Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De beoordeling
€ 23.189,66 op 14 januari 2014 respectievelijk 11 februari 2014,
25 juni 2025.
14 januari 2014 € 43.418,11 heeft ontvangen van VGZ en op 11 februari 2014 € 23.189,66. Het ging om PGB-budgetten, terwijl de moeder van [de gedaagde] niet over een PGB-indicatie beschikte. In de dagvaarding stelt VGZ dat dit geld vervolgens is overgemaakt op de bankrekening van [de gedaagde] . Maar [de gedaagde] voert aan dat haar moeder slechts € 15.000,00 aan haar heeft overgemaakt. Dit strookt met overweging e. van de overeenkomst, waarin staat dat een gedeelte van het bedrag aan [de gedaagde] is gegeven. En dit heeft VGZ ook niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [de gedaagde] € 15.000,00 heeft gekregen. Bij die stand van zaken heeft VGZ, in aanmerking genomen de vrijspraak van [de gedaagde] door de strafrechter van het medeplegen van oplichting, onvoldoende toegelicht waaruit zou volgen dat [de gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan vervreemding/verduistering van de (volledige) bedragen en waaruit zou volgen dat [de gedaagde] bij ontvangst van de voornoemde € 15.000,00 van haar moeder wist althans moest weten dat dit afkomstig was uit PGB-fraude.
€ 17.697,00 en € 900,00), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 juni 2025.
4.De beslissing
15 april 2026.