Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[naam eiser 1] ,2. [naam eiser 2] ,
1.[naam gedaagde] ,
2. de gezamenlijke erfgenamen van de heer
[erflater],
1.De procedure
2.De feiten
[moet zijn: [dochter erflater] , blijkt uit later appbericht van [fiscalist] , aanvulling rechtbank]afgesproken
(moet zijn: bereikt, aanv. Rb)hebben. (…)
3.Het geschil
4.De beoordeling
zou gaanworden) ziet de rechtbank in die omstandigheden niet in. Ook het feit dat [de gedaagde] niet (meteen) heeft gereageerd op de Whatsappberichten van 9 november 2024 maakt in de specifieke omstandigheden van dit geval, waaronder de kwetsbare positie van [de gedaagde] en het feit dat zij de hulp van [fiscalist] had ingeroepen voor de verkoop van de grond, nog niet dat zij heeft ingestemd met een bod van [de eiser] . Dat [de eiser] het nodig vond in het eerste van die berichten te vragen om aan te geven “wanneer wij hier duidelijkheid over krijgen” toont overigens ook wel dat ook volgens [de eiser] zelf nog niet al het nodige was afgesproken.