ECLI:NL:RBGEL:2026:2607

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/05/460748 / KG ZA 25-462
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:35 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt ongeldige opzegging lidmaatschap en herstelt toegang tot volkstuinen

De eiser had een huurovereenkomst en lidmaatschap bij de Vereniging Volkstuindersvereniging De Vier Jaargetijden voor meerdere volkstuinen. De Vereniging zegde de huurovereenkomst op wegens vermeende tekortkomingen in het onderhoud van de tuinen en ontzegde de eiser de toegang tot het tuincomplex Hofsedam.

De rechtbank oordeelde dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtsgeldig was omdat de tekortkomingen onvoldoende concreet en van onvoldoende gewicht waren. De opzegging van het lidmaatschap door de Vereniging was eveneens niet rechtsgeldig, omdat de statutaire opzegtermijn niet was nageleefd en de wettelijke gronden voor opzegging niet waren vervuld.

De rechtbank veroordeelde de Vereniging om de eiser binnen drie dagen weer toegang te verlenen tot de tuinen op de Hofsedam en Pluvierstraat, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens werd de Vereniging veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige naleving van statutaire en wettelijke regels bij opzegging van lidmaatschap en huurovereenkomst.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de opzegging van het lidmaatschap en de huurovereenkomst onrechtmatig en beveelt heropening van de toegang tot de tuinen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/460748 / KG ZA 25-462
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: “ [de eiser] ”,
advocaat: mr. K. Megens-van Mierlo,
tegen
de vereniging
VOLKSTUINDERSVERENIGING DE VIER JAARGETIJDEN,
gevestigd in Wijchen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “de Vereniging”,
advocaat: mr. Y.H.M. van Mierlo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;
- de aanvullende producties 16 tot en met 24 van [de eiser] ;
- de producties 1 tot en met 15 van de Vereniging;
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026;
- de pleitnota van [de eiser] ;
- de pleitnota van de Vereniging.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De Vereniging is een vereniging die een aantal volkstuincomplexen aanhoudt ten behoeve van haar leden, waaronder de complexen de Hofsedam en de Pluvierstraat in Wijchen. Leden kunnen tuinen huren van de Vereniging. Wanneer iemand met de Vereniging een huurovereenkomst met betrekking tot een tuin sluit, wordt diegene daarmee tevens lid van de Vereniging.
2.2.
Op enig moment hebben [de eiser] en de Vereniging een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de volkstuinen met tuinnummer [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] gelegen op het tuincomplex de Hofsedam en is [de eiser] vanaf dat moment ook lid geworden van de Vereniging. Later heeft [de eiser] met de Vereniging tevens een huurovereenkomst gesloten voor één volkstuin gelegen op het tuincomplex de Pluvierstraat.
2.3.
In de Statuten van de Vereniging is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
Artikel 4. Lidmaatschap
(…)
5. Het lidmaatschap en de huurovereenkomst eindigen:
a. door schriftelijke opzegging van het lid; dit moet minstens twee maanden vóór het einde van het verenigingsjaar (een en dertig december) gebeuren; Opzegging kan met onmiddellijk ingang als redelijkerwijs van het lid niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De contributie en de tuinhuur voor het lopende jaar blijft het lid verschuldigd. Te late opzegging heeft tot gevolg dat het lidmaatschap – met inbegrip van de daaraan verbonden verplichtingen – pas eindigt aan het eind van het volgende boekjaar, tenzij het bestuur op grond van bijzondere omstandigheden anders besluit.
(…)
2.4.
In het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
Artikel 11 Onderhoud Pro
Iedere tuinder is gehouden om:
1. Zijn tuin in goede toestand te brengen en te onderhouden;
(…)
Artikel 12 Beplanting Pro/bebouwing
1. Voor zover wettelijke regelingen (bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en/of de Statuten en/of het Huishoudelijk Reglement daaraan niet in de weg staan, zijn de leden vrij hun tuin naar eigen inzicht en keuze in te richten en te beplanten.
2. Voor het planten van hoogopschietende struiken en van bomen (waarbij een maximale hoogte van 150 cm is toegestaan) is echter toestemming van de beheerder vereist.
