Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2579

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
05/216283-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij gekwalificeerde opzetaanranding

Op 2 juni 2025 werd verdachte beschuldigd van het verrichten van seksuele handelingen zonder toestemming van de aangeefster, waarbij sprake zou zijn van dwang, geweld en bedreiging. De aangeefster verklaarde dat verdachte haar meerdere malen kuste en betastte terwijl zij zich niet kon onttrekken aan de situatie. Verdachte ontkende de beschuldigingen en stelde dat hij haar mogelijk per ongeluk had geraakt tijdens het werk.

De rechtbank beoordeelde het bewijs, waarbij de verklaring van de aangeefster centraal stond. De verklaring werd ondersteund door een getuige en chatberichten, maar deze steun bleek onvoldoende overtuigend. De getuige verklaarde niet over de kern van het verwijt en de chatberichten waren deels afkomstig van dezelfde bron als de aangeefster, waardoor het geen onafhankelijk steunbewijs vormde.

Gezien het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens werd de civiele vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van gekwalificeerde opzetaanranding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/216283-25
Datum uitspraak : 13 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] (Iran),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. W.R. Gorseling, advocaat in Cuijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
27 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Ede met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het zoenen van de mond en/of de nek van die [aangever] en/of
- het betasten van de borsten van die [aangever] met zijn handen en/of zijn mond,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] tegen een aanrecht stond en/of terwijl hij, verdachte, voor haar stond, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet, althans onvoldoende kon onttrekken aan de situatie en/of
- de armen van die [aangever] weg te trekken, wanneer zij haar armen voor haar borsten hield en/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of
- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] .

2.De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangever] betrouwbaar is. De rode draad van haar verklaring is consistent en haar verklaring is gedetailleerd. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] , de chatberichten tussen aangeefster en [getuige] , en de verklaring van verdachte zelf. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 90 uur, te vervangen door 45 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor vrijspraak gepleit. Hij heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van de verklaringen van aangeefster heeft hij aangevoerd dat zij wisselend heeft verklaard over de exacte plaats van het incident en dat het tijdsverloop, zoals blijkt uit de chatberichten, moeilijk te rijmen valt met de door aangeefster geschetste gang van zaken. Daarnaast is het door haar geschetste scenario onaannemelijk, omdat het niet logisch is dat aangeefster berichten bleef sturen aan haar vriendin, terwijl zij het huis ook gewoon had kunnen verlaten. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] sterk op elkaar lijken. Er is dan ook geen objectief, onafhankelijk steunbewijs.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verklaringen aangeefster en verdachte
Aangeefster [aangever] heeft op 2 juni 2025 aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft
verklaard dat verdachte op die dag als stukadoor in haar appartement aan het werk was. Op
enig moment hield verdachte een korte pauze en sprak zij in de keuken met hem. Zij
begreep verdachte niet, en knikte als reactie. Verdachte kwam direct hierop naar haar toe en
kuste haar meermaals op haar mond en kuste haar nek. Ook bewoog verdachte met zijn
handen richting haar borsten. Zij hield haar armen voor haar borsten, maar verdachte
probeerde haar armen steeds open te maken. Dat lukte en hij pakte meerdere keren haar
borsten vast, over haar shirt heen. Zij stond op dat moment met haar rug tegen het
aanrechtblad aan en kon niet wegkomen. Ineens hield verdachte op, ging weer aan het
werk en vervolgens naar het toilet. Zij stuurde toen berichten naar haar partner [getuige] , waarin
zij aangaf dat de stukadoor haar aangeraakt had. Verdachte kwam na het toiletbezoek meteen
weer naar haar toe en kuste haar meermaals met gesloten mond en greep naar haar borsten. Ook kuste hij haar borsten.
Zij heeft verdachte beide keren met woorden en gebaren laten weten dat ze het niet wilde. Zij
heeft meerdere keren ‘nee’ gezegd.
Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens het
werken constant heen en weer moest lopen door de keuken. De keuken was heel smal en hij
moest een aantal keer (met werkspullen) langs aangeefster heenlopen. Het kan zijn dat hij
haar tijdens het heen en weer lopen heeft geraakt. Meer dan dat heeft hij niet gedaan.
De rechtbank wordt dan ook geconfronteerd met twee tegenover elkaar staande verklaringen:
de belastende verklaring van aangeefster tegenover de ontkennende verklaring van
verdachte.
Wettelijk kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangever of aangeefster en de verdachte. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen. Ook in deze zaak is dat het geval.
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één getuige, in dit geval de verklaring van aangeefster. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de
de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Voor een bewezenverklaring is daarnaast vereist dat de rechtbank uit de wettige bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte de hem verweten feiten heeft begaan.
Beoordeling
De rechtbank moet gelet op het bovenstaande, nog los van de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, beoordelen of er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is voor haar verklaring.
In het dossier bevindt zich de getuigenverklaring van de partner van aangeefster, [getuige] . Zij
heeft verklaard dat zij een bericht ontving van haar partner waarin stond dat de stukadoor handtastelijk (
grabby) was en dat zij daarom met haar vader naar het appartement is gegaan. Zij zag dat de deur van de hal naar de keuken openstond en dat haar partner in de keuken, met haar rug tegen het aanrecht, aanstond. De stukadoor stond met beide armen tegen het aanrecht en haar partner. Zij zag dat de stukadoor en haar partner elkaar niet fysiek aanraakten.
De rechtbank is van oordeel dat deze getuige niet verklaart over de kern van het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt (de aanranding). Bovendien is het niet uit te sluiten dat verdachte pas net de (smalle) keuken was ingelopen en voor aangeefster stond, op het moment dat [getuige] hen zag staan. Ten slotte merkt de rechtbank op dat de vader van [getuige] , die op hetzelfde moment als [getuige] binnenkwam en aldus hetzelfde zou kunnen hebben gezien, niet door de politie is gehoord.
Verder heeft de getuige [getuige] verklaard over het gemoed van aangeefster. Zij heeft verklaard dat aangeefster er nerveus en oncomfortabel uit zag. De rechtbank ziet hierin echter geen voldoende duidelijke en concrete eigen waarneming, die niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van aangeefster.
Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat de getuigenverklaring en de waarneming van de getuige, onvoldoende overtuigende steun kan opleveren voor het tenlastegelegde.
Daarnaast bevindt zich in het dossier het berichtenverkeer tussen aangeefster en getuige [getuige] .
Hierin wordt weliswaar aangegeven dat verdachte handtastelijk (
grabby) was en aangeefster had aangeraakt, maar dit belastende onderdeel in het gesprek is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk aangeefster. Ook merkt de rechtbank op dat de berichten die zich in het dossier bevinden mogelijk slechts een deel van het gehele gesprek zijn. |Als aangeefster heeft geantwoord op de vraag van [getuige] wat verdachte precies heeft gedaan, bevindt zich dat deel van de chat niet in het dossier. Uit de berichten blijkt dan ook onvoldoende expliciet en concreet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte zelf geen steunbewijs vormt voor de verklaring van aangeefster. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Het enkele feit dat verdachte heeft aangegeven dat hij aangeefster mogelijk heeft geraakt tijdens het heen en weer lopen en hij vond dat aangeefster bang oogde, vormt geen steunbewijs voor de specifieke handelingen die verdachte zijn verweten.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de slotsom dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

4.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.750,- aan smartengeld,, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij
niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

5.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Rikken (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen en mr. S.A. Teger, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2026.