bedrag van € 18.407,53, zie productie 17, wegens privé-investeringen in het onderhoud en de instandhouding van het woonhuis gedurende de laatste vijf jaar van de samenleving,
VI. een deskundige op kosten van partijen te benoemen om:
a. een objectieve berekening te maken van de inbreng van partijen in de spaarproducten en rekeningen;
b. te beoordelen of sprake is van vermogensverschuivingen waarvoor vergoedingsrechten bestaan;
VII. [eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[eiser in conventie] voert verweer. [eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
De datum waarop de samenlevingsovereenkomst is beëindigd
4.2.
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is op welke datum de samenlevingsovereenkomst is beëindigd. In artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst zijn de wijzen van beëindiging van de overeenkomst bepaald. [eiser in conventie] heeft de samenlevingsovereenkomst opgezegd met haar brief van 21 juni 2023. Nu conform de samenlevingsovereenkomst bij opzegging een opzegtermijn van tenminste één maand in acht moet worden genomen, geldt dat de samenlevingsovereenkomst moet worden geacht te zijn geëindigd per 22 juli 2023. Dat [eiser in conventie] reeds op 7 mei 2023 de gezamenlijke woning had verlaten, maakt het voorgaande niet anders. Dit is immers geen grond voor het eindigen van de samenlevingsovereenkomst.
4.3.
Nu de samenlevingsovereenkomst tussen partijen is beëindigd, moet de tussen hen bestaande gemeenschap worden verdeeld (zoals beide partijen ook wensen). Vooropgesteld wordt dat in zaken zoals deze, waarbij de rechtbank op vordering van een of meerdere partijen de verdeling vaststelt of een bepaalde wijze van verdeling gelast, de rechtbank een grote mate van vrijheid toekomt en daarbij zelfs mag afwijken van de standpunten van partijen. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank over de gevorderde verdeling als volgt.
De peildatum
4.4.
De vorderingen van partijen zien (grotendeels) op het verdelen van de tussen hen bestaande gemeenschap. Partijen zijn het niet met elkaar eens over de daarbij te hanteren peildatum. Uit artikel 7 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat voor het bepalen van het saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en lasten zal worden opgesteld. Partijen zijn het erover eens dat hieruit in ieder geval volgt dat bij het bepalen van de omvang van het gemeenschappelijk vermogen moet worden uitgegaan van de datum van het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst als peildatum, te weten 22 juli 2023.
4.5.
Volgens [gedaagde in conventie] moet ook voor de waardering van de tot het gemeenschappelijk vermogen behorende goederen worden uitgegaan van 22 juli 2023 als peildatum. Volgens hem volgt dit uit artikel 7 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst. De rechtbank volgt [gedaagde in conventie] niet in deze stelling. In artikel 7 lid 4 is Pro weliswaar het een en ander bepaald over de waarde van de tot de gemeenschap behorende goederen, maar dit ziet niet op het moment waarop deze waarde moet worden bepaald. In artikel 7 lid 4 hebben Pro partijen slechts afspraken gemaakt over de wijze waarop de waarde van de goederen moet worden vastgesteld. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat als peildatum voor de waardering van de tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van verdeling. Het voorgaande betekent dat de reconventionele vordering van [gedaagde in conventie] ten aanzien van de peildatum (onder II.) zal worden afgewezen.
De stukkenvordering van [gedaagde in conventie]
4.6.
[gedaagde in conventie] vordert dat [eiser in conventie] wordt veroordeelt tot afgifte van diverse stukken. Gesteld noch gebleken is wat de grondslag van deze vordering is. Voor zover [gedaagde in conventie] deze vordering baseert op artikel 194 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geldt dat niet aan de in dat artikel genoemde eisen is voldaan. [gedaagde in conventie] heeft immers niet aangevoerd dat (en waarom) hij (voldoende) belang heeft bij het krijgen van deze stukken. Bovendien heeft [eiser in conventie] aangevoerd dat [gedaagde in conventie] beschikt over de gehele administratie van 27 jaar. De vordering zal daarom worden afgewezen.
