Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2516

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/05/452016 / HZ ZA 25-134
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:108 BWArt. 3:110 BWArt. 3:113 BWArt. 5:1 lid 2 BWArt. 5:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente Elburg blijft eigenaar van perceelsgedeelte; geen verkrijgende verjaring

De zaak betreft een geschil tussen Gemeente Elburg en twee gedaagden over de eigendom van een perceelsgedeelte bestaande uit een deel van een weg en een stuk bos. Gemeente Elburg stelt eigenaar te zijn en vordert onder meer beëindiging van het gebruik door gedaagden en ontruiming van het perceelsgedeelte. Gedaagden stellen dat zij eigenaar zijn geworden door verkrijgende en bevrijdende verjaring.

De rechtbank beoordeelt of gedaagden het perceelsgedeelte in bezit hebben genomen en of de verjaringstermijn is verstreken. Uit de feiten blijkt dat de vader van een van de gedaagden het perceel gebruikte als huurder en dat dit gebruik niet kan worden aangemerkt als ondubbelzinnig bezit. Na eigendomsoverdracht in 1991 zijn er wel wijzigingen aangebracht, maar vanaf 1997 zijn huurovereenkomsten gesloten met Gemeente Elburg, waarmee het bezit is geëindigd en gedaagden slechts houder zijn.

De rechtbank concludeert dat gedaagden geen ondubbelzinnig bezit hebben verkregen en dus geen eigendom door verjaring. De vorderingen van gedaagden worden afgewezen en de primaire vorderingen van Gemeente Elburg toegewezen. Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van het perceelsgedeelte, behoudens de gehuurde delen, en tot betaling van een dwangsom en proceskosten.

Uitkomst: Gemeente Elburg blijft eigenaar van het perceelsgedeelte; gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming en beëindiging van gebruik.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/452016 / HZ ZA 25-134
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
GEMEENTE ELBURG,
te Elburg,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Gemeente Elburg,
advocaat: mr. J.J.C. Wenno,
tegen

1.[naam gedaagde in conventie / verweerder in reconventie 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde in conventie / verweerder in reconventie 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden in conventie] ,
advocaat: mr. S. Maakal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De heer [gedaagde in conventie 1] is sinds 3 juni 1991 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadasterkenmerk 1] , aan de [adres] (hierna: [perceel gedaagde 1] ). Sinds 18 december 2020 is mevrouw [gedaagde in conventie 2] mede-eigenaar geworden van [perceel gedaagde 1] . Voorafgaand aan de eigendomsverkrijging door [gedaagde in conventie 1] , was [perceel gedaagde 1] eigendom van zijn vader, de heer [vader gedaagde in conventie 1] (hierna: [vader gedaagde in conventie 1] ). [vader gedaagde in conventie 1] is op 30 juli 1987 eigenaar geworden van voornoemd perceel. Daarvoor was de Staat eigenaar van [perceel gedaagde 1] . [vader gedaagde in conventie 1] had het perceel op dat moment in gebruik. De daarop gelegen woning gebruikte hij als dienstwoning.
2.2.
Gemeente Elburg is sinds 15 november 1996 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadasterkenmerk 2] , eveneens aan de [adres] (hierna: perceel gemeente). Voorafgaand aan de eigendomsverkrijging door Gemeente Elburg was de Staat eigenaar van perceel gemeente.
2.3.
[gedaagden in conventie] hebben ten noorden van hun perceel een deel van perceel gemeente in gebruik. Deze grond bestaat uit een deel van een weg en een stuk bos (hierna: het Perceelsgedeelte). De situatie is als volgt:
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
2.4.
Op 16 februari 1996 heeft de Staat [gedaagde in conventie 1] aangeschreven over het gebruik door [gedaagden in conventie] van het Perceelsgedeelte. In deze brief schreef de Staat – voor zover relevant – het volgende:

Bij opname ter plaatse is gebleken dat door u zonder recht of titel gebruik wordt gemaakt van staatseigendom, gelegen tussen de Flevoweg en het havenkanaal, één en ander ten behoeve van opslag, inclusief opstal en voor een afgesloten weg.
In verband met verkoop van betrokken gronden aan de gemeente Elburg verzoek ik u dit gebruik onmiddellijk te beëindigen en de grond schoon op te leveren. […]
2.5.
Op 25 februari 1997 heeft Gemeente Elburg aan [gedaagde in conventie 1] – voor zover relevant – het volgende geschreven:

[…]Wij hebben geconstateerd dat u een schuur ingebruik heeft in de bossage aan de noordzijde van uw woning. Tevens heeft u een gedeelte van het klinkerweggetje langs de noordzijde van uw perceel in verband met bouwwerkzaamheden afgesloten. Ook heeft u samen met de heer [buurtbewoner] , [adres] openhaardhout opgeslagen op het grasveld voor de woningen (zie bijgaande tekening G 682).
[…]
Wij hebben besloten dat u de schuur en de opslag van het openhaardhout kunt handhaven onder de voorwaarde dat tussen u en de gemeente Elburg huurovereenkomsten worden afgesloten. […]
[…]
Tevens willen wij u melden dat het niet is toegestaan dat het naast uw woning gelegen klinkerweggetje door u wordt afgesloten. Het is namelijk de enige mogelijkheid om het achter uw woning gelegen perceelsgedeelte te bereiken.Wij dragen u op de aanwezige obstakels (materiaal en hekwerken) binnen 14 dagen na verzending van deze brief te verwijderenen het klinkerweggetje voortaan vrij te houden. […]
2.6.
Bij brief van 27 mei 1997 heeft Gemeente Elburg aan [gedaagde in conventie 1] – voor zover relevant – het volgende geschreven:

[…]In een telefoongesprek op 28 februari 1997 tussen uw echtgenote en de heer [medewerker gemeente] van de afdeling Ruimte en Grond, is toegezegd dat u het hek bij de toegang van het weggetje mag laten staan, onder de voorwaarde dat de gemeente te allen tijde gebruik kan maken van het weggetje om het achterliggende terrein te bereiken. […]
2.7.
Gemeente Elburg heeft [gedaagde in conventie 1] begin 1997 twee huurovereenkomsten toegestuurd betreffende huur van (een deel van) het Perceelsgedeelte voor de opslag van haardhout en het hebben van een schuur.
2.8.
Begin 2021 heeft Gemeente Elburg geconstateerd dat de weg op het Perceelsgedeelte door [gedaagden in conventie] was afgesloten, waardoor deze niet meer vrij toegankelijk was. Bij brief van 16 februari 2021 heeft Gemeente Elburg [gedaagden in conventie] gesommeerd de afsluiting van de weg ongedaan te maken en de voorwerpen die op de weg geplaatst waren te verwijderen. Vervolgens is tussen partijen een discussie ontstaan over de eigendom van het Perceelsgedeelte.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Gemeente Elburg vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht te verklaren dat Gemeente Elburg (nog steeds) eigenaar is van het Perceelsgedeelte,
II. [gedaagden in conventie] te veroordelen om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis het gebruik van het Perceelsgedeelte te beëindigen en beëindigd te houden, het Perceelsgedeelte te ontruimen en ontruimd te houden en het Perceelsgedeelte vrij ter beschikking te stellen aan Gemeente Elburg, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagden in conventie] dit nalaten,
subsidiair
III. voor recht te verklaren dat [gedaagden in conventie] jegens Gemeente Elburg onrechtmatig hebben gehandeld door het Perceelsgedeelte in bezit te nemen en/of te houden, wetende dat Gemeente Elburg eigenaar was,
IV. [gedaagden in conventie] te veroordelen het Perceelsgedeelte in eigendom over te dragen aan Gemeente Elburg, zulks op kosten van [gedaagden in conventie] en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor overdracht benodigde notariële akte indien [gedaagden in conventie] niet binnen vier weken na dit vonnis medewerking hebben verleend aan het passeren van de notariële akte,
meer subsidiair
V. voor recht te verklaren dat [gedaagden in conventie] jegens Gemeente Elburg onrechtmatig hebben gehandeld door het Perceelsgedeelte in bezit te nemen en/of houden, wetende dat Gemeente Elburg eigenaar was,
VI. [gedaagden in conventie] te veroordelen tot vergoeding van de door Gemeente Elburg geleden schade van € 53.900,00,
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair
VII. [gedaagden in conventie] te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis althans vanaf de veertiende dag na dit vonnis,
VIII. [gedaagden in conventie] te veroordelen in de nakosten van € 163,00 zonder betekening, verhoogd met € 85,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis althans vanaf de veertiende dag na dit vonnis.
3.2.
[gedaagden in conventie] voeren verweer. [gedaagden in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Gemeente Elburg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Gemeente Elburg, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Gemeente Elburg in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagden in conventie] vorderen – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht te verklaren dat de rechtsvordering van Gemeente Elburg tot revindicatie van het Perceelsgedeelte is verjaard, zodat sprake is van bevrijdende verjaring en in combinatie daarmee ook van verkrijgende verjaring aan de zijde van [gedaagden in conventie] ,