(…)
Artikel 13 Hobby Pro en hoe
1. Het tuinieren dat de vereniging mogelijk wil maken draagt een hobbymatig karakter en dient ter ontspanning. (…)
2. Behalve al hetgeen dat ter beoordeling van het bestuur naar huidige maatstaven redelijkerwijs in strijd moet worden geacht met de aard en het karakter van het zijn van een volkstuin gelden meer specifiek de volgende verboden: (…)
Artikel 15 Be Proëindiging lidmaatschap
1. Beëindiging van het lidmaatschap brengt beëindiging van de huurovereenkomst met zich.
(…)
4. Het lidmaatschap en dus ook de huurovereenkomst lopen automatisch door naar het volgende kalenderjaar, indien het lidmaatschap niet vóór 1 november van het lopende kalenderjaar schriftelijk wordt opgezegd.
2.5.
Op 17 april 2025, 16 mei 2025 en 12 en 13 juni 2025 hebben de beheerders van de Hofsedam controles uitgevoerd op de tuinen van [de eiser] op de Hofsedam. Bij de controles van 12 en 13 juni 2025 is naast de beheerders ook een bestuurslid van de Vereniging aanwezig geweest. De bevindingen van de controles zijn opgenomen in verschillende schouwrapporten. Voor zover van belang is in die schouwrapporten het volgende opgenomen:
Het schouwrapport van 17 april 2025:
Bevindingen: Algemeen: opslagplaats van potten en tegels paden zijn niet schoon of onherkenbaar, veel onkruid, niet gesnoeid, rommelig aanzicht. Tuin is dicht gegroeid. Lijkt op een algemene opslagplaats.
Aanbevelingen: Onkruid wieden, paden schoonmaken, te veel aan potten verwijderen. Paden vrijmaken. Struiken snoeien.
Het schouwrapport van 16 mei 2025:
Bevindingen: Er is een reactie per mail gekomen op 14-05 dat
er vanwege ziekte niets is gedaan.
We hebben op 16-09-2024 (8 maanden geleden!) al een mail
gestuurd met foto’s van de tuin en vergeleken met nu is er bijna geen verschil te zien.
Wij constateren dat er hoegenaamd niets is gedaan aan de tuin. De aanbevelingen blijven van kracht.
Als er bij de volgende controle op 13 juni niet na tevredenheid van de beheerders is gehandeld zal er vanuit het bestuur een brief worden verstuurd waarin de huur van de tuin wordt opgezegd met vermelding van de datum en de sleutel moet worden ingeleverd.
(…)
Het schouwrapport van 12 en 13 juni 2025:
Bevindingen: Sinds het vorig schouwrapport zijn er paden gemaakt, wat grindtegels daarop gelegd en er is wat onkruid weggehaald.
Wij constateren verder dat er hoegenaamd niets anders is gedaan aan de tuin. Het is vooral aan de westzijde van de tuin 1 grote opslagplaats van afval en rommel. Er staan werkelijk honderden potten, bakken langs de tuin en door de tuin heen Verspreid. Daarnaast zijn er aan de oost-en noordzijde van de tuin rijen met bonenstaken geplaatst. Met wel doel? Van de aanbeveling dat er een algemene schoonmaak moet plaatsvinden is hoegenaamd niet veel gedaan.
Aanbevelingen: Zoals in het vorig schouwrapport is aangegeven zal dit rapport en de bevindingen doorgestuurd worden naar het bestuur.
2.6.
In een uitgebreide e-mail van 13 juni 2025 heeft [de eiser] gereageerd op de opmerkingen die naar aanleiding van de schouw(ingen) zijn gemaakt. [de eiser] heeft daarin uitgelegd dat hij in elk geval ook voor de schouw 16 mei 2025 wel degelijk aan de slag is gegaan in de tuin en dat er veel is gedaan. Hij heeft daarbij verschillende concrete voorbeelden genoemd en een toelichting gegeven op zijn keuzes voor bepaalde plantensoorten. Verder hij heeft gevraagd welke regels uit het huishoudelijk reglement of Statuten in de weg staan aan de wijze waarop hij zijn tuinen nu heeft ingericht. Tenslotte heeft hij toegelicht waar hij de plantenpotten voor nodig heeft en dat hij die -na de schouw van 16 mei 2025- heeft verzameld op één plek.
2.7.
Naar aanleiding van de hiervoor omschreven schouwrapporten heeft de Vereniging op 16 juni 2025 het volgende bericht aan [de eiser] gezonden inhoudende de beëindiging van de huurovereenkomst met betrekking tot de tuinen met tuinnummer [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] op de Hofsedam:
(…)
Bij een drietal schouwmomenten van de tuinen (eerder verricht) zijn uw tuinen in verwaarloosde staat aangetroffen; aanbevelingen om de tuinen conform de voorschriften van de vereniging in ordelijke staat te brengen zijn door u niet of onvoldoende uitgevoerd.