De geldvorderingen van [gedaagde in conventie]
4.7.
[gedaagde in conventie] stelt dat hij meerdere vorderingen heeft op [eiser in conventie] . Hij maakt aanspraak op vergoeding/verrekening van de door hem gestelde vorderingen. [gedaagde in conventie] beroept zich in dat kader op ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling, de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en ‘het verdelingsrecht’. De rechtsverhouding tussen partijen wordt gedurende de samenleving echter beheerst door de tussen hen gesloten samenlevingsovereenkomst. Partijen hebben in de samenlevingsovereenkomst afspraken gemaakt over de verdeling van kosten en het al dan niet ontstaan van vergoedingsrechten. Deze afspraken gelden als uitgangspunt bij de beoordeling van de vorderingen van [gedaagde in conventie] . Dat partijen van de samenlevingsovereenkomst afwijkende afspraken hebben gemaakt ten aanzien van bepaalde kosten is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat zij gedurende hun samenleving de samenlevingsovereenkomst niet hebben nageleefd, zoals [gedaagde in conventie] stelt, brengt niet zonder meer met zich dat [eiser in conventie] op de gemaakte afspraken geen beroep meer kan doen.
4.8.
De eerste vordering van [gedaagde in conventie] heeft betrekking op de bekostiging van de (bouw van de) woning. [gedaagde in conventie] stelt dat hij € 208.417,00 heeft betaald voor de bouw en dat hij daarom – gelet op het aandeel van [eiser in conventie] in de woning van 20% - een vordering heeft op [eiser in conventie] van € 41.683,00. Op grond van artikel 5 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst heeft [gedaagde in conventie] , indien hij ten tijde van het in eigendom verkrijgen van de woning uit eigen middelen meer dan zijn aandeel van de koopsom, de kosten en al wat is verschuldigd op grond van een ter financiering van de woning gesloten hypothecaire geldlening heeft betaald, voor het meerdere een vordering op [eiser in conventie] . Uit artikel 4 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat de eigendomsverhouding in een gezamenlijke woning 80% voor [gedaagde in conventie] en 20% voor [eiser in conventie] betreft. Daarbij is expliciet opgenomen dat dit ook geldt voor de financiering. Wanneer bij de aankoop van de woning dus meer dan 80% van de kosten is gefinancierd door [gedaagde in conventie] uit eigen middelen, heeft hij voor het meerdere een vordering op [eiser in conventie] . Die situatie doet zich in dit geval niet voor. [gedaagde in conventie] heeft zelf gesteld dat de totale kosten van de grond en de woning € 523.354,00 waren. Daarvan stelt [gedaagde in conventie] uit eigen middelen een bedrag van € 208.417,00 te hebben betaald. Daargelaten dat [eiser in conventie] dit betwist, is dit bedrag niet meer dan 80% van de kosten van de grond en de woning, maar slechts 39,82%. Dit betekent dat [gedaagde in conventie] ten aanzien van de aankoop van (de grond en) de woning geen vordering heeft op [eiser in conventie] .
4.9.
Wat betreft de resterende vordering(en) stelt [gedaagde in conventie] dat hij gedurende de samenleving substantiële bijdragen heeft geleverd uit eigen middelen, aangezien [eiser in conventie] te weinig bijdroeg aan de gezamenlijke rekening. Hij vindt dat integrale verrekening moet plaatsvinden van deze bijdragen. [gedaagde in conventie] heeft ter onderbouwing van deze vermeende vorderingen verwezen naar vele door hem overgelegde producties. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en naar welke feiten daarbij verwezen wordt, en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999ZC2810). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:ZC1176). [gedaagde in conventie] kan derhalve niet volstaan met een enkele verwijzing naar producties. Partijen hebben een zogenaamde wegwijsplicht en het staat de rechtbank niet vrij in producties van partijen een zoektocht te ondernemen of een meer dan geringe vertaalslag te maken naar wat (mogelijk) relevant is en waarom. De rechtbank houdt daarom geen rekening met hetgeen in de producties van [gedaagde in conventie] naar voren wordt gebracht, voor zover daaraan geen duidelijke stellingname in de processtukken ten grondslag ligt (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628).