II. Gemeente Elburg te veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan het opmaken van een notariële akte, die strekt tot het vastleggen van de overdracht van de weg en het bosje, alsmede mee te werken aan de inschrijving van deze akte in de daartoe bestemde openbare registers, bij gebreke waarvan dit vonnis na het verstrijken van voornoemde termijn in de plaats treedt van de benodigde akte en met bepaling dat daaraan in dat geval dezelfde kracht toekomt als de benodigde akte,
subsidiair
III. voor recht te verklaren dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid, dan wel een recht van opstal is ontstaan om zowel aan de voorzijde als ook aan de achterzijde van de woning aan de [adres] een afsluitbaar hek te plaatsen en in gebruik te hebben en te houden en verder ook een juridische grondslag biedt voor het voortgezette gebruik van het bosje als verlengstuk van de tuin van [gedaagde in conventie 1] ,
IV. Gemeente Elburg te veroordelen om mee te werken aan het opmaken van een notariële akte, die strekt tot het inschrijven c.q. vastleggen van de hiervoor bedoelde erfdienstbaarheid c.q. het recht van opstal, met bepaling dat aan het in deze zaak te wijzen vonnis dezelfde kracht zal toekomen en in plaats zal treden van de benodigde notariële akte wanneer Gemeente Elburg niet uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis vrijwillig aan de uitgesproken veroordeling zal meewerken,
primair en subsidiair
V. Gemeente Elburg te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
Gemeente Elburg voert verweer. Gemeente Elburg concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
4.2.
De vraag die partijen verdeeld houdt is wie eigenaar is van het Perceelsgedeelte. Gemeente Elburg stelt dat zij eigenaar is (gebleven). Van inbezitneming – en in het verlengde daarvan verjaring – is geen sprake, aldus Gemeente Elburg. [gedaagden in conventie] stellen dat het Perceelsgedeelte in bezit is genomen en dat de verjaringstermijn is verstreken, zodat zij eigenaar zijn geworden van het Perceelsgedeelte.
4.3.
Voor het door (verkrijgende en bevrijdende) verjaring overgaan van de eigendom van het stuk grond is vereist dat (de rechtsvoorgangsters van) [gedaagden in conventie] het Perceelsgedeelte in bezit hebben genomen.
4.4.
Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of diegene de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Volgens lid 2 van dat artikel zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende. De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro en HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Alle omstandigheden van het geval moeten daartoe tegen elkaar worden afgewogen, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Vereist is dat er sprake is van ‘niet-dubbelzinnig bezit’. Dit houdt in dat de bezitter zich zo gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Dat moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).
[vader gedaagde in conventie 1] heeft het Perceelsgedeelte niet in bezit genomen
4.5.
[gedaagden in conventie] stellen dat de verjaring van het Perceelsgedeelte reeds was voltooid op het moment dat [vader gedaagde in conventie 1] eigenaar werd van [perceel gedaagde 1] . Voordat [vader gedaagde in conventie 1] eigenaar werd van [perceel gedaagde 1] , waren [perceel gedaagde 1] en perceel gemeente samen één perceel waarvan de Staat eigenaar was. [vader gedaagde in conventie 1] gebruikte de woning op [perceel gedaagde 1] als dienstwoning en betaalde hiervoor een vergoeding aan de Staat. [vader gedaagde in conventie 1] was in de periode tot 1987 derhalve houder van de woning (artikel 3:110 BW Pro). De rechtbank volgt [gedaagden in conventie] niet in hun stelling dat [vader gedaagde in conventie 1] voorafgaand aan zijn eigendomsverkrijging van [perceel gedaagde 1] het Perceelsgedeelte in bezit heeft genomen. Zoals Gemeente Elburg terecht heeft aangevoerd, kan het gebruik van het Perceelsgedeelte door [vader gedaagde in conventie 1] voor 1987 niet worden aangemerkt als ondubbelzinnig bezit. [vader gedaagde in conventie 1] was immers huurder van de woning en gebruikte [perceel gedaagde 1] in die hoedanigheid. Het gebruik door [vader gedaagde in conventie 1] van het Perceelsgedeelte – zijnde een naastgelegen openbaar stukje bos aan het water – kon daarom evenzeer duiden op gebruik in zijn hoedanigheid van huurder (Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7734).
4.6.