Op verzoek van de schouwcommissie van de Hofsedam heeft een bestuursdelegatie een schouw uitgevoerd op 16 juni 2025. Ook hun beoordeling is negatief uitgevallen en is het advies het tuincontract met u voor de tuinen Hofsedam [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] te gaan ontbinden per 01 juli 2025.
Wij stellen u in de gelegenheid de tuinen netjes op te leveren en uw eigendommen voor 01 juli weg te halen. Indien dit niet voor 01 juli 2025 wordt uitgevoerd ontvangt u de borg voor de tuinen niet terug en komen de dan nog aanwezige eigendommen toe aan de vereniging.
(…)
2.8.
In de periode volgend op het bericht van 16 juni 2025 heeft tussen [de eiser] en de Vereniging telefonisch en per e-mail uitvoerig contact plaatsgevonden inzake de ontbinding van de huurovereenkomst. Deze correspondentie tussen partijen heeft er niet toe geleid dat de Vereniging van standpunt is veranderd.
2.9.
In een bericht van 30 juni 2025 heeft de Vereniging [de eiser] de toegang tot tuincomplex de Hofsedam ontzegd en schrijft zij:
Hedenavond hebben wij als voltallig bestuur gesprek gevoerd, mede ook jouw correspondentie met de opzegging van de 2 percelen aan de Hofsedam te Wijchen uitgebreid, nogmaals besproken.
Voorafgaand hebben wij als bestuur een jurist/advocaat geraadpleegd die ons direct richting de inhoud van deze mail heeft geadviseerd en het handelen van het bestuur dus goedkeurt.
Dat hebben wij gedaan om zeker te zijn dat wij niet alleen statutair/reglementair gezien correct handelen, maar ook de zaak humaan en serieus opnemen.
Dat hebben we middels het voortraject (vastgelegde waarschuwingen) reeds vervuld en ook heb ik telefonisch ruim de tijd voor jou uitgetrokken, op zondag 22 juni 2025.
Daar heb je ook recht op, als ieder ander lid van onze vereniging , zodat je je gehoord kunt voelen.
De uitkomst van ons overleg vanavond 30 juni 2025, is en blijft: dat wij jou beide tuinen, gelegen aan het complex de "Hofsedam" per 1 juli 2025 ontzeggen.
Wij zeggen hiermee jou niet alleen eenzijdig de huur op maar ook: ontzeggen wij jou per 1 juli 2025, de toegang tot het aan de “Hofsedam”.
Belangrijke Noot:
Ook als gast van een bevriende tuinder, mag je je na 1 juli 2025 niet meer op het complex de "Hofsedam" bevinden.
Indien je het complex toch betreedt na 1 juli 2025, kunnen de beheerders je van het terrein sturen, wanneer je daar geen gehoor aangeeft zien wij ons genoodzaakt de politie in te lichten.
Vervolgens dien je een afspraak te maken met een beheerder van het complex de "Hofsedam" voor de overdracht van de sleutel. Deze overdracht dient uiterlijk op 2 juli 2025 plaats te vinden.
Indien er geen beheerder aanwezig kan zijn, kun je hiervoor ook mij bellen of via dit mailadres een afspraak maken.
(…)
2.10.
Op 18 juli 2025 heeft de Vereniging aangifte gedaan tegen [de eiser] omdat hij volgens haar na beëindiging van de huurovereenkomst de sleutel van de Hofsedam niet heeft ingeleverd bij haar en het terrein blijft betreden.
2.11.
Op 4 augustus 2025 heeft de advocaat van [de eiser] per brief aan de Vereniging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een rechtsgeldige ontbinding van de huurovereenkomst van de tuinen op de Hofsedam en daarnaast de Vereniging gesommeerd om [de eiser] wederom toegang daartoe te geven. Vervolgens hebben partijen getracht onderling tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt.
2.12.
Op enig moment in augustus 2025 is [de eiser] naar de Hofsedam gegaan om zijn planten te sproeien. Naar aanleiding daarvan heeft de Vereniging de politie gebeld, omdat voor [de eiser] een terreinverbod gold. Daarop heeft [de eiser] de Hofsedam verlaten.
2.13.
