Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2625

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/05/455747 / HA ZA 25-338
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming betalingsregeling na ten onrechte ontvangen PGB-budgetten

VGZ en de gedaagde sloten in 2015 een overeenkomst met een betalingsregeling vanwege ten onrechte ontvangen PGB-budgetten ter waarde van €66.607,77. Nadat de gedaagde in 2021 stopte met betalen, beëindigde VGZ in 2025 de regeling en vorderde nakoming van de volledige hoofdsom plus rente en incassokosten.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde gehouden is tot betaling van het resterende bedrag van €48.010,77, na verrekening van eerdere betalingen, en dat zij wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van beëindiging van de regeling op 25 juni 2025. Het beroep van de gedaagde op redelijkheid en billijkheid en rechtsverwerking wordt verworpen.

De rechtbank wijst de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten af omdat de aanmaningen niet voldeden aan de wettelijke vereisten. De gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €48.010,77 plus wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 en de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/455747 / HA ZA 25-338
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
COÖPERATIE VGZ U.A.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
advocaten: mr. J.H.L. ter Beek en mr. D. Sieler,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. A.D.M. Klein Selle,
procederend onder toevoegingsnummer 1KT5506.

1.De zaak in het kort

1.1.
Op 21 mei 2015 hebben VGZ en [de gedaagde] een overeenkomst gesloten met daarin een betalingsregeling. Dit nadat VGZ erop had gewezen dat de moeder van [de gedaagde] ten onrechte PGB-budgetten had ontvangen tot een totaalbedrag van € 66.607,77. Nadat [de gedaagde] in 2021 was gestopt met betalen, heeft VGZ de betalingsregeling beëindigd in 2025.
1.2.
In deze procedure vordert VGZ primair nakoming van de overeenkomst, in die zin dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 66.607,77 plus buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [de gedaagde] vindt het niet redelijk dat zij nog meer moet betalen en concludeert dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
1.3.
De rechtbank oordeelt dat [de gedaagde] de overeenkomst moet nakomen en het restant van de hoofdsom (€ 48.010,77) plus wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 moet betalen aan VGZ. Zij moet ook de proceskosten betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 maart 2026.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst. Hierna heeft VGZ op 12 maart 2026 nog een ‘akte houdende aanvullende producties’ ingediend en [de gedaagde] op 27 maart 2026 een antwoordakte. Deze akten worden buiten beschouwing gelaten. Met haar akte wil VGZ aantonen dat [de gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij de betalingsregeling onder druk van VGZ heeft ondertekend en geen juridische bijstand heeft gehad bij de beoordeling van (de voorwaarden van) de betalingsregeling. Dit standpunt heeft [de gedaagde] echter al ingenomen in de conclusie van antwoord, zodat het op de weg van VGZ lag om hierop op de mondelinge behandeling te reageren en zo nodig voorafgaand daaraan aanvullende producties in te dienen. Dat haar akte volgens VGZ is ingediend met toestemming van de advocaat van [de gedaagde] [1] maakt dat niet anders. Het staat niet ter vrije bepaling van partijen dat nog een aktewisseling plaatsvindt nadat vonnis is bepaald.