4.10.
Uit de conclusie van antwoord blijkt dat de door [gedaagde in conventie] gestelde vordering uiteenvalt in verschillende elementen. Allereerst de volledige aflossing door hem van een overbruggingskrediet van € 48.000,00. [eiser in conventie] erkent dat zij gehouden is haar aandeel hierin (20%) te voldoen, zijnde € 9.600,00. [eiser in conventie] heeft deze vordering ook meegenomen bij de door haar gevorderde verdeling. In zoverre is deze vordering van [gedaagde in conventie] dus toewijsbaar.
4.11.
[gedaagde in conventie] vordert ook vergoeding van € 18.407,53 wegens privé-investeringen in het onderhoud en de instandhouding van het woonhuis gedurende de laatste vijf jaar van de samenleving. [gedaagde in conventie] heeft deze vordering niet toegelicht of onderbouwd, zodat onduidelijk is waarop dit bedrag betrekking heeft. Evenmin is duidelijk wat volgens [gedaagde in conventie] de grondslag is voor (dit deel van) zijn vordering. Artikel 5 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst biedt geen grondslag voor de vergoeding van deze kosten. Dat artikel heeft slechts betrekking op de aanschaf van de woning en niet op nadien gedane investeringen. Deze vordering van [gedaagde in conventie] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4.12.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in conventie] meermaals gerefereerd aan ‘een kwestie met Zilveren Kruis Achmea’. [gedaagde in conventie] heeft hierover echter geen vordering ingesteld, zodat de rechtbank aan de beoordeling van deze kwestie niet toekomt.
4.13.
Voor het overige stelt [gedaagde in conventie] dat betalingen van hypotheeklasten, gemeentelijke belastingen, onderhoudskosten van de woning, bijdragen aan inboedel, auto en huishouden, stortingen op beleggings- en spaarrekeningen uit zijn privévermogen zijn gedaan. Zoals [eiser in conventie] terecht heeft aangevoerd, hebben partijen in de samenlevingsovereenkomst afspraken gemaakt over (het verrekenen van) diverse kosten. De rechtbank stelt voorop dat partijen in de samenlevingsovereenkomst hebben afgesproken dat zij geen recht hebben op verrekening of vergoeding van hetgeen zij meer dan de ander hebben bijgedragen aan de gewone gang van de huishouding, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen (artikel 3 lid Pro 5). Hetzelfde geldt voor de rentelasten van de (aflossingsvrije) hypotheken (artikel 4 lid Pro 3). Gesteld noch gebleken is dat partijen gedurende hun relatie op enig moment afspraken hebben gemaakt aangaande voornoemde kosten. Voor zover de door [gedaagde in conventie] gestelde te veel betaalde kosten betrekking hebben op de gewone gang van de huishouding en de hypotheekrente, komt hem dus geen vergoedingsrecht toe.
4.14.
Uit de stellingen van [gedaagde in conventie] volgt niet welke bedragen hij meent (te veel) uit eigen middelen te hebben voldaan. Uit de door hem overgelegde overzichten kan dit ook niet – althans niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt – worden afgeleid. Hij heeft zijn stelling dat [eiser in conventie] gedurende de samenleving niet of nauwelijks heeft bijgedragen aan de gezamenlijke rekening niet onderbouwd. [eiser in conventie] heeft bovendien betwist dat zij te weinig heeft bijgedragen aan de gezamenlijke rekening. Gelet hierop en op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.8 heeft [gedaagde in conventie] zijn vorderingen onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde in conventie] – behoudens het overbruggingskrediet – geen (verrekenbare) vorderingen heeft op [eiser in conventie] . Gelet hierop bestaat ook geen grond om het door [gedaagde in conventie] gevorderde deskundigenonderzoek te bevelen om de omvang van vergoedingsrechten vast te stellen.