Op 26 september 2025 heeft de Vereniging per e-mailbericht een schouwrapport gezonden met betrekking tot de tuin van [de eiser] op de Pluvierstraat naar aanleiding van twee controles op 5 en 11 september 2025. In dat rapport heeft de Vereniging meerdere punten van verbetering uiteengezet die [de eiser] volgens haar moet oplossen voor 1 november 2025.
2.14.
Met een e-mailbericht van 7 november 2025 heeft de Vereniging wederom een schouwrapport verzonden aan [de eiser] naar aanleiding van twee schouwingen op 31 oktober 2025 en 6 november 2025 met daarin wederom punten van verbetering.
2.15.
Met een e-mailbericht van 6 december 2025 heeft de Vereniging een derde maal een schouwrapport verzonden aan [de eiser] naar aanleiding van drie schouwingen op 26 november 2025, 27 november 2025 en 5 december 2026 met daarin wederom punten van verbetering.
2.16.
Met een e-mailbericht van 19 december 2025 heeft de Vereniging haar voornemen kenbaar gemaakt om het lidmaatschap van [de eiser] op te zeggen en schrijft:
Wegens herhaaldelijke overtredingen van de Statuten, het Huishoudelijk Regelement, de tuin- en gedragsregels en het langdurig negeren van aanwijzingen door het beheer in het verleden, alsmede een voor de vereniging ongewenst en ongepast gedragspatroon, waarbij de vereniging in haar aanzien zich geschaad ziet door middel van het verspreiden van een eenzijdige visie onder mede leden, wat ons als bestuur ter ore gekomen is, is het bestuur van Volkstuindersvereniging "De Vier Jaargetijden”
voornemensjouw het lidmaatschap van Volkstuindersvereniging “De Vier Jaargetijden” met ingang van 1 januari 2026 op te zeggen.
Handelingen, gedrag alsmede overtredingen welke in deze brief de kern zijn:
 Het niet gebruik maken van geboden tijd om zaken te verbeteren in waarschuwingstrajecten en het niet gebruik maken van geboden tijd vanaf half juni 2025 tot 1-7 2025 en ook vanaf 7-10 2025, om fatsoenlijke afspraken te maken teneinde spullen op te halen op het complex de "Hofsedam" waarbij telkens werd gevraagd om een datum of een datum geboden werd.
 Het meerdere malen zonder toestemming betreden van het complex de "Hofsedam" (terrein verbod wat per 18-7 2025 bij de politie gemeld is), om een ontstane situatie te de-escaleren, tevens het niet inleveren van de sleutels van het complex de "Hofsedam" te Wijchen
 Het langdurig niet opvolgen van aanwijzingen vanuit het beheer, wat meerdere waarschuwingen (trajecten) en daardoor ook onnodige escalatie / discussie kent wat ook in strijd is met het huishoudelijk regelement en de statuten van de vereniging.
 Je het niet houden aan de afspraken gemaakt met het bestuur en ook het je niet constructief opstellen
 Bijna iedere ontstane kwestie tussen jou en beheer, of bestuur bij voorbaat dan wel achteraf ter discussie stellen en weerleggen.
 Het op een ongepaste wijze en tijdstip bellen van bestuurslid [bestuurslid] , op (3-12 2025) en daarmee het negeren van een eerder antwoord door [medewerker volkstuindervereniging] , waarmee jij afspraken wilde doorbreken en een traject bemoeilijkt en ook belemmerd hebt, terwijl er dus reeds duidelijke afspraken gemaakt waren.
 Het veroorzaken van ontzettend en ook onnodig veel werk voor een vrijwillig functionerend beheer en bestuur met daaruit voortkomende en onwerkbare verstandhouding, ons inziens.
 Het je niet positief richten op waar de vereniging voor staat: Hobby tuinieren in een prettige sfeer, en je dus af te zetten bijna alles waar de vereniging aan de grondslag voor staat.
(…)
2.17.
Op 28 december 2025 heeft [de eiser] gemotiveerd schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de Vereniging om zijn lidmaatschap op te zeggen.
2.18.
Met een e-mailbericht van 31 december 2025 geeft de Vereniging aan dat de brief van [de eiser] van 28 december 2025 haar niet van mening heeft doen veranderen, heeft zij het lidmaatschap per 1 januari 2026 opgezegd en aangegeven dat daarmee automatisch de huurovereenkomst met betrekking tot de tuin van [de eiser] op de Pluvierstraat op diezelfde datum eindigt.
2.19.