Het stallen van boten en het opslaan van hout, ijzer en stenen kwalificeert bovendien niet als een bezitsdaad waaruit een eigendomspretentie blijkt. De Staat hoefde hieruit als eigenaar van de grond niet af te leiden dat [vader gedaagde in conventie 1] bezitter pretendeerde te zijn van het Perceelsgedeelte. [vader gedaagde in conventie 1] is derhalve voor 1987 geen bezitter geworden van het Perceelsgedeelte. Dat de weg op het Perceelsgedeelte was afgesloten met een slagboom voorzien van een bord met daarop de tekst ‘verboden toegang’ maakt het voorgaande niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dat deze slagboom en borden waren aangebracht door [vader gedaagde in conventie 1] , zodat hieruit geen bezitsdaad van hem kan worden afgeleid. Evenmin is gebleken dat het Perceelsgedeelte door het plaatsen van de slagboom niet langer toegankelijk was voor de Staat als eigenaar, zodat het bezit van de Staat hierdoor niet teniet is gedaan.
4.7.
Volgens de eigen stellingen van [gedaagden in conventie] is het gebruik door [vader gedaagde in conventie 1] van het Perceelsgedeelte niet gewijzigd nadat hij eigenaar is geworden van [perceel gedaagde 1] . Ook na de eigendomsverkrijging van [perceel gedaagde 1] is [vader gedaagde in conventie 1] derhalve geen bezitter geworden van het Perceelsgedeelte.
[gedaagden in conventie] zijn geen eigenaar geworden van het Perceelsgedeelte
4.8.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagden in conventie] het Perceelsgedeelte in bezit hebben genomen na de eigendomsverkrijging van [perceel gedaagde 1] in 1991 door [gedaagde in conventie 1] . Duidelijk is dat [gedaagden in conventie] na 1991 diverse wijzigingen hebben doorgevoerd ten aanzien van het Perceelsgedeelte. Zo zijn bouwvergunningen overgelegd betreffende de bouw/vernieuwing van een schuur en de plaatsing van een hekwerk. Op basis van de stellingen van partijen en de foto’s in het dossier kan echter niet worden vastgesteld wanneer [gedaagden in conventie] welke wijzigingen hebben doorgevoerd en of deze zodanig zijn geweest dat kan worden gesproken van inbezitneming. Dit kan echter in het midden blijven. Zelfs wanneer zou komen vast te staan dat [gedaagden in conventie] na 1991 bezitter zijn geworden van het Perceelsgedeelte, dan kunnen zij alsnog geen geslaagd beroep doen op (bevrijdende of verkrijgende) verjaring. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.9.
[gedaagden in conventie] huren sinds juni 1997 (delen van) het Perceelsgedeelte. Hoewel [gedaagden in conventie] wisselend hebben verklaard over het aangaan van huurovereenkomsten, staat naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat tussen partijen op 2 juni 1997 en 3 juni 1997 huurovereenkomsten zijn gesloten ten behoeve van de opslag van haardhout en een schuur op het Perceelsgedeelte. Gemeente Elburg heeft immers twee door partijen ondertekende huurovereenkomsten overgelegd en [gedaagden in conventie] hebben erkend dat zij sindsdien huur betalen aan Gemeente Elburg. Gemeente Elburg heeft terecht aangevoerd dat deze huurovereenkomsten niet anders kunnen worden gezien dan als een erkenning van haar eigendomsrecht van het Perceelsgedeelte door [gedaagden in conventie] . Zij betalen Gemeente Elburg immers sindsdien voor het gebruik van het Perceelsgedeelte.
4.10.
Voorts heeft Gemeente Elburg in mei 1997 expliciet (per brief) toestemming gegeven voor het door [gedaagden in conventie] geplaatste hek aan de voorzijde van het Perceelsgedeelte. Hierbij heeft Gemeente Elburg als voorwaarde gesteld dat zij te allen tijde toegang dient te behouden tot het Perceelsgedeelte. Voor zover het plaatsen van dit hekwerk kan worden aangemerkt als daad van inbezitneming, dan is dit bezit geëindigd door deze toestemming van Gemeente Elburg.
4.11.
Zelfs wanneer ervan zou worden uitgegaan dat [gedaagden in conventie] direct in 1991 het Perceelsgedeelte in bezit hebben genomen, dan is dit bezit gelet op het voorgaande geëindigd in 1997, aldus voor het verstrijken van enige verjaringstermijn. [gedaagden in conventie] zijn vanaf dat moment slechts houder van het Perceelsgedeelte. Voortgezet gebruik van het Perceelsgedeelte door [gedaagden in conventie] na 1997 kan dan ook niet worden gekwalificeerd als (ondubbelzinnig) bezit, nu [gedaagden in conventie] sindsdien met toestemming van Gemeente Elburg gebruikmaken van het Perceelsgedeelte. Gemeente Elburg hoefde uit dat gebruik derhalve niet af te leiden dat [gedaagden in conventie] pretendeerden eigenaar van het Perceelsgedeelte te zijn.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden in conventie] niet door verjaring eigenaar zijn geworden van het Perceelsgedeelte. De primaire reconventionele vorderingen van [gedaagden in conventie] zullen daarom worden afgewezen. De door Gemeente Elburg gevorderde verklaring voor recht dat zij eigenaar is (gebleven) van het Perceelsgedeelte zal worden toegewezen.