3.De beoordeling

Op grond van de overeenkomst moet [de gedaagde] de volledige hoofdsom betalen
3.1.
Partijen zijn het erover eens dat is voldaan aan de vereisten voor de eenzijdige beëindiging van de betalingsregeling door VGZ. Deze vereisten staan in artikel 1.6:
“Niet tijdige nakoming ten aanzien van de betalingsregeling van ten minste twee termijnen leidt direct tot verzuim van [de gedaagde] , hetgeen VGZ het recht geeft om de betalingsregeling eenzijdig te beëindigen, waarna VGZ naast de volledige hoofdsom alsnog aanspraak zal maken op betaling van de wettelijke rente daarover, alsmede de onderzoeks- en advocaatkosten.”
3.2.
De overeenkomst is beëindigd door VGZ bij e-mail van 25 juni 2025. [de gedaagde] heeft niet betwist dat uit de overeenkomst volgt dat de volledige hoofdsom van € 66.607,77 na beëindiging van de overeenkomst ineens opeisbaar is.
De eisen van redelijkheid en billijkheid maken dat niet anders
3.3.
[de gedaagde] stelt echter met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid dat VGZ geen nakoming van de overeenkomst kan vorderen. Dit beroep slaagt niet. De rechter kan namelijk niet snel tot de conclusie komen dat zo’n beroep slaagt; hij moet hierbij terughoudend zijn. De omstandigheden die [de gedaagde] heeft gesteld, maken niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de hoofdsom ineens opeisbaar is en dat VGZ hiervan betaling vordert. De rechtbank licht dat hierna toe.
3.4.
Volgens [de gedaagde] is de schuld ontstaan door toedoen van een medewerker van VGZ. Zij is zelf vrijgesproken van oplichting en heeft het bedrag dat zij zelf heeft ontvangen al ruimschoots terugbetaald aan VGZ, aldus [de gedaagde] . Deze stelling miskent dat [de gedaagde] op het moment van het aangaan van de overeenkomst in 2015 – terwijl zij pas in 2017 is vrijgesproken door de strafrechter – heeft ingestemd met de terugbetaling van het gehele bedrag. Dat dit is gebeurd onder druk van VGZ en dat [de gedaagde] van de druk af wilde, doet daar niet aan af. Tegenover de betwisting door VGZ heeft [de gedaagde] namelijk niet voldoende uitgelegd dat die druk meer inhield dan een sommatie en de aankondiging van een civiele procedure. Tijdens de zitting heeft [de gedaagde] overigens verklaard dat zij met haar stelling dat de overeenkomst is aangegaan onder druk geen beroep op een wilsgebrek doet.
3.5.
Na een brief aan haar moeder heeft [de gedaagde] contact opgenomen met VGZ om te komen tot een betalingsregeling voor het bedrag van € 66.607,77 (zoals ook in de overwegingen f. en g. van de betalingsregeling staat). Tijdens de zitting heeft zij verteld dat dit op advies van haar strafrechtadvocaat gebeurde. Deze advocaat was niet bij de gesprekken met VGZ aanwezig. Tijdens de zitting heeft VGZ verteld dat het initiatief van [de gedaagde] kwam omdat zij het niet op een civiele procedure wilde laten aankomen. Het concept van de overeenkomst is opgesteld door de advocaat van VGZ. Volgens VGZ is eerst een concept toegestuurd aan de strafrechtadvocaat van [de gedaagde] ; volgens [de gedaagde] is dit niet gebeurd en moest zij de overeenkomst meteen ondertekenen. Hoe dan ook is zij de overeenkomst aangegaan na het advies van haar advocaat om een betalingsregeling te treffen. De overeenkomst is duidelijk over de omvang van de hoofdsom en de mogelijke gevolgen van het niet op tijd betalen van ten minste twee maandelijkse termijnen. Dat [de gedaagde] de gevolgen van de overeenkomst niet kon overzien, kan dan ook niet worden aangenomen.
3.6.
Tot slot voert [de gedaagde] aan dat zij een bijstandsuitkering heeft, waarvan zij met twee kinderen rond moet zien te komen. Er is te weinig inkomen om maandelijks € 300,00 te betalen, terwijl haar moeder in staat en bereid is om een betalingsregeling te treffen. De rechtbank wil aannemen dat het aflossen van € 300,00 per maand uit een bijstandsuitkering op dit moment niet haalbaar is, maar de keerzijde hiervan is dat VGZ dan het recht heeft om de betalingsregeling eenzijdig te beëindigen en betaling van de volledige hoofdsom te vorderen. Anders zou VGZ gebonden blijven aan een betalingsregeling die niet wordt nagekomen en dat is niet de bedoeling van artikel 1.6 van de regeling.
Het beroep op rechtsverwerking slaagt ook niet
3.7.