Op 27 januari 2026 heeft [de eiser] wederom schriftelijk gemotiveerd zijn bezwaar geuit over de opzegging van zijn lidmaatschap door de Vereniging en het eindigen van de huurovereenkomst van de tuin op de Pluvierstraat. Vervolgens heeft hij dit kort geding geëntameerd.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Vereniging te bevelen binnen drie dagen na dit vonnis [de eiser] weer de vrije toegang te verlenen tot tuincomplex de Hofsedam in Wijchen (en daarmee [de eiser] ook weer de vrije toegang te verlenen tot de door hem gehuurde tuinen) en tot tuincomplex de Pluvierstraat in Wijchen op straffe van een dwangsom met veroordeling van de Vereniging in de kosten van dit geding.
3.2.
De Vereniging voert verweer. De Vereniging concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de vorderingen en is door [de eiser] voldoende onderbouwd. [de eiser] heeft immers gesteld dat hij door de Vereniging in zijn huurgenot wordt beperkt.
Is de huurovereenkomst voor de tuinen op de Hofsedam rechtsgeldig ontbonden?
4.2.
De Vereniging heeft gesteld dat zij de huurovereenkomst met betrekking tot de tuinen op de Hofsedam heeft ontbonden omdat [de eiser] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen voortvloeiend uit de Statuten, het Huishoudelijk reglement en tuin- en gedragsregels. Artikel 6:265 lid 1 BW Pro bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De in de bepaling vervatte hoofdregel en de tenzij-bepaling tezamen brengen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.
4.3.
Volgens de Vereniging bestaan de tekortkomingen van [de eiser] uit het blijvend verwaarlozen van zijn tuinen op de Hofsedam. De Vereniging heeft op meerdere momenten in 2025 schouwingen uitgevoerd en deze vastgelegd in rapporten van 17 april, 16 mei en 13 juni 2025. Daaruit blijkt volgens de Vereniging dat [de eiser] zijn tuinen gebruikt als opslagplaats voor potten en materialen, dat delen van de tuin waren dichtgegroeid en dat paden vrijgemaakt moesten worden. In het rapport van 16 mei 2025 heeft de Vereniging vervolgens [de eiser] een termijn gegeven tot 13 juni 2025 om de in het schouwrapport opgenomen aanbevelingen te verbeteren.
Daartegenover voert [de eiser] aan dat de Vereniging de huurovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden, omdat de gestelde tekortkomingen onvoldoende duidelijk zijn. Volgens hem blijkt uit (de foto’s bij) het schouwrapport van 13 juni 2025 een heel ander beeld dan de Vereniging schetst. Er liggen wel nog potten op de foto’s, maar dat is niet in verhouding met het beeld dat de Vereniging heeft omschreven. Volgens [de eiser] is er daarom geen sprake van een concrete tekortkoming en kon de Vereniging de huurovereenkomst niet ontbinden per 1 juli 2025.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de schouwrapporten met betrekking tot de tuinen op de Hofsedam zeer korte, algemene omschrijvingen bevatten van aanbevelingen die [de eiser] volgens de Vereniging moet opvolgen in zijn tuinen en dat uit die omschrijvingen maar weinig concreet valt te halen wat de Vereniging precies wil dat [de eiser] doet om deze aanbevelingen te kunnen opvolgen. In het schouwrapport van 16 mei 2025 geeft de Vereniging [de eiser] een termijn tot 13 juni 2025 om het volgende te doen: onkruid wieden, paden schoonmaken, te veel aan potten te verwijderen, paden vrij te maken, struiken te snoeien en een totale schoonmaak. Uit de mail van [de eiser] van 13 juni 2025 kan worden afgeleid dat [de eiser] hierna niet stil is gaan zitten, maar dat hij daadwerkelijk in actie is gekomen. Dit strookt ook met de opmerking in het schouwrapport 13 juni 2025 waarin staat dat er door [de eiser] verschillende acties zijn ondernomen in zijn tuinen. In dat rapport staat immers dat er sinds het vorig schouwrapport (die van 16 mei 2025) paden zijn gemaakt, daarop grindtegels zijn gelegd en er onkruid is weggehaald. Dat betekent dat in elk geval niet kan worden aangenomen dat [de eiser] , zoals de Vereniging stelt, de gegeven aanbevelingen en waarschuwingen niet serieus heeft genomen en daar geen gehoor aan heeft gegeven.