De gemeenschappelijke woning
4.15.
De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen (80% voor [gedaagde in conventie] , 20% voor [eiser in conventie] ) en deze eenvoudige gemeenschap moet verdeeld worden. Aan de woning zijn meerdere aflossingsvrije hypothecaire leningen bij Rabobank verbonden, waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn.
4.16.
[eiser in conventie] wil niet dat de woning aan haar wordt toebedeeld. Volgens haar kan de woning ofwel aan [gedaagde in conventie] worden toebedeeld, ofwel worden verkocht. [gedaagde in conventie] wil dat de woning aan hem wordt toebedeeld. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [gedaagde in conventie] slechts in staat is de woning over te nemen indien deze wordt gewaardeerd op de datum van het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst op een waarde van € 550.000,00 en al de door hem gestelde verrekenbare (tegen)vorderingen worden toegewezen. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aan deze voorwaarden voldaan. De woning moet worden gewaardeerd op het moment van de feitelijke verdeling. Uit door [eiser in conventie] overgelegde taxatierapporten blijkt dat de waarde van de woning aanzienlijk hoger is dan € 550.000,00 (€ 625.000,00 op 27 mei 2024 en ongeveer € 704.000,00 op 9 december 2025). Verder zijn vrijwel alle door [gedaagde in conventie] gestelde vorderingen afgewezen. Onder deze omstandigheden kan [gedaagde in conventie] – volgens zijn eigen stellingen – de woning niet overnemen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de woning moet worden verkocht. Daarbij komt na aflossing van de op de woning rustende hypotheken 20% van de overwaarde toe aan [eiser in conventie] en 80% aan [gedaagde in conventie] . De rechtbank zal gelet op het voorgaande de verdeling van de woning vaststellen zoals door [eiser in conventie] is gevorderd.
De spaarproducten
4.17.
[eiser in conventie] stelt – zonder nadere onderbouwing – dat aan de hypothecaire geldleningen twee spaarproducten zijn verbonden, één bij de Rabobank en één bij Interpolis. [gedaagde in conventie] heeft gemotiveerd betwist dat beide spaarpolissen aan de hypotheken zijn verbonden. Hij voert aan dat de polis bij Interpolis ziet op zijn personeelsfinanciering. Dit is daarom privévermogen van [gedaagde in conventie] . [eiser in conventie] heeft gelet op deze betwisting onvoldoende nader onderbouwd dat ook de Interpolis spaarpolis tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen behoort, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat slechts de Rabobank spaarpolis tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen behoort. Deze spaarpolis betreft een eenvoudige gemeenschap en moet tussen partijen worden verdeeld.
4.18.
[eiser in conventie] heeft bij de door haar voorgestelde verdeling van de Rabo spaarpolis tot uitgangspunt genomen het saldo van deze polis per mei 2023, zijnde € 40.909,00. [gedaagde in conventie] heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Aangezien de spaarpolis is gekoppeld aan de aflossingsvrije hypothecaire lening(en), heeft [eiser in conventie] aanspraak op 20% hiervan. Uit artikel 4 lid 1 en Pro lid 3 van de samenlevingsovereenkomst volgt immers dat de eigendomsverhouding ook geldt voor de (verplichtingen voortvloeiende uit de) financiering. Ten aanzien van de Rabo spaarpolis zal dus de verdeling worden toegewezen zoals (subsidiair) door [eiser in conventie] gevorderd. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen om de inbreng van partijen in de spaarproducten en rekeningen vast te stellen, zoals door [gedaagde in conventie] is gevorderd. [gedaagde in conventie] heeft (de noodzaak van) deze vordering ook niet verder onderbouwd.
De bankrekeningen
4.19.