Verder heeft [de gedaagde] een beroep gedaan op rechtsverwerking. Dit slaagt niet, omdat tijdsverloop alleen daarvoor niet voldoende is. Vaststaat dat [de gedaagde] in februari 2021 is gestopt met betalen en pas op 17 december 2024 een sommatie heeft ontvangen van de advocaat van VGZ. Volgens VGZ heeft zij uit coulance afgewacht, maar dat blijkt nergens uit en is kennelijk ook niet medegedeeld aan [de gedaagde] . Tijdens de zitting heeft [de gedaagde] verteld dat zij na februari 2021 terugbelverzoeken heeft achtergelaten bij de toenmalige advocaat van VGZ. VGZ was hier niet van op de hoogte. Hoe dan ook heeft er dus tussen februari 2021 en december 2024 geen inhoudelijk contact plaatsgevonden tussen partijen. Dit betekent dat slechts sprake is van stilte aan de kant van VGZ. Die stilte kan op zichzelf bij [de gedaagde] niet het vertrouwen hebben gewekt dat VGZ haar aanspraak niet meer geldend zou maken. Dat VGZ geen actie heeft ondernomen richting de moeder van [de gedaagde] en de medewerker van VGZ die zich schuldig heeft gemaakt aan oplichtingspraktijken (wat VGZ overigens betwist) en dus volgens [de gedaagde] primair verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schuld, draagt daar ook niet aan bij. Op basis hiervan mocht [de gedaagde] er niet op vertrouwen dat VGZ haar niet aan de overeenkomst zou houden. Dat haar positie onredelijk is verzwaard of benadeeld nu VGZ alsnog een vordering instelt, stelt [de gedaagde] niet. [2]
De nakomingsvordering van VGZ is toewijsbaar
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat VGZ nakoming kan vorderen van de overeenkomst en dat [de gedaagde] (het restant van) de hoofdsom moet betalen. Hoeveel zij moet betalen, wordt hierna in 3.14 uitgelegd. Aan de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van VGZ (over ontbinding, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking) wordt niet toegekomen.
[de gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.9.
VGZ vordert verder dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 1.441,08. Dit overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Tijdens de zitting heeft VGZ gesteld dat haar brief van 11 december 2024 (waarin zij aanspraak maakt op ‘onderzoeks- en advocaatkosten’) en e-mail van 21 februari 2025 (waarin wordt gesproken over ‘rente en kosten’) kunnen worden aangemerkt als veertiendagenbrieven. Deze brief en e-mail voldoen echter niet aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Hierin staat dat [de gedaagde] onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos moet zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. Een algemene waarschuwing voor ‘kosten’ volstaat niet. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Vanaf 25 juni 2025 moet [de gedaagde] wettelijke rente betalen
3.10.
Partijen discussiëren tot slot over de vraag of en, zo ja, vanaf wanneer [de gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is. Volgens VGZ is wettelijke rente verschuldigd vanaf:
het moment van ontvangst van de bedragen van € 43.418,11 respectievelijk
€ 23.189,66 op 14 januari 2014 respectievelijk 11 februari 2014,
het moment van de erkenning dat [de gedaagde] onterecht geld van VGZ heeft ontvangen op 21 mei 2015,
het moment waarop [de gedaagde] twee opeenvolgende maandtermijnen niet had voldaan op 5 juli 2018,
het moment waarop [de gedaagde] definitief gedurende twee maanden was gestopt met betalen op 5 april 2021, althans
het moment waarop de betalingsregeling eenzijdig is beëindigd door VGZ op
25 juni 2025.
3.11.
Aan haar stelling onder a. legt VGZ ten grondslag dat het gaat om bedragen die uit PGB-fraude zijn verkregen, zodat het recht van VGZ op schadevergoeding ontstond op het moment van ontvangst van die bedragen. Volgens VGZ is het verzuim daarom zonder ingebrekestelling ingetreden op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW. In deze procedure heeft VGZ evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat [de gedaagde] in 2014 een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens VGZ en daarom reeds vóór ondertekening van de betalingsregeling gehouden was tot volledige terugbetaling van beide bedragen. Vaststaat dat de moeder van [de gedaagde] op