De Vereniging heeft verder gesteld dat uit de controle op 13 juni 2025 is vastgesteld dat er nauwelijks verbetering had plaatsgevonden waarbij zij kennelijk beoogt aan te geven dat er maar minimale inspanning is verricht door [de eiser] , maar in die stelling kan zij evenmin worden gevolgd. Volgens dat rapport resteert op dat moment (alleen) nog het punt dat “het een grote opslagplaats is van afval en rommel en er overal honderden potten en bakken langs de tuin staan”. Desgevraagd heeft de Vereniging ter zitting aangegeven dat met “afval en rommel” tevens werd bedoeld dat er te veel potten liggen/staan in de tuinen. Concreet was er op dat moment dus nog maar één resterend punt van aandacht, namelijk de hoeveelheid potten. Uit de mail van [de eiser] van 13 juni 2025 kan worden afgeleid dat hij met betrekking tot die potten wel actie heeft ondernomen – hij heeft die op een plek verzameld – maar daaruit volgt niet dat hij ook potten heeft verwijderd, zoals eerder door de Vereniging – in het rapport van 16 mei 2025 – was aanbevolen. [de eiser] betwist echter uitdrukkelijk dat er met betrekking tot het niet opvolgen van deze aanbeveling sprake is van enige tekortkoming. In zijn visie is er in elk geval geen regel die hem verbiedt potten in zijn tuinen te bewaren, terwijl het er bovendien niet zo veel zijn als de Vereniging stelt. Hij verwijst op dat punt ook naar de foto’s die zijn gevoegd bij het schouwrapport van 13 juni 2025. Wat daar verder ook van zij, als er op dit punt al sprake is van een tekortkoming, levert die tekortkoming nog geen grond op voor ontbinding. In beginsel is het aan de schuldenaar om zich op de tenzij-bepaling te beroepen van artikel 6:245 BW Pro. Echter sluit dat niet uit dat onder omstandigheden in het verweer van de schuldenaar (in casu [de eiser] ) dat geen sprake is van een tekortkoming, afhankelijk van de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden, het (subsidiaire) betoog besloten kan liggen dat de tekortkoming – indien deze in rechte wordt aangenomen – gelet op de omstandigheden van het geval niet de gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. [1] Voor zover de voorzieningenrechter al zou aannemen dat [de eiser] is tekortgeschoten door jegens de Vereniging door de hoeveelheid potten in de tuinen op de Hofsedam, is dat geen tekortkoming van voldoende gewicht om de gehele ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter slaat in dit verband mede acht op de foto’s die aan het schouwrapport van 13 juni 2025 zijn verbonden en waaraan de Vereniging de conclusie verbindt dat de tuin rommelig bleef terwijl er op die foto’s – in vergelijking ook met foto’s die tijdens de schouwing in mei 2025 zijn gemaakt – in elk geval sprake is van in rijen opgestapelde potten waardoor de tuin als geheel een heel andere aanblik biedt dan in mei 2025 en ‘rommelig’ geen vast gedefinieerd begrip is en in ieder geval ook geen term die direct is terug te voeren op het Huishoudelijk reglement of de Statuten. Dat betekent dat de huurovereenkomst met het bericht van de Vereniging van 16 juni 2025 niet rechtsgeldig is ontbonden en deze aldus nog altijd in stand is gebleven. Een grond voor de daarop volgende terreinontzegging was er daarom ook niet.
Is het lidmaatschap rechtsgeldig opgezegd?
4.5.
Het voorgaande betekent dat [de eiser] ook na 16 juni 2025 recht had op huurgenot en toegang had moeten hebben tot zijn tuinen op de Hofsedam. Vervolgens is de vraag of er (later) alsnog op andere wijze een einde is gekomen aan de huurovereenkomst met betrekking tot die tuinen. In dat kader is de opzegging van het lidmaatschap door de Vereniging aan het einde van het jaar van belang. Met een (rechtsgeldige) opzegging van het lidmaatschap eindigt namelijk ook de huurovereenkomst. Dat is terug te vinden in artikel 15 Huishoudelijk Pro reglement en dit is op zich ook niet door [de eiser] betwist. Een (rechtsgeldige) opzegging heeft aldus gevolgen voor de niet alleen de huurovereenkomst met betrekking tot de Plevierstraat maar heeft ook gevolgen voor de huurovereenkomst met Hofsedam (die in elk geval tot aan het einde van het jaar is blijven bestaan, zo volgt uit 4.4.).
