[de eisers] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
I. vader te veroordelen jegens [eiser 1] tot betaling van € 90.851,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 33.246,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 40.983,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
II. vader te veroordelen jegens [eiser 1] tot betaling van € 1.541,15, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
III. vader te veroordelen jegens [eiser 2] tot betaling van € 96.838,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 32.568,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 46.178,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
IV. vader te veroordelen jegens [eiser 2] tot betaling van € 1.543,48, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
V. vader te veroordelen jegens [eiser 3] tot betaling van € 105.201,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 34.945,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 50.844,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
VI. vader te veroordelen jegens [eiser 3] tot betaling van € 1.595,48, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
VII. vader te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.