Partijen maakten gedurende hun relatie gebruik van een gezamenlijke rekening (eindigend op -210). [eiser in conventie] vordert dat het saldo van deze rekening per mei 2023 (€ 3.535,35) tussen partijen wordt verdeeld in die zin dat ieder de helft van dit saldo krijgt. [gedaagde in conventie] betwist dat [eiser in conventie] aanspraak kan maken op (de helft van) het saldo van de gezamenlijke rekening. Subsidiair voert hij aan dat [eiser in conventie] een gebruiksvergoeding moet betalen voor het gebruik van zijn privégelden na haar vertrek uit de woning. [gedaagde in conventie] heeft laatstgenoemde gebruiksvergoeding echter niet onderbouwd en hij heeft hiervoor ook geen vordering (in reconventie) ingesteld, zodat het toekennen van enige gebruiksvergoeding niet aan de orde is.
4.20.
Uit artikel 3 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het saldo op de gemeenschappelijke bankrekening. Gelet hierop zal de door [eiser in conventie] gevorderde verdeling van het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening worden toegewezen.
Inboedel
4.21.
[eiser in conventie] vordert afgifte van diverse roerende zaken (inboedel). Zij heeft een overzicht overgelegd van de door haar verlangde zaken. Een deel van deze zaken heeft [eiser in conventie] ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst zelf aangebracht. Deze zaken komen op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst aan haar toe. Verder wenst [eiser in conventie] enkele gemeenschappelijke zaken toebedeeld te krijgen. [gedaagde in conventie] betwist dat [eiser in conventie] aanspraak heeft op de door haar genoemde inboedelgoederen. Hij heeft dit echter niet gemotiveerd. Evenmin heeft [gedaagde in conventie] gesteld dat hij bepaalde van de door [eiser in conventie] genoemde inboedelgoederen toebedeeld wil krijgen. De rechtbank acht de door [eiser in conventie] voorgestelde verdeling van de inboedelgoederen gelet op het voorgaande redelijk en zal deze toewijzen.
Partnerpensioen en aangiften IB
4.22.
[eiser in conventie] vordert dat partijen over en weer afstand doen van hun aanspraken betreffende het bijzonder partnerpensioen. Hiertoe dienen partijen een afstandsverklaring te ondertekenen. Uit de stellingen van [gedaagde in conventie] blijkt dat ook hij wil dat partijen afstand doen van deze aanspraken. De vordering van [eiser in conventie] zal daarom worden toegewezen.
4.23.
[eiser in conventie] vordert ten slotte dat [gedaagde in conventie] wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan het op elkaar afstemmen van de aangiften inkomstenbelasting, al dan niet middels bindend advies van een door partijen samen aan te wijzen onpartijdige accountant. [gedaagde in conventie] heeft aangegeven open te staan voor een bindende fiscale mediation via een onafhankelijke registeraccountant. Voor zover [gedaagde in conventie] hiermee bedoelt dat partijen samen in mediation gaan, overweegt de rechtbank dat dit gelet op de onderlinge verstandhouding tussen partijen niet zinvol lijkt. Voor het overige heeft [gedaagde in conventie] geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser in conventie] betreffende de aangiften inkomstenbelasting. Deze vordering van [eiser in conventie] zal daarom worden toegewezen, behalve ten aanzien van de inkomstenbelasting over 2022, aangezien tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat deze inmiddels definitief is geworden.
Overige vermogensbestanddelen
4.24.
Gelet op het voorgaande wordt de door [eiser in conventie] gevorderde verdeling (nagenoeg geheel) gevolgd. [eiser in conventie] heeft aangegeven dat zij bij toewijzing van de door haar gevorderde verdeling afziet van toedeling aan haar dan wel verrekening van (de waardes van) de overige bestanddelen die volgens haar tot de tussen partijen bestaande gemeenschap behoren. Nu de door [eiser in conventie] voorgestane verdeling nagenoeg geheel wordt gevolgd, gaat de rechtbank ervan uit dat zij afziet van de overige vermogensbestanddelen. [eiser in conventie] heeft ten aanzien van deze vermogensbestanddelen ook geen vordering ingesteld.
Dwangsommen en reële executie
4.25.
