Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2640

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
ARN 24_7421
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 11 ParticipatiewetBesluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag AIO-aanvulling wegens ontbreken rechtmatig verblijf als gezinslid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een AIO-aanvulling door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hij stelde rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij afhankelijk zou zijn van zijn zoon die de Turkse nationaliteit heeft en werknemer is.

Tijdens de zitting trok eiser de grond in op basis van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 in. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn zoon de Turkse nationaliteit bezit en dat hij ten laste komt van zijn zoon, wat vereist is om als gezinslid in de zin van het Besluit 1/80 te worden aangemerkt.

De rechtbank baseerde zich op het besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 28 april 2023, waarin werd vastgesteld dat eiser niet ten laste komt van zijn zoon en daarom geen verblijfsrecht ontleent aan het Besluit 1/80. Hierdoor is geen sprake van rechtmatig verblijf en heeft eiser geen recht op een AIO-aanvulling.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees eiser geen proceskosten toe. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de AIO-aanvulling is ongegrond verklaard omdat eiser geen rechtmatig verblijf als gezinslid heeft aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7421
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026
in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een AIO-aanvulling [1] op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 23 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 september 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dit besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft daarop beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser betoogt dat hij rechthebbende is op bijstand (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 11 van Pro de Pw. Eiser stelt dat hij, als gevolg van een toegewezen voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in de verblijfsrechtelijke procedure, rechtmatig verblijf heeft als bedoeld artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook stelt eiser dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000, omdat hij een afhankelijkheidsrelatie heeft ten opzichte van zijn zoon die een Turkse werknemer is. Op grond van artikel 7 in Pro samenhang met artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 [2] heeft hij daarom een afgeleid verblijfsrecht, aldus eiser. Eiser stelt dat hij vanwege dit rechtmatig verblijf in Nederland, recht heeft op bijstand in de vorm een AIO-aanvulling.
5. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 en daarom recht heeft op een AIO-aanvulling ingetrokken. Daarom behoeft deze grond geen bespreking meer.
6. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000 en (daarom) recht heeft op een AIO-aanvulling niet slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
7. Eiser heeft allereerst niet onderbouwd dat zijn zoon de Turkse nationaliteit heeft.
8. Ook als de rechtbank er vanuit zou gaan dat de zoon van eiser de Turkse nationaliteit heeft en werknemer is, slaagt het betoog van eiser niet. Voor de vraag of eiser als ‘gezinslid’ in de zin van artikel 7 van Pro het Besluit 1/80 moeten worden aangemerkt, is – kort gezegd – van belang of hij ‘ten laste’ komt van zijn zoon. [3] De rechtbank oordeelt dat de SVB het bestreden besluit mocht baseren op de verblijfsrechtelijke informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), waaronder het besluit van 28 april 2023, en mocht uitgaan van de juistheid van deze informatie. [4] In het besluit van 28 april 2023 heeft de IND, in het kader van een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, getoetst aan Besluit 1/80 en overwogen dat niet is gebleken dat eiser ten laste komt van zijn zoon en dat hij om die reden niet onder het begrip ‘gezinslid’ als bedoeld in het Besluit 1/80 valt. In het besluit heeft de IND ook verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 juni 2021, waarbij in het kader van een eerdere verblijfsprocedure is geoordeeld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80. [5] De enkele stelling in de onderhavige procedure dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000 is dan ook onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij ten laste komt van zijn zoon, zodat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gezinslid is in de zin van het Besluit 1/80.
9. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80, waardoor er geen sprake van een rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000. De SVB heeft daarom voldoende gemotiveerd dat eiser geen rechthebbende op bijstand (AIO-aanvulling) is als bedoeld in artikel 11 van Pro de Pw. De SVB heeft de aanvraag voor een AIO-aanvulling daarom terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026 door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.
2.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.
3.Dat volgt uit arrest van het Hof van Justitie van 30 september 2004, Ayaz, nr. C-275/02, ECLI:EU:C:2004:570, punt 45.
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1904, r.o. 4.1.
5.Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2753 (niet gepubliceerd).