De opzegging van het lidmaatschap heeft plaatsgevonden bij brief van 31 december 2025, met ingang van 1 januari 2026.
De rechtsgeldigheid van deze opzegging is door [de eiser] betwist. [de eiser] heeft in dat kader gesteld dat de opzegging van het lidmaatschap door de Vereniging is geregeld in artikel 4 lid 5 onder Pro a van de Statuten en dat de daarin neergelegde regeling niet is gevolgd omdat de opzegging niet twee maanden voor het einde van het verenigingsjaar is gedaan. Deze bepaling geldt volgens [de eiser] voor opzegging door het lid én de Vereniging zelf. De Vereniging heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens haar is deze bepaling alleen van toepassing in de situatie dat het lid zelf opzegt. Daarvan is geen sprake, aldus de Vereniging.
Artikel 4 lid 5 onder Pro a van de Statuten wordt zo door beide partijen verschillend uitgelegd.
De vraag welke betekenis aan deze bepaling toekomt, kan niet alleen worden beantwoord op grond van enkel zuiver taalkundige betekenis van de bepaling. Wel dient bij die uitleg in dit geval – waarin het gaat om Statuten waaraan ook leden zijn gebonden die niet bij de totstandkoming van de Statuten zijn betrokken – een meer objectieve benadering te worden gevolgd, waarbij mede acht wordt geslagen op de elders in de Statuten gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Daarbij heeft het volgende te gelden. In artikel 4 lid 5 onder Pro a van de Statuten staat weliswaar dat het lidmaatschap eindigt door schriftelijke opzegging
vanhet lid, en niet
doorhet lid, maar in de rest van dat artikellid wordt telkens verwezen naar het lid zelf en niet naar (het bestuur van) de Vereniging. Zo staat in datzelfde lid bijvoorbeeld dat opzegging met onmiddellijk ingang kan als redelijkerwijs van het lid niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren of dat een lid zijn lidmaatschap kan opzeggen met onmiddellijke ingang binnen een
maand na een besluit tot omzetting van de Vereniging in een andere
rechtsvorm. In dit artikellid is – anders dan bijvoorbeeld artikel 4 lid 5 onder Pro d – verder helemaal geen woord gewijd aan de rol van of gevolgen voor het bestuur van de Vereniging. Het is bovendien niet goed volgbaar dat “opzegging van het lid” (ook) ziet op een opzegging door de Vereniging omdat niet het lid zelf wordt opgezegd, maar het lidmaatschap. Dit onderscheid wordt in het artikel zelf ook telkens gemaakt, bijvoorbeeld in de aanhef, maar ook in de een-na-laatste volzin. Tegen deze achtergrond heeft de Vereniging er dan ook redelijkerwijs vanuit mogen gaan dat de betreffende bepaling alleen ziet op opzegging door leden en dat opzegging door haar niet werd geregeld in dit lid 5 onder a.
Omdat er in de Statuten (ook) geen (andere) regeling is voor opzegging van een lidmaatschap door de Vereniging, is op de opzegging van 31 december 2025 het wettelijke regime van artikel 2:35 BW Pro van toepassing. Dat is als zodanig ook niet in geschil tussen partijen. In artikel 2:35 lid 2 BW Pro is voor de Vereniging een beperkt aantal gronden opgenomen op basis waarvan zij een lidmaatschap kan opzeggen, namelijk wanneer het lid heeft opgehouden aan de vereisten door de Statuten voor het lidmaatschap gesteld te voldoen en wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van de Vereniging zo dat zij aan haar opzegging ten grondslag heeft gelegd dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kon worden het lidmaatschap van [de eiser] te laten voortduren.
4.6.