De door [eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen en gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld. De rechtbank acht in dit geval de in de beslissing vermelde dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming, waardoor het toewijzen van de vordering op de voet van artikel 3:300 BW Pro overbodig is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.26.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:
bepaalt dat de woning aan de [adres] dient te worden verkocht en verplicht partijen hun medewerking te verlenen aan de verkoop, zulks door uiterlijk binnen twee weken na dit vonnis de opdracht tot verkoop aan Alpina Makelaardij te Doetinchem te verstrekken en alle uitvoeringshandelingen te verrichten die de makelaar voor de verkoop adviseert,
bepaalt dat uit de verkoopsom van de woning de op de woning rustende verhypothekeerde schulden, afgesloten bij Rabobank ad € 319.587,00 worden ingelost en de verkoopkosten (makelaar) worden voldaan,
bepaalt dat de resterende waarde van de verkoopsom voor 80% aan [gedaagde in conventie] en voor 20% aan [eiser in conventie] toekomt en dat partijen aan de notaris opdracht dienen te verstrekken om deze gelden aan partijen uit te keren,
bepaalt dat [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] een bedrag dient te voldoen van € 9.600,00, zijnde haar 20% aandeel van het overbruggingskrediet,
bepaalt dat de aan het hypotheekschulden gekoppelde spaardeel, te weten de spaarrekening bij Rabobank ( [bankrekeningnummer] ), door partijen dient te worden opgezegd en stelt vast dat de uitkering voor 80% aan [gedaagde in conventie] en voor 20% aan [eiser in conventie] toekomt,
bepaalt dat de in productie 11 bij dagvaarding genoemde (inboedel)goederen worden toebedeeld aan [eiser in conventie] en beveelt [gedaagde in conventie] binnen een maand na dit vonnis deze inboedelgoederen af te geven aan [eiser in conventie] ,
bepaalt dat aan ieder van partijen wordt toebedeeld de helft van het op 7 mei 2023 aanwezige saldo op de rekening -210 bij Rabobank en beveelt [gedaagde in conventie] om binnen een maand na dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de rekeningen die op naam van beide partijen staan, in die zin dat de rekeningen alleen op naam van [gedaagde in conventie] worden gesteld en [eiser in conventie] , indien van toepassing, ontslagen wordt uit alle verplichtingen aangaande de rekeningen/polissen, zulks zonder nadere verrekening,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde in conventie] medewerking dient te verlenen aan alle voor de verkoop en levering van de woning aan de [adres] noodzakelijke handelingen, waaronder (maar niet uitsluitend) het verstrekken van de opdracht tot verkoop, het opruimen en schoonmaken van de woning en het toonbaar maken en onderhouden van de tuin voor het maken van foto’s en bezichtigingen, het toelaten van bezichtigingen (buiten aanwezigheid van [gedaagde in conventie] indien door de makelaar gewenst), het tekenen van de verkoopakte en alle door de notaris van belang geachte handelingen voor de leveringen,
5.3.
gelast dat [gedaagde in conventie] met [eiser in conventie] een formulier dan wel formulieren dient te ondertekenen, zulks uiterlijk twee weken na dit vonnis, waarmee wordt afgezien van de bijzonder partnerpensioenaanspraken die door de ander zijn opgebouwd,
5.4.
gelast dat [gedaagde in conventie] zijn medewerking dient te verlenen aan het op elkaar afstemmen van de hypotheekrenteaftrek en de opgave van het vermogen in de aangiftes 2023 tot en met 2025 en dat partijen – indien zij samen niet tot een vergelijk komen – een onpartijdige accountant te Doetinchem de opdracht dienen te verstrekken, binnen één maand na dit vonnis, om bindend te bepalen hoe een en ander dient te geschieden, zulks naar het oordeel van de accountant naar hetgeen gebruikelijk is gebaseerd op de wet, het samenlevingscontract en de feiten,
5.5.
bepaalt dat [gedaagde in conventie] een dwangsom aan [eiser in conventie] verbeurt van € 500,00 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de veroordelingen onder 5.1(f), 5.2, 5.3 en 5.4 te voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026
RG/AW