14 januari 2014 € 43.418,11 heeft ontvangen van VGZ en op 11 februari 2014 € 23.189,66. Het ging om PGB-budgetten, terwijl de moeder van [de gedaagde] niet over een PGB-indicatie beschikte. In de dagvaarding stelt VGZ dat dit geld vervolgens is overgemaakt op de bankrekening van [de gedaagde] . Maar [de gedaagde] voert aan dat haar moeder slechts € 15.000,00 aan haar heeft overgemaakt. Dit strookt met overweging e. van de overeenkomst, waarin staat dat een gedeelte van het bedrag aan [de gedaagde] is gegeven. En dit heeft VGZ ook niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [de gedaagde] € 15.000,00 heeft gekregen. Bij die stand van zaken heeft VGZ, in aanmerking genomen de vrijspraak van [de gedaagde] door de strafrechter van het medeplegen van oplichting, onvoldoende toegelicht waaruit zou volgen dat [de gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan vervreemding/verduistering van de (volledige) bedragen en waaruit zou volgen dat [de gedaagde] bij ontvangst van de voornoemde € 15.000,00 van haar moeder wist althans moest weten dat dit afkomstig was uit PGB-fraude.
Uitgangspunt is daarom dat [de gedaagde] eerst na ondertekening van de betalingsregeling gehouden was tot betaling van het volledige bedrag van € 66.607,77 aan VGZ.
3.12.
Voor de uitleg van de betalingsregeling komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen ervan mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In artikel 1.5 van de betalingsregeling staat dat VGZ in het kader van de betalingsregeling geen aanspraak zal maken op betaling van wettelijke rente over de hoofdsom. Samen met artikel 1.5 moet artikel 1.6 (dat hiervoor in 3.1 is weergegeven) zo worden uitgelegd dat [de gedaagde] geen wettelijke rente hoefde te betalen zolang de betalingsregeling niet eenzijdig was beëindigd door VGZ. Weliswaar staat in artikel 1.6 dat niet tijdige nakoming van ten minste twee termijnen direct tot verzuim leidt, maar dat is kennelijk bedoeld als ontstaansvoorwaarde voor het recht op eenzijdige beëindiging. De zin ‘waarna VGZ naast de volledige hoofdsom alsnog aanspraak zal maken op betaling van de wettelijke rente daarover’ moet zo worden uitgelegd dat wettelijke rente pas na de eenzijdige beëindiging verschuldigd is, en wel over (het restant van) de hoofdsom op dat moment. De betalingsregeling bevat geen aanwijzingen dat, zoals VGZ stelt, met het woord ‘alsnog’ is bedoeld dat [de gedaagde] na eenzijdige beëindiging vanaf een eerder moment, bijvoorbeeld dat van de totstandkoming van de overeenkomst in 2015 of de niet tijdige betaling in 2018 en 2021, met terugwerkende kracht wettelijke rente verschuldigd is over de volledige hoofdsom. Dat is ook niet logisch in de situatie waarin de hoofdsom intussen lager is geworden door betalingen. Een en ander betekent dat [de gedaagde] niet eerder dan vanaf het moment van eenzijdige beëindiging op 25 juni 2025 in verzuim is en wettelijke rente moet betalen, zoals zij heeft erkend in de conclusie van antwoord (randnummer 20).
3.13.
Tijdens de zitting heeft [de gedaagde] gezegd dat haar matigingsverweer (met betrekking tot de wettelijke rente) niet is gevoerd voor het geval waarin de wettelijke rente vanaf 2025 verschuldigd is. Dit is hiervoor vastgesteld, zodat dit verweer niet wordt besproken.
[de gedaagde] moet € 48.010,77 betalen plus wettelijke rente vanaf 25 juni 2025
3.14.
Uit het voorgaande volgt dat [de gedaagde] geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is en eerst vanaf 25 juni 2025 wettelijke rente verschuldigd is. Anders dan VGZ als uitgangspunt neemt (op de voet van artikel 6:44 BW Pro), strekken de betalingen die [de gedaagde] tot en met 2021 heeft gedaan tot een bedrag van € 17.697,00 daarom in mindering op de hoofdsom van € 66.607,77. In de dagvaarding staat dat ook een bedrag van € 900,00 dat is betaald door een derde in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom. Dit betekent dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 48.010,77 (€ 66.607,77 minus
€ 17.697,00 en € 900,00), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 juni 2025.
[de gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.15.
[de gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.909,45

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 48.010,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 5.909,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op
15 april 2026.
1906

Voetnoten

1.Vgl. artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton.
2.Vgl. Hoge Raad 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:271.