In het e-mailbericht van 19 december 2025 geeft de Vereniging aan voornemens te zijn het lidmaatschap van [de eiser] te beëindigen per 1 januari 2026. Daarin zet zij tevens uiteen op welke gronden zij dit voornemen baseert, te weten dat [de eiser] geen fatsoenlijke afspraken kan maken om zijn spullen op te halen van de Hofsedam, het meerdere malen volgens de Vereniging zonder toestemming betreden van de Hofsedam, het niet inleveren van de sleutels van de Hofsedam en het langdurig niet opvolgen van aanwijzingen vanuit het beheer, wat tot meerdere waarschuwingen (trajecten) heeft geleid en daardoor ook onnodige escalatie/discussie kent hetgeen ook in strijd is met het Huishoudelijk regelement en de Statuten van de Vereniging. Echter, het overgrote deel van die gronden die de Vereniging aanhaalt in haar brief heeft zij zelf veroorzaakt. Immers zoals reeds onder 4.4. overwogen is de huurovereenkomst met betrekking tot de tuinen op de Hofsedam door de Vereniging niet rechtsgeldig ontbonden, dus had [de eiser] ook na 1 juli 2025 nog altijd recht op het gebruik van de tuinen op de Hofsedam en handelde hij dus niet in strijd met de Statuten of het Huishoudelijk reglement door na te laten zijn spullen op te halen of door het betreffende terrein te betreden. De Vereniging heeft echter ten onrechte wel gehandeld alsof de huurovereenkomst was ontbonden. Dat in de periode daaropvolgend frictie is ontstaan tussen [de eiser] en het bestuur van de Vereniging, wat uiteindelijk zelfs heeft geleid tot contact met de politie, en [de eiser] standpunten van de Vereniging ter discussie stelde, of duidelijkheid vroeg omtrent de aanbevelingen uit het schouwrapport met betrekking tot de tuinen op de Hofsedam acht de voorzieningenrechter daarom ook niet onnodig of onbegrijpelijk. En hoewel de schouwrapporten inzake de tuin op de Pluvierstraat enigszins concreter zijn dan de schouwrapporten inzake de Hofsedam, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden geen grondslag kan vormen voor de (onmiddellijke) opzegging van het lidmaatschap. Ten tijde van het opmaken van die rapporten waren de gemoederen tussen [de eiser] en het bestuur van de Vereniging al zo hoog opgelopen naar aanleiding van de ontbinding van de huurovereenkomst van de Hofsedam, waarbij de schouwingen telkens werden verricht door hetzelfde bestuurslid als die de ontbinding van de huurovereenkomst op de Hofsedam heeft aangezegd en die ook in zijn schouwrapporten telkens refereert aan de Hofsedam. Dat maakt dat die schouwrapporten op deze manier niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de opzegging. Van [de eiser] kan niet worden verwacht dat hij onder dit bestuur van de Vereniging en met deze recente geschiedenis tussen hen naar zijn tuin op de Pluvierstraat gaat om daar in de woorden van het bestuur “zich er positief op te richten”. De conclusie is daarom dat de genoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – niet zodanig zijn dat van de vereniging niet gevergd kon worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4.7.
Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat noch de huurovereenkomsten met betrekking tot de tuinen, noch het lidmaatschap van [de eiser] rechtsgeldig is geëindigd.
De vorderingen zullen daarom worden toegewezen. De Vereniging moet [de eiser] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de vrije toegang verlenen tot de door hem gehuurde tuinen op de Hofsedam en de Pluvierstraat.
Een belangenafweging leidt niet tot een andere conclusie. Hoewel het partijen blijkbaar niet lukt om goed met elkaar te communiceren over wederzijdse verwachtingen en de gemoederen inmiddels zijn opgelopen, staat dit niet in de weg aan toewijzing van de vorderingen. [de eiser] heeft een groot belang bij toegang tot al zijn tuinen, ook al is er de afgelopen maanden geen enkele vorm van onderhoud geweest in de tuinen op de Hofsedam. Zoals ook ter zitting ter sprake is gekomen zijn de tuinen een groot houvast in zijn leven. Het is aan de Vereniging om hem weer in staat te stellen te tuinieren en het gesprek aan te gaan over hetgeen volgens de Vereniging nodig is om niet alleen hem, maar alle leden in staat te stellen (weer) ontspanning te vinden in de -gezamenlijke- hobby van het tuinieren.
Dwangsom
4.8.
De gevorderde dwangsom zal zoals hierna in de beslissing is vermeld beperkt en gemaximeerd worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
De Vereniging is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de Vereniging niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten, deze worden namelijk van rijkswege vergoed
.De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.459,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt de Vereniging binnen drie dagen na betekening van dit vonnis [de eiser] weer de vrije toegang te verlenen tot tuincomplex de Hofsedam gelegen aan de Sleedoornweg in Wijchen (en daarmee [de eiser] ook weer de vrije toegang te verlenen tot de door hem gehuurde tuinen) en tot (de door hem gehuurde tuin in) het tuincomplex gelegen aan de Pluvierstraat in Wijchen,
5.2.
veroordeelt de Vereniging om aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 150,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt de Vereniging in de proceskosten van € 1.459,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als de Vereniging niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de Vereniging tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
1863