[gedaagden in conventie] zijn niet door verjaring rechthebbende geworden van een beperkt recht
4.13.
[gedaagden in conventie] stellen (subsidiair) dat door verjaring een erfdienstbaarheid dan wel een opstalrecht is ontstaan. Voor het door verjaring ontstaan van dergelijke beperkte rechten is (onder meer) vereist dat gedurende twintig jaren sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit van de erfdienstbaarheid of het opstalrecht. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.10 is overwogen, geldt ook in dit kader dat het zijn van houder uitsluit dat [gedaagden in conventie] het ondubbelzinnige bezit hebben verkregen van een erfdienstbaarheid of opstalrecht met de door hen gestelde strekking. De daarop betrekking hebbende reconventionele vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
[gedaagden in conventie] moeten het Perceelsgedeelte ontruimen
4.14.
Gemeente Elburg vordert dat [gedaagden in conventie] het gebruik van het Perceelsgedeelte staken en dat zij het Perceelsgedeelte ontruimen. Aangezien Gemeente Elburg – zoals hiervoor overwogen – eigenaar is van het Perceelsgedeelte, is deze vordering in beginsel toewijsbaar (artikel 5:1 lid 2 en Pro 5:2 BW). De vordering kan niet worden toegewezen ten aanzien van de twee stukken van het Perceelsgedeelte die door [gedaagden in conventie] worden gehuurd. Deze huurovereenkomsten zijn immers niet beëindigd, zodat [gedaagden in conventie] een persoonlijk recht hebben om deze stukken grond te gebruiken. Voor het overige zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagden in conventie] ook de door hen aangebrachte hekwerken van het Perceelsgedeelte moeten verwijderen. Weliswaar heeft Gemeente Elburg in het verleden toestemming verleend voor het behouden van het hekwerk, deze toestemming kan zij als eigenaar echter ook weer intrekken, hetgeen zij (gelet op de gevorderde ontruiming) geacht moet worden te hebben gedaan. Bovendien hebben [gedaagden in conventie] de voorwaarde waaronder de toestemming in 1997 is gegeven – het toegankelijk houden van de weg – geschonden.
4.15.
[gedaagden in conventie] voeren nog aan dat Gemeente Elburg nooit gebruik heeft gemaakt van het Perceelsgedeelte na 1997. Voor zover zij hiermee willen betogen dat Gemeente Elburg geen belang heeft bij de door haar gevorderde ontruiming, is dat onjuist. Dat Gemeente Elburg weinig tot geen gebruikmaakt van het Perceelsgedeelte is daarvoor onvoldoende. Gemeente Elburg is eigenaar van het Perceelsgedeelte en zij moet – wanneer zij dat wenst – toegang kunnen krijgen tot het perceelsgedeelte. Gemeente Elburg heeft bovendien onbetwist gesteld dat zij in 2024 geen toegang tot het Perceelsgedeelte heeft gekregen voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Gelet hierop heeft Gemeente Elburg belang bij de door haar gevorderde ontruiming.
4.16.
De door Gemeente Elburg gevorderde dwangsom zal worden toegewezen en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
Nu de primaire vorderingen van Gemeente Elburg worden toegewezen, behoeven de (meer) subsidiaire vorderingen niet meer te worden beoordeeld.
[gedaagden in conventie] moeten de proceskosten betalen
4.18.
[gedaagden in conventie] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Elburg in conventie en in reconventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
3.870,00
(3 punten × € 1.290,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.307,43
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
verklaart voor recht dat Gemeente Elburg (nog steeds) eigenaar is van het Perceelsgedeelte,
5.2.
veroordeelt [gedaagden in conventie] om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis het gebruik van het Perceelsgedeelte te beëindigen en beëindigd te houden, het Perceelsgedeelte te ontruimen en ontruimd te houden en het Perceelsgedeelte vrij ter beschikking te stellen aan Gemeente Elburg, dit alles behoudens de twee door [gedaagden in conventie] gehuurde gedeelten van het Perceelsgedeelte,
5.3.
veroordeelt [gedaagden in conventie] om aan Gemeente Elburg een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag dat zij niet aan de in 5.2 uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 euro,
5.4.
veroordeelt [gedaagden in conventie] in de proceskosten van € 7.307,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagden in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
!
RG/PB